Stichting dr. O. Noordmans
Verzamelde Werken Inhoud Jaren Bijbelregister Zoeken

Verzamelde Werken, deel 9B, Lunteren

Weergave
Passages naar Readwise sturen

883. H. Robbers S.J.1 aan O. Noordmans

Nijmegen, 30 october 1950

Zeereerwaarde zeergeleerde Heer,

Van mijn collega Van de Pol2 vernam ik het eerst iets van uw artikel over mijn boek: Wijsbegeerte en Openbaring.3 Uit de lezing daarvan bleek mij, hoe ernstig u dit opus hebt bestudeerd, en als iets actueels hebt beschouwd. Daarvoor betuig ik u gaarne mijn erkentelijkheid. Zoals het u ook wel vaker gebeurd zal zijn, heeft het ook mij hier en daar verrast, wat een geheel anders ingestelde geest van mijn gedachten maakt. Het heeft geen zin, om er een antwoordartikel op te schrijven; als een eigenlijk offensief heb ik uw artikel geenzins opgenomen. Over die geheel andere instelling heb ik al meermalen geschreven o.a. in mijn ‘gesprek’ met collega Dooyeweerd in Studia Catholica (1948 & 1949).4 Wel stel ik er prijs op u mijnerzijds enige preciseringen te laten weten; p. 3, tweede alinea.5 Nooit heb ik geschreven, dat in de metafysische anthropologie aangetoond wordt, dat de natuur zozeer vraagt om een verheffing tot het bovennatuurlijke, dat moet worden aangenomen, dat deze verheffing uiteindelijk tot stand zal komen. In mijn betoog staat, dat de metafysiek over de intrinsieke mogelijkheid en over het feitelijk bestaan (zullen bestaan) dier verheffing niets kan bewijzen. p. 3 onderaan.6 Waar het om het christendom als zodanig gaat, heb ik nooit het materiële van het christendom ad libitum7 gelaten, nergens het dogma gedevalueerd. Op het filosofisch plan echter (der potentia oboedientialis, niet obedialis,8 is de bij S. Thomas en de scholastiek gangbare uitdrukking) is van dogma nog geen sprake. p. 8-10.9 Revelatio betekent bij mij ook openbaring (cfr. titel). Die openbaring is een mededeling van zulk kennen, dat een verheffing betekent boven het natuurlijk (wijsgerig) kennen. Soms wordt dan het woord verheffing gebruikt (elevatio), dat zich echter niet tot de kenorde beperkt. Bij revelatio valt de nadruk op de kenorde. p. 10-11.10 Met uw onderscheiding van boodschap en teken hier op mijn woorden toegepast11 kan ik niet geheel instemmen. Wie een rouwcirculaire ontvangt, noemt deze een boodschap, een bericht, van de dood van een bekende; de woorden, hetzij geschreven, hetzij gesproken, over deze dood, noemen we tekens (signa conceptuum).12 Wellicht dat het door u bedoelde: woord in pregnante zin,13 geen teken is, maar ik zou daarover toch meer woorden willen horen, (Tekens!), die mij duidelijk maken (berichten of betekenen), wat met dit: woord in pregnante zin bedoeld wordt. p. 15.14 Wat hier homogeniteit precies beduidt,15 is mij niet duidelijk. Niet homogeniteit is grondslag der analogie, doch unitas of identitas en diversitas tevens.16 p. 15 ...maar dat dit vooral bij God voorkomt...17 (S. Thomas, I, q. 16, a.5). Maxime betekent hier bij S. Thomas niet vooral, doch: in de allesovertreffende graad. Volgens S. Thomas is grijpen van de zaak (res) in elk kennen suo gradu18 aanwezig, maxime, in de allesovertreffende graad, invenitur in Deo.19 Deze gradatiebeschouwing met Deus als Maximetale (vergelijk S. Thomas, I, q.2, a.3 quarta via) is een der dragende pijlers van heel S. Thomas’ metafysiek. En dit blijkt niet, ja wordt miskend, als maxime wordt vertaald door vooral, terwijl dan vooraf zou gaan, dat in ons menselijk kennen de zaak zou gemist zijn. p. 15-16. De door u geciteerde plaats,20 die staat in de inleiding van S. Thomas, I, q. 75, vooraleer de eigenlijke behandeling der kwesties aanvangt, stelt theologus niet tegenover filosofus. Degene die de mensennatuur beschouwt noch ex parte animae, noch secundum habitudinem quam habet corpus ad animam,21 zou in S. Thomas’ gedachtengang genoemd kunnen worden de fysicus of de mathematicus. Die theologus is de theologus van de Summa Theologica, waarin ook nagenoeg heel de thomistische filosofie te vinden is in die relatie die door S. Thomas gelegd wordt tussen wijsbegeerte en openbaringsorde: wijsbegeerte open en ontvankelijk voor en luistergraag naar een (thans werkelijk meegedeeld) hoger kennen. De argumenteermethode is in de corpora articulorum van die q. 75 dan ook wijsgerig te noemen; dit is een weten ‘sub ratione Dei’22 een theologia of divina scientia23 ook te noemen, hetgeen ook reeds Aristoteles deed ten opzichte van de ‘eerste wijsbegeerte’ (S. Thomas, In Boethium de trinitate, q. 6 a. 1; Commentarius in Metaphysicam Aristotelem, I, lect. 3n 64; cfr. daarbij p. 17 van mijn boek). Met gevoelens van ware hoogachting en verbondenheid in Christo,

