821. W.A. Hoek1 aan O. Noordmans
Amsterdam, 20 februari 1948
Zeer geëerde collega Noordmans,
De 45 jaren hebt u er al weer enkele dagen bovenop gekregen, en ik ben evenveel met mijn gelukwens te laat. Maar ondertussen is er weer een en ander gebeurd. Zo heb ik o.a. een artikel over Gods vogel, kievit, gelezen,2 waardoor de kievit, tot de laatste toe, die ik op aarde zal mogen zien, mij een vermaning, opwekking en prediking zal blijven. En mijn rechterhand en nog meer mijn linker voet zullen mij ook al blijven spreken van de pelgrimsreis naar de eeuwigheid. Maar dit laatste had ik ook al kunnen zeggen, wanneer ik netjes op tijd met mijn felicitatie was geweest. Ook geldt dat van de prediking over ‘God en de naaste’,3 die (onder ons gezegd) on-Brummelkampiaans was, want Brummelkamp4 begon immers maar altijd direct met te troosten - en ook on-Noordmanniaans, want die doet dat toch feitelijk in de regel ook altijd (denk nog aan Ps. 24 met zijn poorten en leeuwerikken)5 -, doch ‘God en de naaste’ sloeg mij dood, en toen de laatste troostende alinea kwam,6 was ik te dood, om daar nog van te profiteren. Toen ik weer bij kwam, heb ik een preek gemaakt over de barmhartige Samaritaan, welke gelijkenis met haar ‘doe dat’ en ‘doe gij desgelijks’7 ook doodslaat, doch Christus is de vervulling der wet8 en de eigenlijke Barmhartige Samaritaan, die direct met olie en wijn begint. Summa summarum:9 ik heb de laatste tijd wel het nodige aan u te danken. En voor de laatste tijd ligt de lange tijd daarvoor met telkens en telkens blijde verrassingen door woord en geschrift. Mijn eerste ontmoeting was in (ik meen) de Stemmen voor Waarheid en Vrede, toen gij De Hartog aanpaktet,10 en ik mij verwonderd afvroeg, wie toch die onbekende worstelaar was, die De Hartog houden kon. Laat ik maar verder niet teveel vertellen, want ik moet voor de laatste post gaat ook nog mijn 87-jarige vader geschreven hebben, die eens zeide: ‘dat <sola fide>11 van Noordmans moesten ze bij elke pastoor in de bus stoppen’. Ik pretendeer niet uw leerling te zijn. Dat liet ik aan iemand van Koopmans’12 capaciteiten over. Maar ik ben wel een dankbaar en aandachtig luisteraar. Dat hoop ik nog te mogen blijven. En hierin ligt tevens mijn wens voor de toekomst besloten. Ik hoop, dat u tot de zeer en zeer sterken moogt blijken te behoren. Wat ontviel ons Tromp,13 naar de wijsheid van ons gevoel, te vroeg. Met hartelijke groet, mede namens mijn vrouw een aan de uwe, uw
W.A. Hoek.
(AN)