958. O. Noordmans aan UM Holland
Lunteren, 9 november 1954
Zeer geachte heer den Besten,1
zo pas ontving ik uw schrijven van 8 november j.l. Met uw voorslag, om mijn portret op de flap af te drukken, kan ik wel meegaan. Ik hoop u over de karakteristiek van het boek enkele suggesties te doen of een concept op te stellen. Daarbij zal ik dan een portret insluiten. Hiernevens treffe u een ‘Woord vooraf’ aan. Het lag, sedert gisteren, reeds in concept gereed. Ik heb er enkele trekpleisters in verwerkt en hoop dat dit de verkoop moge stimuleren. Elk wat wils. Bij de vellen 19-22, die ik 1 november terugzond, sloot ik een schrijven in. U attendeert daar in uw brief van 8 november niet op en ook van de heer van Ulzen hoorde ik er niets over, zodat ik vrees, dat de brief onopgemerkt is gebleven. Ik schreef toen, dat ik het boek aan mijn vrouw wenste op te dragen. Copie van de opdracht (drie woorden) sluit ik hierbij in, met het ‘Woord vooraf’. Wilt u mij de ontvangst van deze beide stukken p.o. even bevestigen? Dan ben ik gerust, dat er geen omissie kan plaats hebben. In die brief van 1 november vroeg ik ook nog, of er ook prospectussen zijn opgesteld en verzonden. Ik heb er n.l. niet een onder ogen gekregen. Wilt u, als het wel gebeurd is, er een toezenden? Wat de verkoop van het boek betreft ben ik optimistisch. Soms lees ik zelf de stukken met spanning, alsof een ander ze geschreven had, wanneer ik de proeven nakijk. Het boek is - als ik het zelf mag zeggen - in dit bijzondere geval - aantrekkelijk. Voor predikanten en voor gemeenteleden; voor roomsen en protestanten. Ik heb, naar aanleiding van deze reeksen meditaties en artikels, steeds zeer waarderende brieven gekregen. Ik vertrouw dat de uitgave aan veler wens voldoet. Mijn gezondheid, waarnaar u informeert, gaat redelijk, maar ook niets boven dat sobere en half-bedenkelijke woord. Hiermee meen ik de aanhangige punten behandeld te hebben. Hoogachtend, met vriendelijke groet,
O. Noordmans.
(AUMH)