867. O. Noordmans aan K.H. Miskotte
Lunteren, 7 februari 1950
Waarde Miskotte,
Het is een lastige vraag die gij mij stelt in het schrijven van 29 januari j.l.1 Dat er een spanning bestaat tussen de zienswijze en de denkmanier van Van Ruler2 en u, is steeds met handen te tasten. Ik heb het gemerkt in bijna ieder woord, dat door u beiden geschreven is ter toelichting van Fundamenten en Perspectieven.3 Hele stukken uit uw artikels in In de Waagschaal4 daarover, bevatten een duidelijk verweer tegen de interpretatie van Van Ruler, zoals ik die vaak meende aan te treffen in de toelichtingen achter dat boekje. De discrepantie bleek niet alleen hieruit, dat men het tenslotte niet eens kon worden bij het stuk van de overheid, maar eigenlijk aldoor. Ik vond het daarom ook heel moeilijk om iets te zeggen over Fundamenten en Perspectieven. Ik heb het afgewezen, toen men mij vroeg het geschrift in het Nederlands Theologisch Tijdschrift te bespreken. Wel heb ik het mondeling te Utrecht gedaan, in het Ministerie van predikanten.5 Men krijgt soms de indruk alsof er twee elk aan een eind van een touw trekken. - Ik had liever gehad, dat de Synode niet - bij al het andere - nu ook reeds aan een schriftelijke belijdenis was begonnen. Een belijdenis is in onze tijd ook iets anders dan in de 16de eeuw. Toen betekende het: wij zijn geen Turken; geen ongelovigen. Nu wil het ook zeggen: wij geloven ook niet alles. Dit is natuurlijk paradoxaal uitgedrukt, maar er is iets van waar. Zo was het in de tweede en derde eeuw ook wel eens. Maar nu de kerkorde. Wanneer gij u even te binnen brengt, dat aan de kerkorde ook Severijn6 en Boonstra7 hebben meegewerkt, dan is het wel duidelijk, dat de interpretaties hier en daar belangrijk zullen verschillen. De uitleg, die Van Ruler in de Synode gegeven heeft, ken ik niet. Ik heb de tekst van de Synodes alleen in zeer verkorte vorm onder ogen gehad. Maar ik ken zijn opvattingen wel min of meer van elders. De vlucht, die de vicaris bij hem in het Weekblad8 genomen heeft, is een zeer persoonlijke aangelegenheid. In de Commissie voor de Kerkorde was het enkel een noodmaatregel, door de Synode uitgelokt, uit liefde voor de oude godsdienstonderwijzers der 19de eeuw en in verband met het gebrek aan predikanten. Onze bedoeling was meer, te verhinderen dat er een tweederangs opleiding van predikanten zou komen, zoals sommigen wilden, dan het scheppen van een nieuw ambt. Wij wilden, door godsdienstonderwijzers e.a. domineeswerk (in sommige gevallen) te laten doen, verhinderen, dat er dominees zouden komen, die het werk van godsdienstonderwijzers zouden doen en die daarvoor zouden worden opgeleid. Bedoeld was een noodmaatregel.9 De synode heeft daar toen iets meer van gemaakt en Van Ruler heeft er een nieuw ambt van gemaakt in de Synode. - Zo zullen er meer punten zijn, waarbij de dingen in de Synode een ander aspect krijgen dan in de Commissie. Daarbij moet men natuurlijk niet vergeten, dat er ook achter steekt de advocatuur, het er door halen van bestreden artikelen. Ik weet niet, welke punten gij verder bedoelt, maar in ieder geval is de tekst van de kerkorde beslissend. Ik ben gaarne bereid over bepaalde punten mijn mening te zeggen. Ik had in In de Waagschaal nog iets willen zeggen over de positie van de predikant in de Kerkorde, maar ik vond nog geen tijd. Wanneer gij bezwaren hebt tegen opvattingen van Van Ruler, buiten de tekst van de Kerkorde om, en tenslotte toch ook tegen de tekst, dan bestaat er eigenlijk heel geen bezwaar tegen, dat gij die zoudt uitspreken. Ik heb ook nog wel bezwaren, maar als commissielid ben ik sober in het noemen daarvan. Als men z’n handtekening heeft gezet, eist de loyaliteit dat. En wat men bereikt heeft als lid van de commissie blijft tot op zekere hoogte een geheim. Wel meen ik dat de raad van prof. Haitjema om in de gegeven omstandigheden groot zelfbedwang te beoefenen, goed is. Dat is steeds een goede zaak, maar nu, bij deze precaire situatie, wel dubbel. Dat de synode bij de overgangsbepalingen soepel geweest is, lijkt mij ook een blijk van wijsheid. Alleen het uitstel van 10 jaar bij de leertucht, lijkt mij meer een teken van slimheid dan van wijsheid. Dat ben ik eens met Wolfensberger.10 Ik vind eigenlijk, dat dat voor een Kerk niet gaat. Men kan het Woord Gods geen 10 jaar opschorten. Dat is eigenlijk een paskwil. Ik was daar in de commissie ook tegen. Maar laten wij zeggen dat het verstandig was. Maar zoals de zuinigheid de wijsheid, volgens het oud-Hollandse spreekwoord bedriegen kan, zo kan de verstandigheid het ook doen. Mijn gezondheid gaat veel beter. Hoe gaat het u en de uwen? Met hartelijke groeten,
O. Noordmans.
(AKHM)