H. Robbers s.j.24

(AN)

Noten

  1. 1

    H. Robbers S.J. (1894-1970), katholiek theoloog, hoogleraar KUN 1946-1965, voorzitter van de Vereniging van Thomistische Wijsbegeerte en actief op het terrein van de pedagogiek: o.a. voorzitter van het Katholiek Pedagogisch Centrum 1947-1968. Zie verder VW 4, 240, n. 1.↩

  2. 2

    W.H. van de Pol, zie brief nr. 593 (21.12.1937), n. 1.↩

  3. 3

    ‘Existentialisme als Katholicisme (naar aanleiding van H. Robbers S.J., Wijsbegeerte en openbaring)’ in NTT. 5(1950/51), 1-20; VW 4, 222-240. H. Robbers S.J. Wijsbegeerte en Openbaring (Utrecht 1948).↩

  4. 4

    Robbers schreef in Studia Catholica 23(1948), 69-86, een artikel: ‘Het natuur-genade-schema als religieus grondmotief der scholastieke wijsbegeerte.’ Dooyeweerd ging daarop in in Philosophia Reformata (1948), 26-31 en 49-58, met een artikel: ‘Het wijsgerig tweegesprek tussen de Thomistische filosofie en de wijsbegeerte der wetsidee.’ Robbers antwoordde daarop met het artikel ‘De calvinistische wijsbegeerte der wetsidee in gesprek met het Thomisme’ in Studia Catholica 24(1949), 161-171. H. Dooyeweerd (1894-1977), wijsgeer en jurist, hoogleraar VU 1926-1965, grondlegger van de wijsbegeerte der wetsidee, hoofdredacteur Philosophia Reformata.↩

  5. 5

    VW 4, 224.↩

  6. 6

    A.w., 224.↩

  7. 7

    Lat.: naar believen.↩

  8. 8

    Lat.: vermogen om te gehoorzamen.↩

  9. 9

    A.w., 228vv.↩

  10. 10

    A.w., 231vv.↩

  11. 11

    A.w., 231: ‘Daarom heeft ... deze metafysische antropologie niet het recht om de stoffelijke wereld ... een zijnsboodschap te noemen, zoals dr. Robbers doet. Dat woord boodschap is hier verwarrend. Ongetwijfeld wordt aan de ervaring positieve betekenis toegekend. Maar een echte boodschap, een Evangelie, dat ons stil doet staan of omkeren op de weg, of terzijde van de weg afgaan over een brug, mag de ervaring in deze filosofie niet heten. Dr. Robbers corrigeert zich, onbewust, ook dadelijk daarop als hij haar een teken en verschijning, een fenomeen noemt. ... Inderdaad, de drie laatstgenoemde namen voor de stoffelijke wereld ... wijzen er op, dat er iets schuilt achter het teken, de verschijning, het fenomeen en dat dit schuilgaande het werkelijk zijnde is, dat men moet trachten te bereiken en te verstaan. De fenomenale vorm moet men daartoe eerst “overstijgen”. - Bij een boodschap is dat niet het geval.’↩

  12. 12

    Lat.: tekenen van begrippen, die tot voorstelling geleid hebben.↩

  13. 13

    A.w., 232: ‘Van een werkelijke boodschap-met-inhoud, een woord in pregnante zin, wordt geen teken gegeven. ... Het heeft zelf betekenis, en men moet daarnaar luisteren. - Het is ook geen verschijning, maar een volle reële aanwezigheid. In deze zin bestaat er geen fenomenologie van het woord.’↩

  14. 14

    A.w., 235v.↩

  15. 15

    A.w., 235: ‘Tussen oorzaak en zijn, zoals die in het chiasme van Thomas naast elkaar staan, ligt de schepping. En dat is geen kleinigheid. Daarbij komt dan later nog de val en dat is weer geen geringe zaak. Als men hier de homogeniteit, die de grondslag is van de analogie, wil belijden, moet men hele stukken uit de christelijke theologie overboord werpen en bij het neoplatonisme ter schole gaan.’↩

