Stichting dr. O. Noordmans
Verzamelde Werken Inhoud Jaren Bijbelregister Zoeken

Verzamelde Werken, deel 5, p. 391–402

Weergave
Passages naar Readwise sturen

Kerkorde en beroep op de Schrift1

I

Omtrent het beroep op de Schrift ten opzichte van de bepalingen van Kerkorde is altijd veel te doen geweest. Professor Brouwer komt er in zijn belangrijke beschouwingen in De kerkorganisatie en wij ook telkens op terug. Hij wijst met de stukken aan dat er allerlei verschillen zijn aan te wijzen tussen de inrichting van de ambten zoals de gereformeerde kerken die thans kennen en dat wat wij in de oude kerk en de Schrift daaromtrent vinden. Daaruit blijkt zeer zeker dat een bloot-exegetische en historische beschouwing ons van de Schrift uit niet regelrecht bij Dordt behoeft te brengen.

Ik zal voor een beroep op de Schrift in de starre zin waarin dat menigmaal gebeurt hier niet een lans breken. Ik geloof ook dat wij met een concordantie en wat commentaren gewapend nog niet in staat zijn een bijbelse kerkorde in elkaar te zetten. De reformatoren hebben dat ook niet gedaan. Zij hebben in aanmerking genomen hoe de tijdsomstandigheden waren. Zoals de zaken nu staan, zegt Calvijn ergens,2 zullen we de dingen met die naam noemen en ze zo inrichten. Dat is verstandige en vrome taal.

"Er is", zo zei mij iemand die de kerkelijke wereld van heden buitengewoon goed kent, "er is wel bereidheid bij de mensen om iets nieuws te aanvaarden." En hij bedoelde daarmee dat de noden van de tijd groot genoeg zijn om niet dood te liggen om elke overgeleverde vorm.

Toch zou ik het erg jammer vinden als een beroep op de Schrift inzake kerkorde door zulke overwegingen geheel in diskrediet werd gebracht. Ik zou het niet alleen jammer vinden, maar geloof ook dat wij de kerk daarmee van haar wortel zouden afsnijden. Een beroep op de Schrift heeft zeker met exegese en historisch onderzoek te maken. Maar het gaat daarin niet geheel op. Teruggaan op de Schrift is het werk van het geloof en dat geldt niet alleen van geloofszaken in engere zin, maar ook van kerkelijke dingen. Voor het zaligmakend geloof hebben wij ook niet genoeg aan exegese en historisch onderzoek. Dan moet er ook kracht Gods tot zaligheid in het Evangelie (Rom. 1 : 16) zitten. Wij worden geen christen door van het Evangelie met historisch-kritische middelen een roman te maken, zoals Frenssen dat deed in Hilligenlei.3 Wij zijn dan op weg een heiden te worden.

Er zijn omtrent de oudste kerk ook zeer verschillende theorieën en constructies die zich buitengewoon aangenaam laten lezen, maar die ook min of meer de indruk van romans4 maken. Op zulke romans hebben Luther en Calvijn de Reformatie niet gebouwd. Op die manier zijn ze niet op de Schrift teruggegaan, toen ze voor hun kruiskerken een organisatie zochten. Hun beroep op de Schrift was niet literarisch of esthetisch; het was een werk van de nood en van het geloof. En zonder de Schrift zouden ze niet staande zijn gebleven. De kruiskerken zijn zo dicht mogelijk het kruis van Christus genaderd om bij elkaar te blijven en de eenvoud van de bijbelse voorschriften en beschrijvingen is voor hen een zwaard geweest waarmee ze pronk en praal, de hoogmoed en de tirannie van de roomse hiërarchie hebben weerstaan.

Zo'n teruggaan op de Schrift legt zich natuurlijk uiteen in een brede controverse die eeuwen in beslag neemt. Wanneer het lang duurt en heel andere tijden komen, zullen sommige van die argumenten, als ze maar steeds herhaald worden, vaak de indruk maken van dooddoeners te zijn. Ze kunnen dat ook worden. Maar men mag daarbij niet uit het oog verliezen dat het elementen zijn die tot een geheel hebben behoord en misschien nog behoren en dat ze in verband daarmee moeten beoordeeld worden.

Zo'n geheel argument is geen dooddoener. Het is de slingersteen, het argumentum ad hominem, waarmee in de geschiedenis der kerk een David een Goliath versloeg. Het is een geloofsdaad, een putten uit de Schrift door de Geest en met macht, waardoor de kerk een nieuwe toekomst tegemoetgaat. De kerken der Hervorming zijn op de Schrift gebouwd en wanneer wij nog enige samenbinding in ons geestelijk-protestants leven voelen, dan kunnen wij dat niet loslaten.

