775. O. Noordmans aan G. Brom1
Lunteren, 5 januari 1947
Zeer geachte heer Brom,
Voor ik u op 9 januari op ‘Veritas’2 denk te ontmoeten, wil ik u nog met een enkel woord danken voor de toezending van Uw Gesprek.3 Allang had ik u willen en moeten schrijven, maar door een opeenstapeling van pressante werkzaamheden kon ik nog geen tijd vinden het geheel door te lezen. Ik heb er wel hier en daar in gelezen en gezien, dat u een - laat ik zeggen - oecumenisch of katholiek getijde ziet opkomen, waartegen het genuïne protestantisme niet opgewassen zal zijn. Trouwens dat insinueert men ons tegenwoordig van vele zijden. Er is misschien - of moet ik zeggen - zeker wel reden voor, om zoiets te denken. Inderdaad zal de toestand der christenheid niet een stereotiep karakter blijven vertonen. Tegen de oecumenische en katholieke gedachte heb ik natuurlijk geen bezwaar. Ik heb dat meermalen publiek uitgesproken. Bij u en uw gelijkgezinden landgenoten wordt dat allicht een katholiek getijde, dat u met verlangen afwacht. Daartegenover sta ik - u hebt er in uw boek zelf gewag van gemaakt, anders. Ik geloof dat men zich totaal vergist, als men het naderend einde van onze kerken verwacht. Ik zie wel de romaniserende tendenzen hier en daar in onze kringen, maar ik ken ook en veel meer onmiddellijk de spankracht van de gereformeerde geest. Deze zal de rooms-katholieken nog verrassingen bereiden.4 Inmiddels verheug ik mij op het ‘Gesprek’ ook op 9 januari. Hartelijk dank voor uw boek. Met beleefde groet,
O. Noordmans
(AKDC)