  16. 16

    Lat.: eenheid, identiteit en verscheidenheid.↩

  17. 17

    A.w., 235v. (vervolg citaat in n. 12): ‘Eerder schijnt dit te kunnen gelukken in de kenleer, als Gods kennen als maat van ons kennen genoemd wordt. Maar dit is slechts schijnbaar en kan alleen opgaan als men wederom schepping en val uitschakelt. Deze beide maken, dat wij bij het woord moeten leven, omdat wij de zaak gemist hebben. Thomas wist daarvan toen hij schreef, dat de waarheid gevonden wordt in re, maar dat dit vooral bij God voorkomt.’↩

  18. 18

    Lat.: op zijn eigen niveau (lett.: op zijn trede).↩

  19. 19

    Lat.: wordt in God gevonden.↩

  20. 20

    A.w., 236: ‘Naturam autem hominis considerare pertinet ad theologum ex parte animae, non autem hominis ex parte corporis, nisis secundum habitudinem quam habet corpus ad animam.’↩

  21. 21

    Lat.: noch vanuit de ziel, noch vanuit de gesteldheid welke het lichaam met betrekking tot de ziel heeft.↩

  22. 22

    Lat.: onder de rede van God.↩

  23. 23

    Lat.: goddelijke wetenschap.↩

  24. 24

    ON gaf in NTT. 6(1951/52) een recensie van H. Robbers S.J., Neo-Thomisme en Moderne Wijsbegeerte. Bibliotheek van Thomistische Wijsbegeerte (Utrecht/Brussel 1951): ‘Dit boek dient twee doeleinden. Het eerste is wel, het recht van een neo-thomisme bij eigen geloofsgenoten te bepleiten. Maar dan ook, de blijvende betekenis van de thomistische wijsbegeerte voor onze tijd in het licht te stellen. Schrijver schetst de opkomst van de beweging, waaraan Leo XIII door de encycliek ‘Aeterni Patris’ (1879) een beslissende stoot gaf. Als doel werd daarbij gesteld: ‘vetera novis augere en perficere’. Deze oproep gold toen allereerst de opleiding der rooms-katholieke geestelijkheid, maar onder aanvoering van Mercier (1851-1926) werd hij door de universitaire studie, van Leuven uit, overgenomen. Telkens komt dr. Robbers er op terug, welk een betekenis deze studie ook quantitatief, b.v. op wijsgerige congressen, reeds heeft gekregen. Tegenover het ‘augere’ en ‘perficere’ betekent het Neo-Thomisme echter tevens een belijning. Het rooms-katholieke modernisme kon niet enkel op negatieve wijze worden ingedamd. De pausen hebben dat wijselijk ingezien. Dit boek van dr. Robbers doet wel beseffen, dat achter het ‘augere’ van Leo XIII heel wat spanning zit. Aan die spanning is inderdaad veel uitlaat verschaft. Er bestaat wel binding ten opzichte van de hoofdbeginselen van geloof en zeden; maar verder geeft de Kerk bij het wetenschappelijk onderzoek slechts een sein van veilig of onveilig. Het is interessant in dit boek door een philosoof de mate van vrijheid, die hem gelaten is, te zien uitpalen. Wetenschappelijk en godsdienstig zijn wij er trouwens ook in betrokken. Belangrijker echter nog dan zulke meer formele kanten van deze studie komen mij voor de bladzijden, waarop getracht wordt een inzicht te geven in de moderne Thomas-interpretatie. Daarbij heb ik het oog op ‘de participatie’, die dr. Robbers, met meerdere nieuweren, als leidende idee bij de doctor angelicus meent aan te treffen. Ik heb hier geen ruimte daarop nader in te gaan. In aansluiting echter aan mijn artikel over het vorige boek van dr. Robbers in een vroegere aflevering van dit tijdschrift, vind ik misschien elders nog een gelegenheid het wel te doen.’

    O. Noordmans.↩

Verantwoording

Deze pagina is automatisch opgebouwd uit het zetbestand van het boek; de noten zijn aan hun verwijzing gekoppeld. Dat bestand heeft geen paginanummers: een brief wordt aangehaald met zijn nummer. Zet onder Weergave de correcties aan om de herstelde en de onzekere plaatsen (⚑) in de tekst te zien. De tekst is niet met het gedrukte boek vergeleken.

← 882. O. Noordmans aan de Commissie voor het vraagstuk van de vrijstelling van theologen van de militaire dienstplichtLunteren884. O. Noordmans aan J.N. Bakhuizen van den Brink →