774. W.F. Zuurdeeg1 aan O. Noordmans
Utrecht, 19 december 1946
Zeer geachte dr. Noordmans,
graag wil ik even toelichten waarom ik U mij dissertatie2 toezond, hoewel ik U persoonlijk niet ken. Bij het lezen van Uw Geestelijke Perspectieven, ’t opstel over Barth, werd ik getroffen door de grote overeenkomst tussen Barth en De Bussy.3 Vandaar mijn stelling over deze beide theologen.4 De overeenkomst gaat m.i. nog verder. Al in 1889 schreef De Bussy een art[ikel] over De Ontwikkelingsgang der Moderne Richting,5 waarin hij een zeer scherpe critiek op het z.g. idealistisch geloof levert. Ik kom zelf geheel uit de humanistische hoek, maar ben langzamerhand er toe gekomen om, waar het geloofsvragen betreft, in alle idealisme en humanisme een gevaar te zien. Mijn dissertatie gaat over de neo-positivisten. die m.i. overtuigend aantonen, dat op het terrein van kennistheorie en ethiek het idealisme onhoudbaar is. Voor zover in de godsdienstwijsbegeerte aansluiting bij de kennistheorie moet worden gezocht, moeten wij m.i. meer naar Hume6 dan naar Kant7 kijken. Natuurlijk zijn er ook wel bezwaren tegen het empirisme. Tot mijn eigen verbazing vind ik mij, na deze studie, rechts van Heering,8 De Vos,9 Van der Leeuw,10 en op vele punten bij uw theologie en bij Barth in de buurt.
Met beleefde groeten,
W.F. Zuurdeeg.
(AN)