Stichting dr. O. Noordmans
Verzamelde Werken Inhoud Bijbelregister Zoeken

Verzamelde Werken, deel 9A · 4. Utrecht

Weergave

146. G.Th. Smit1 aan O. Noordmans

Longerhouw, 2 november 1899

Amice,

Op reis zijnde - uit uw schrijven blijkt mij, dat gij bij uw schrijven aan ons reisplan niet meer hebt gedacht - ontving ik een brief van uw vader. Tot mijn blijde verrassing vernam ik dat gij opeens naar Utrecht waart vertrokken om uw studie voort te zetten. Genoemde brief vloeide over van blijdschap en dankbaarheid. Dankbaarheid aan de Here, maar ook aan ons, die er zoveel toe bijgedragen zouden hebben om je het stoute besluit te doen nemen weer naar de universiteit te trekken. Die dank heb ik moeten afwijzen, maar heb mij toch hartelijk verheugd in het geluk van je vader en moeder in de hoop dat het je gelukken mag de studie te voltooien. Die waarlijk aandoenlijke blijdschap uwer ouders moge ook voor jou tot steun en opwekking zijn in donkere ogenblikken. Je weet dus, dat ik van je vertrek reeds had gehoord, ook heb ik je ouders teruggeschreven. Vandaag ontvingen wij een bezoek van je zuster, mevr. Lambers, die ook in Scharnegoutum en Gaast was geweest. Ze kon slechts even vertoeven. Verder je brief inziende bemerk ik, dat je het met de colleges nogal gemakkelijk hebt. En wat de ‘godjes’2 betreft, ja, ik heb altijd het geroep gehoord, dat het in Utrecht moeilijk was. Ik zou dat boek van 1000 bladzijden3 met oordeel excerperen, maar met een ruim geweten, zodat al de ‘godjes’ van de derde rang en sommige van de tweede verdonkeremaand worden. En voorts, ‘toestand niet pleizierig’, ‘geestelijke gedruktheid.’ Ook uw vader sprak van moed geven of zoiets. Ik heb daarnaar bij je wel eens gevorst, maar dat bij je niet ontdekt. Ge herinnert u wellicht dat ik er over sprak in verband met je brief - vorige - uit Utrecht. Voor mij was het duidelijk dat je je toen heel anders gevoelde dan thuis. Met nadruk zeg ik voor mij, omdat ik dat zo goed ken. De meeste mensen begrijpen u daarin niet. ‘Allerlei zwarigheden, die ten dele bestaan of ook ten dele niet bestaan dringen zich dan over mij heen.’ Ik behoef de voorlaatste ‘i’ slechts in een ‘o’ te veranderen om het op mijzelf van toepassing te kunnen maken, op mijn toestand reeds tien jaar en later vóór gij mij kende. ‘Zwarigheden ten dele bestaande.’ Maar dan nog worden molshopen tot bergen. Ware ik door hoger hand niet ondersteund, ik zou in die strijd bezweken zijn. En toch, in de betere uren begreep ik het zelf niet. Gij zit in ’t schuitje. Na deze brief ben ik er te meer blij om. Zo alleen komt ge het doel nader. Door elk uitstel zoudt gij het afstel nader gekomen zijn. Nu zal de Here helpen. Bid er om. Ook wij hopen u te gedenken in den gebede. Sluit u niet te veel in uzelf op. Zoek een opgewekte vertrouwde vriend. Tracht naar wat afleiding juist dan wanneer gij geen lust hebt afleiding te zoeken. Schrijf nog eens. Wij hebben hier drie kinderen, dat is een afleiding! Het schrijven gaat er niet te beter om. Ik zit nl. in de huiskamer. - Zijt Gode en zijn genade bevolen. Groetend, tt.

G.Th. Smit en [echtg.].

(AN)

Noten

  1. 1

    G.Th. Smit, zie brief nr. 44 (3.7.1888), n. 4.↩

  2. 2

    De ‘godjes’ slaat op het tentamen godsdienstgeschiedenis bij G.H. Lamers, gevreesd om de hoeveelheid namen. Volgens de hoogleraren S.F.H.J. Berkelbach van der Sprenkel en J.H. Semmelink rolden aan de vooravond van dat tentamen (of examen) de dispuutgenoten de examinandus door een stel uitgeknipte en uitgestrooide godennamen, ‘dan zou hij zeker slagen...’↩

  3. 3

    G.H. Lamers, De wetenschap van den godsdienst, 2 dln. (Utrecht 1896-1898).↩

Verantwoording

Deze pagina is automatisch opgebouwd uit het zetbestand van het boek; de noten zijn aan hun verwijzing gekoppeld. Dat bestand heeft geen paginanummers: een brief wordt aangehaald met zijn nummer. Zet onder Weergave de correcties aan om de herstelde en de onzekere plaatsen (⚑) in de tekst te zien. De tekst is niet met het gedrukte boek vergeleken.

← 145. Oepke aan zijn ouders4. Utrecht147. Ouders aan Oepke →