916. K.H. Miskotte aan O. Noordmans
Leiden, 31 december 1952
Hoogvereerde Noordmans,
De voortzetting van uw kostelijke ‘Hervormde Gepeinzen’1 en de meditatie2 overtuigden me vanmorgen weer opnieuw, kersvers, welk een voorrecht het is, dat we u nog hebben, morgenmens, Simeon, die zich verjongen mag met iedere dag. Ik dank u voor al het goede, waarmee u ons verkwikt hebt in dit jaar in ons blad; en met name ook particulier door de singuliere paraenese van uw brieven. Wat wonderlijk, dat ik nooit langs Lunteren kom en me nog nimmer aangespoord voelde, de weg daarheen te forceren! behalve dan bij uw jubileum en toen kwam het, heel begrijpelijk, minder gelegen.3 Maar misschien zie ik u 3 januari in het roomse seminarie bij Huis ter Heide!4 Ik hoop, dat u er kunt zijn om ons voor al te grote verwarringen en voor al te dierbare identificaties te behoeden. Wat mij als inleider betreft, ik zal werkelijk alleen kunnen inleiden: de zaak is te gecompliceerd om er onmiddellijk als in één adem constructief mee bezig te zijn! Met mij gaat het overigens niet slecht! God geve u, mèt de uwen, en voor òns (uitzuigers!), een goed, een jong, een vruchtbaar jaar. Met hartelijke groet, uw dw.,
K.H. Miskotte.
(AN)