343. J.A. Hoek1 aan O. Noordmans
Nijega-Opeinde, 15 augustus 1923
Beste Noordmans!
Wees met je vrouw en kinderen recht hartelijk van ons gelukgewenst met de geboorte van je zoon Johannes Arnoldus.2 Beleef ook van deze knaap veel vreugde, worde hij een even aardige jongen als zijn oudere broeder. Dank vooral voor je bericht van zijn geboorte. Hoe maak je ’t toch wel? Voel je je ... enigszins als in een hemel op aarde? Als ik je oude pastorie voorbij kom denk ik altijd twee dingen: saai ... dat Noordmans er niet meer zit ... gelukkig ... voor hem. En nu betalen ze! En nu betalen ze! Zorg dat je je toekomende deel nog krijgt!! Dat was toch nog een soort lumineuse staart van de historie!3 Is je vrouw weer aardig op krachten? Hoe maken Dina en haar oudste broer het? Bep kreeg diploma der meisjes-HBS. Wat we nu met haar zullen weten we niet. Jan ging met een schitterend rapport als primus van zijn klas over. (5 voor Latijn). Wim gaat nu ook naar ’t gymnasium. Verder heb ik geen nieuws! Vrijdag gaan we en pension in ’s Heerenberg bij Emmerik. Daar staat ook een neef (Ds. Zeydner)4 van me. Dat vinden we een soort attractie. Gisteren was ik bij De Baan5 in Drachtstercompagnie. Ik vind hem wel vooruitgegaan. Maar nog niet beter. Hij is al een jaar ziek. We hadden hier een maand lang Pastor Albrecht gelogeerd uit Hamburg. De vader van die meisjes die gedurende enkele jaren telkens bij ons waren. Wat een eminent man is hij. Absoluut geestverwant en buitengewoon geleerd. Dat vond ik soms wel eens griezelig. Het is een soort professor. Net als jij. Als je dat nog eens werd zouden je vrienden je eerst volkomen op je plaats weten. Eerder niet. Mij werd dezer dagen verteld door iemand, die een freule uit je gemeente had gesproken, die zei met zoveel genoegen en stichting je preken te horen. Nu weet ik niets meer. Mij dunkt je kunt het er mee doen! Schrijf je ook mij eens! Weest hartelijk samen gegroet met de kinderen van ons allen steeds gaarne je vriend
J.A. Hoek.
(AN)