Stichting dr. O. Noordmans
Verzamelde Werken Inhoud Bijbelregister Zoeken

Verzamelde Werken, deel 9B, Lunteren 1945-1955

Weergave
Passages naar Readwise sturen

812. O. Noordmans aan Collegium Theologicum ‘Quisque suis viribus’

Lunteren, 29 januari 1948

Zeer geachte Heer Breukink,

Dat ‘Quisque’ mij tot erelid heeft benoemd, was voor mij een grote verrassing en ik beschouw het als een bijzondere eer. In de cursus 1891/92 hield ik op het gezelschap een verhandeling over a Lasco.1 Ook herinner ik mij toen tot taak gehad te hebben een stelling van Kniphuizen2 te bestrijden, die als volgt liep: ‘Het bestaan van God rechtvaardigt het geloof aan wonderen niet.’ Gedurende de volgende cursus had ik dan een grote lezing moeten geven. Ik koos: ‘De ontwikkelingshypothese en de godsdienstgeschiedenis’. Het onderwerp was wat zwaar voor een 2de jaars. Door mijn vertrek uit Leiden behoefde ik toen echter niet tussen Doedes3 en Tiele4 te kiezen. Maar ik heb toen nooit kunnen bevroeden, dat deze dingen5 zes en vijftig jaar later aanleiding zouden worden tot de onderscheiding, die u mij thans hebt toegedacht. Op uw voorstel om op de avond van 18 februari aanwezig te zijn voor de inauguratie en bij die gelegenheid een lezing te houden, wil ik gaarne ingaan. Maar er is een complicatie. Sedert enige weken moet ik wat rust nemen. Ik had mij de beide laatste jaren nog al druk gemaakt. Vermoedelijk zal ik op 18 februari wel in staat zijn te lezen. Maar men kan daarvan, in gevallen als deze, nooit geheel zeker zijn. Daarom zou het z’n goede zijde kunnen hebben, als u voor een secundus zorgde, die desnoods kan invallen. Als onderwerp noem ik: ‘De leer der genade bij Rome’.6 In verband hiermee vind ik het prettig dat u mij wilt komen afhalen. Van de uitnodiging van mevrouw Kristensen zal ik heel graag gebruik maken. Met de meeste hoogachting,

O. Noordmans.

(AQuisque)

Noten

  1. 1

    De notulen van ‘Quisque’ vermelden op 4.2.1892: ‘Zo was nu de verhandeling, te houden door de hr. Noordmans aan de beurt. Hij had tot onderwerp gekozen Johannes a Lasco; spreker ging uitvoerig het leven van deze kerkhervormer na; door welke invloeden hij in 1535 tot het hervormingswerk is overgegaan, de omgang van A Lasco met Erasmus, wiens leerling hij genoemd kan worden op wettisch gebied. A Lasco stond echter geheel op de bodem van Gods Woord en onderzocht de Schrift aan de hand der ervaring; spreker gaf het verschil aan tussen Calvijn en A Lasco, besprak de nieuwe kerkorde door deze ingesteld naar Geneefs model. A Lasco stierf in 1560 op zijn landgoed in Polen. De hr. Hoevers had wel lof voor de stijl, doch de voordracht vond hij zeer eentonig en vervelend; verder maakte hij hem opmerkzaam op de verkeerde uitspraak van ‘ei’. De hr. Fockens had zeer veel lof, vooral omdat het duidelijk was dat de hr. Noordmans veel studie er aan had besteed. De hr. de Roode merkte op dat deze eerste werkzaamheid veel beloofde voor het vervolg.’↩

  2. 2

    G.A. Kniphuisen (1868-1924) herv. pred. te Nieuw Helvoet 1895, Zijpe (NH) 1898, Boskoop 1900, Schoorl 1905, O. en W. Blokker 1909, Moordrecht 1919. De notulen van ‘Quisque’ vermelden op 25.2.1892: ‘Oppositie en defensie door de hr. Noordmans en Voorduin. De gekozen stelling was: de almacht van God rechtvaardigt het geloof aan wonderen niet; de hr. Noordmans wenst de redactie te verbeteren door te lezen: het geloof in de almacht enz.; spreker wijst verder op de schepping, die toch wel een wonder moet worden genoemd; als we daaraan kunnen geloven, dan zijn we ook gerechtvaardigd in ons geloof aan andere wonderen, die in vergelijking met dit zoveel geringer zijn; de hr. Voorduin verdedigt daarop zijn stelling, doch de wending, die de hr. Noordmans aan de zaak gegeven had, bleek het weldra, dat de hr. Voorduin niet zo vast stond als de opponent. Voor beiden had men lof om hun vloeiende wijze van spreken, doch meer voor de hr. Noordmans wat betreft de helderheid van het betoog.’↩

  3. 3

    J.I. Doedes (1817-1897), herv. pred. te Hall 1843 en Rotterdam 1847, hoogleraar RUU 1859-1888 (o.a. sinds 1877 in de geschiedenis der godsdiensten), nam in kerk en universiteit een vooraanstaande plaats in, vooral bekend als apologeet. Doedes trad in 1874 in debat met C.P. Tiele (n. 4) in De toepassing van de ontwikkelingstheorie, niet aan te bevelen voor de geschiedenis der godsdiensten (rectorale rede van 26.3.1874).↩

  4. 4

    C.P. Tiele, zie brief nr. 147 (11.3.1900), n. 1, schreef naar aanleiding van de oratie van Doedes: ‘De ontwikkelingsgeschiedenis van den godsdienst en de hypothese waarvan zij uitgaat’ in De Gids (1874) II, 421-450. Doedes antwoordde daarop met ‘Over de ontwikkelingshypothese in verband met de geschiedenis der Godsdiensten’ in Stemmen voor Waarheid en Vrede (1874).↩

  5. 5

    Verder bevat het notulenboek van Quisque nog enkele gegevens: 11.3.1892: ‘De hr. Noordmans droeg voor “Eerste liefde van B. ter Haar”. Hierover was men het eens, dat de hr. Noordmans de liefde nog niet kende, ’t ware anders veel gevoelvoller voorgedragen, minder somber; wellicht was hij eenmaal teleurgesteld.’ 11.11.1892: ‘Ondertussen had de hr. O. Noordmans de vergadering met zijn bezoek verrast. De praeses wenste hem uit naam van Quisque officieel geluk met zijn aanvankelijk herstel. Na enige ogenblikken bij ons te hebben vertoefd, vertrok hij weer.’↩

  6. 6

    Vgl. O. Noordmans Natuur en genade bij Rome (’s-Gravenhage 1949); VW 6, 428-451. Zie VW 6, 448, n. 1.↩

Verantwoording

Deze pagina is automatisch opgebouwd uit het zetbestand van het boek; de noten zijn aan hun verwijzing gekoppeld. Dat bestand heeft geen paginanummers: een brief wordt aangehaald met zijn nummer. Zet onder Weergave de correcties aan om de herstelde en de onzekere plaatsen (⚑) in de tekst te zien. De tekst is niet met het gedrukte boek vergeleken.

← 811. W.A. de Boer aan O. NoordmansLunteren 1945-1955813. Bjarne Kristensen aan O. Noordmans →