955. K.H. Miskotte aan O. Noordmans
Leiden, 7 october 1954
Zeer vereerde magister,
In hoeveel delen zou men z’n tijd en energie moeten verdelen, om bij zulk een onbedoelde, door anderen geënscêneerde feestelijkheid, de deelgenoten ver en nabij te danken naar waarde? Het is een fantastisch plan, dat werkelijk een ogenblik door m’n hoofd speelde - een geïntroverteerde wil bij tijden geforceerd zich bekeren - en waarvan àf te zien wellicht reeds in het ontwerp mede besloten lag. Ik kan er niet aan denken! Maar hoe zou ik uw goede, vaderlijke brief,1 geschreven vanuit wie weet welke half-horizontale ligging, en niet zonder nevenverschijnselen van ongemak en benauwdheid, onbeantwoord laten of door een algemeen, getikt rondschrijven beantwoorden? Gij hebt herinneringen opgehaald, althans aangeduid; ik had er méér willen horen en de mijne met u willen uitwisselen om zo aan de dank enige gestalte te geven, een gestalte, die misschien ook u nog zou verkwikken. Gij hebt, zo beslist, maar ook zo mild mogelijk, mijn onoorspronkelijkheid, het vrouwelijk-reactieve aangewezen en het goede ervan in het licht willen stellen door te spreken van ‘een in cultuur brengen’ van kennis en van een ‘waarheidsoefening’ met de stof die anderen aanbrachten of bij anderen gevonden werd door de werking van de radar, van een niet <gans?> te versmaden intuïtie. Gij hebt me aan mijn grenzen zo stellig herinnerd - en me daarmee op een wonderlijke wijze toch blij gemaakt. Want het is goed op alle manieren van Godswege door de dienst van mensen te beseffen, dat het er om gáát binnen de zeer bepáálde en beperkte grenzen met de Waarheid, de Grond van het heil en de Toekomst te verkeren. Dit is voor onze hoogmoed niet gemakkelijk, maar het wordt makkelijker, vrijer beoefend naarmate een mens gelukkig is. En dàt is de staat waarin ik dit laatste jaar met verwondering heb vertoefd, zonder aan de aandrang der verwondering een einde te vinden. Van dit Eden heb ik eigenlijk niet geweten. De zeven jaar van mijn alleen-zijn waren vol van de ontkènning ervan en van de àfwijzing van zijn mogelijkheid. Erg ‘principieel’ en naar mijn aard geláden met (negatieve) besluitvaardigheid. Het is over me gekomen, dat wat ik niet meer zòcht, niet zoeken kòn; en het is alsof het heilig verleden door dit Godsgeschenk nog geïntensiveerd wordt. Dit was nog voor mij weggelegd. Voor anderen is het moeilijk om erin te geloven; voor mij is het óók een geloof, zeker, maar met eenvoudige, triomfante bevinding omgeven. Ik zeg dit, omdat ik vertrouw, dat het u goed zal doen dit te horen. Barth denkt, dat ik te gelukkig ben om nog zákelijk te werken.2 Hij kent voorbeelden van leerlingen, die ook met ’n véél jongere vrouw getrouwd zijn, en die tot niets meer kwamen. Ik hoop en verwacht dat het bij mij toch anders zal zijn. Er gaan niet veel dagen voorbij zonder dat ik aan u denk, naar u informeer. Dijkstra3 schreef mij de laatste bulletins. Het lijkt mij zo bezwaarlijk u te bezoeken; u zult zo afhankelijk zijn van het getij van uw welbevinden en dat zal zeer wisselend zijn. Met liefde en dank voor alles wat gij voor mij geweest zijt, ook in de kritische jaren van ’47/48, is en blijft mijn hart vervuld. Mijn zoon4 zag me verbaasd een dansje door de kamer maken uit blijdschap, toen ik las, dat voor uw onvergelijkelijke, sober-brillante, op ’t lichtst geserreerde, vastgesmede gedachten van de laatste jaren toch - ook zonder mijn pressie, die ik als een verplichting ging voelen, maar niet waagde te volgen - een uitgever werd gevonden.5 Hoe heerlijk! vindt u het zelf óók heerlijk? te dènken!, dat al dit werk ontijdig verstuiven zou of verschimmelen in oude jaargangen! neen, ik mocht er niet aan dénken - en nu zal het dan toch komen - en toont reeds in z’n opzet een nieuwe structuur, die menigeen niet had vermoed in de ogenschijnlijk los geschreven stukken. Wees hartelijk gegroet en Gode bevolen,
Uw Heiko Miskotte.
(AN)