853. F. van der Meer1 aan O. Noordmans
Lent, 18 mei 1949
Hooggeachte dr. Noordmans,
De plotselinge dood van mijn bijna acht-en-tachtigjarige en door mij als een waarlijk rechtvaardig man hoogvereerde Vader was de reden, dat dit antwoord op uw Het Koninkrijk der Hemelen zo lang is uitgebleven. Toch had ik het dadelijk uitgelezen: in voortdurende bewondering, en bijna overal diep gesticht. Met name wat u over het wezen van het Rijk zegt, en over de H. Drieëenheid en het beleven van dit mysterie en de goddelijke huishouding en later over de ambten des Heren las ik met diepe instemming. Wat mij trof op p. 17, 19, 21, 60, 150 (hoe onafhankelijk vindt u hier de traditie) en 181, begrijpt u wel zonder meer. En of u het wilt zijn of niet, u schrijft telkens als dichter over de heilige geheimen: ik bedoel vooral p. 21, 24 en 147-149: de Nederlandse vroomheid blijft zichzelf toch gelijk. De Heidelbergse Catechismus was mij allesbehalve onbekend, ik heb er in mijn jeugd veel in gelezen, op het gymnasium al; wat u ervan belicht, is voor mij veel helderder geworden. Als u mij toestaat, een soort critische formule te gebruiken, zou ik van het hele boek durven zeggen, dat het mij hier en daar wat onwennig maar overal echt aandoet. Geen volle traditie, maar de gave H. Schrift à travers uw persoonlijke belevenis, of, als u dat woord verdraagt, persoonlijke haeresis - zonder negatieve bijklank dan; van een katholiek verwacht u ook niet anders. U is wars van loftuitingen, en u wil alles horen wat ik denk. Wel, dat zeg ik u dan ook maar ronduit. Zoals wij allen verwonder ik mij ook weer over die minimalisatie van het doopsel, ondanks het Nieuwe Testament; en van het ganse ‘doen’ zoals de Oude Kerk het deed: overal primeert het geloven van wat gezegd, niet het doen van wat geboden. Voor ons zijn ook de twaalf artikelen eerst ‘gedaan’ en daarna geformuleerd: het is een accompagnement van de doop, een doopbelijdenis geweest. In het algemeen verbazen wij ons dat een gedeelte van de christenheid de grote dingen door de Heer gewild niet ‘doet’; Calvijn zelf vierde nog elke Dag des Heren de H. Eucharistie.2 Een beetje grimmig is u ook, hier en daar; p. 83 bovenaan3 versta ik wel, maar is het nodig zoiets zo te zeggen? En wat u over liturgie bij de Grieken zegt, met die heks van Endor,4 is toch niet juist. Die arme nuchtere sobere Grieken - : het zijn toch geen Russische lekentheologen à la rue de Crimée?5 Ik zou u zachtjes willen vragen of u ooit een Chrysostomusliturgie6 hebt meegemaakt, zoals ik dat jarenlang deed; dan zou u nooit zoiets schrijven. Het is er mee als met het destijds door u gesigneerde artikel over puritein en kloosterling:7 heeft u ooit ook maar drie dagen in een goede abdij vertoefd? Ik vermoed van niet. Dit moest mij van het hart. Maar wat betekent dat naast de ware stichting die uw commentaar op een aantal zondagen uit een groot belijdenisboek van de christenheid mij heeft gegeven? Ik ben er u zeer dankbaar voor, nog meer dan voor het loutere toezenden van het boek. En als u eens wist hoe ik van uw Nederlands geniet, en van uw eigengereidheden, als schrijver, als dichter, als belijdend christen, en, niet het minst, als calvinistisch godgeleerde. Met de meeste hoogachting en vriendelijke groet, ook aan uw dochter, uw dw. in Xo.,
Frits van der Meer.
(AN)