VW 6, 428-451. Uit het notulenboek van Quisque: ‘... de geschorste vergadering wordt voortgezet ten huize van Van der Klaauw, Broeder Noordmans, inmiddels voorgereden, in de fiere auto met Q.S.V. standaard, luistert met zichtbaar genoegen naar de voorgelezen notulen. Dan is het heerlijk ogenblikje gekomen, dat broeder Oepke voor ons zijn rede: ‘Leer van de genade bij Rome’ zal uitspreken. Genade bij Rome is sacramentele genade. Doordat de sacramenteel toegevoerde genade gekanaliseerd wordt krijgen wij in de R.K. kerk haar niet ‘en face’ te zien en denken over haar in zijnsoordelen. Geen Paulinische zekerheid, doch conjectureel denken. Hierdoor komt Rome, pastoraal gericht als het is, in pastorale nood en wil de genade a.h.w. draaien. De twee gedachten van Augustinus, die van het Corpus Christianum en van de Civitas Dei zijn beide gedeeltelijke correcties te noemen, die echter niet komen tot die helderheid van historische correcties, die de Reformatie bracht: de pastorale nood opgeheven door de centraal staande prediking. De belangrijke correctie die de liturgie brengt en kan brengen is gelegen in de theopoèsis-gedachte (Athanasius), die steunt op de conceptie van een God-menselijk tussenbestaan; de liturgie is meer dan stemming of naspelen, er gebeurt iets! Niet overtuigend is de begrippen-compilatie van Thomas van Aquino. De laatste en belangrijkste correctie is de intensivering van de heiligenverering. Evenals in de twee naturenleer raken, infuseren, de accenten van de theopoèsis en van het werk Christi (de mis) elkaar. Het zoeken naar zekerheid komt uit in de vergroting van de Incarnatie en van de heiliging. Persoonlijke heiligenverering, moderne devotie e.d. zijn overigens niet direct maar parallel met de sacramentele toevoering, misschien een voortzetting daarvan. Na dit glasheldere betoog hebben de broeders geen critiek, veel lof en weinig vragen. Douwe [D. Tjalsma; red.] vraagt naar de oorzaak van de verandering van opvatting bij Augustinus; deze is gelegen in de verandering van de wereldsituatie en de invoering van het psychologische moment. Br. praeses vat lof, plezier en vreugde samen en brengt in de laatste plaats lof, en gaat over tot de verereleding van Br. Oepke, daarmede de schande van Quisque dat het 54 jaar wachtte uitwissend; deze schande is overigens zeer betrekkelijk, zoals br. Oepke, lid van de Commissie tot regeling van de Quisque-tijd, i.v.m. Leiderdorp beaamt. Na bekransd en bebuld te zijn, zit het nieuwe erelid als Bacchus zelf in de broederkring, aanhorend een toespraak van J.J.J. onder het motto ‘Blindheid en Licht’ met als tekst en schriftlezing Joh. 9, over Gandhi, geestelijke blindheid die door Christus tot staan in het licht wordt en het volkomen leven handelend. Onmiddelijk daarna volgt de eerstejaarsverhandeling van Hajo (‘vergelijking van de N.H. en Rem. Kerkorde- ontwerpen’), die noch de broeders noch zichzelf weet te boeien. Inmiddels is Dick [Werner; red.] bezig met een grote zwaai in een hoek de pokelwijn uit te schenken tot hard gelach der brs. De bestuursverkiezing onder leiding van stembureaucraat Oepke doet de rudimentaire dichtorganen der brs. zwoegen; wanneer dan eindelijk het uur der uren is gekomen en twaalf slagen van Q.S.V. klok het 108e jaar van het Eeuwig Manet Vinculum hebben ingeluid, bemachtigt Douwe, verkozen zonder bonen, met onverhoedse stierensprong de hamer en deelt mede dat de maagd verjongd is; hij is zich er tenvolle van bewust dat het praesidiaat van Q.S.V. een geheel ander is dan dat over Mej. Kruik die immers zolang te water gaat tot ze barst. Luide en met jonge klanken klinken de liederen en drinken de broedermonden het rode maagdenbloed. Na dit heerlijke kan er niet veel meer komen; inderdaad gaat het Erelid heen, de standaardauto zoemt de nacht in...’
Het Q.S.V. blad Duivebericht van Pasen 1948 geeft nog de volgende nabeschouwing: ‘Quisque-schande uitgewist. Het Collegium kwijt zich van de vreugdevolle plicht aan de Broeders bekend te maken, dat een oude schande, die rustte op Quisque, ongedaan gemaakt is. Gij, Broeders in het zegevierend Quisque hadt vergeten Broeder Noordmans te verereleden, hetgeen na 56 jaar op Oudjaar 1948 geschied is. Het behoeft geen betoog, dat Dr. Noordmans, wiens verdiensten in wijden kring zelfs door onbesnedenen erkend worden, met trots te midden van de jongere Broeders zijn lauwerkrans droeg (gelijk weleer Bacchus). Broeder Noordmans, die nog-niet-gedéchargeerd lid van de Commissie tot vaststelling van de Quisque-tijd bleek te zijn, luidde het nieuwe jaar in.’↩