Zodra dat geloof in onze zaak ons gaat ontbreken, als we niet meer geloven dat het Gods zaak is, dan komt de traditie, zoals Rome die belijdt, als een ijzeren noodlotsmacht over ons. Het is niet toevallig dat Newman5 thans zo en vogue is. Het is geen kleinigheid als deze atleet des geestes op u aankomt. Wie de dissertatie van Van de Pol6 gelezen heeft, gaat rondom zich kijken of er niet ergens hulp bereid ligt tegen deze inderdaad dreigende, opdringende macht. ik geloof dat het enig verweer hierin ligt dat wij ook voor de kerkorde ons beroep op de Schrift vasthouden en volhouden.7 Wanneer wij het zelf niet doen, zal Rome het gaan doen. Rome zal de bijbel gaan waarderen als wij er mee klaar zijn. Het doet dit reeds, zoals het ook onze psalmen en gezangen voor de gemeente gaat aanprijzen. Rome, praktisch als altijd, weet dat het episcopaat in de storm der wereldgebeurtenissen althans tijdelijk kan weggevaagd worden. Dan houdt de protestantse gemeente haar bijbel nog. Rome erkent nu dat dit een foutief voordeel is. De traditie is een draad die breken kan. De Schrift is een fundament waarop men altijd weer bouwen kan.8

II1

Prof. Brouwer is in het vorige nummer ingegaan op mijn beschouwing onder bovenstaande titel.2 Hij legt er nadruk op dat wij het er over eens zijn dat de afleiding uit de Schrift meer indirect dan direct is en dat het dan toch wel een zuiver praktische vraag wordt boe men de organisatie uitwerkt.

Nu geef ik dat indirecte graag toe, maar dat de vraag daarmee zuiver praktisch wordt, meen ik te moeten betwisten. Onder 'indirect' versta ik hier dat het geen zaak is van letterkundige uitlegging alleen. Er komt Geest en geloof bij te pas; de nood is opgelegd. Daarom zou men het ook kunnen omkeren en zeggen dat dit juist de directe, regelrechte toepassing van de Schrift is, waarmee God beslag op ons legt zodat wij zeggen: ik kan niet anders. - Maar zulke vragen noem ik niet zuiver praktisch. Dit laatste betekent voor mij veeleer dat men vele kanten uit kan; dat God het bij wijze van spreken verder aan ons overlaat; dat de toepassing van de Schrift in verschillende richtingen kan plaatshebben en dat we een keus mogen doen uit een aantal mogelijke uitleggingen zonder dat een hogere noodzaak ons bindt.

Dat het zo niet stond bij de eerste gereformeerden, daarover zullen wij het wel weer helemaal eens zijn. Deze hebben hun kerkorde geschreven met dezelfde zekerheid waarmee ze hun geloofsbelijdenissen opstelden.

Terecht zegt Lechler3 van de eerste synode: "In hun beraadslagingen ligt een zedelijke eenvoud en grootheid die aangrijpend zijn, een rustige waardigheid, een vreedzame en besliste kracht alsof haar leden handelden in volle vrede, onder de bescherming van de wet, terwijl ze toch een bijna zekere dood trotseerden." Ze maken de indruk alsof ze een aantal bijbelse axioma's opschrijven. Zoals er boven de Tien geboden staat dat God Israël uit Egypteland uitgeleid heeft, zo staat boven deze kerkorden: geen kerk zal over een kerk, geen dienaar des Woords, geen ouderling noch diaken, zal de een over de ander heerschappij voeren."4 Niet meer naar Egypte terug.

Pragmatisme, zuivere zakelijkheid in menselijke zin, is hier niet aanwezig. De Schrift is hier van éne uitlegging en de synoden zijn van énerlei spraak. De vraag is nu hoe ze tot die strikte bijbelse eenvoud zijn gekomen en of de zaak voor ons nog zo eenvoudig is gebleven. Want prof. Brouwer heeft gelijk als hij er op wijst dat Calvijn tussen de bijbelse ambten moest kiezen en dat wij anders zouden kunnen kiezen. Waarom geen apostelen meer en geen profeten en waar hebben wij de leraren of doctoren gelaten? Blijkt daaruit niet dat de kerkorde voor het grootste deel aan ons eigen believen is overgelaten of dat we, althans na goede exegese, mogen nemen wat ons past? ⚑Wij komen uit zulke vragen niet uit als we de mystieke achtergrond van kerkorde en kerkher-vorming niet laten gelden.

De Schriftuitlegging van Calvijn heeft een wereldhistorische maat.

Ze is van andere orde dan die welke bij Sohm5 of Lietzmann6 te vinden is. De exegese van Calvijn heeft het gedaan, meer dan drie eeuwen lang. Zij heeft een scheppende kracht geoefend en aan het leven in West-Europa zijn vorm gegeven. Had Calvijn het profetisch ambt gekozen, dan was hij wederdoper geworden. Toen hij de presbyter naar voren bracht, was daarmede kerkorde gegeven. Luther bracht geen kerkorde; de dopersen geen kerkorde. De instelling van het presbyterie, de regering van de ouderling bij de gereformeerden, betekende dat ook de protestanten een kerkorde konden hebben. Anders hadden ze er geen gehad. En daarom draagt deze inrichting met het volste recht haar naam naar de presbyter.

Hiervoor zou ik zeer bijzonder de aandacht van prof. Brouwer willen vragen. De commentaren van Calvijn hebben tweeërlei betekenis. Een wetenschappelijke; en dan mag men ze vergelijken met die van andere vakgeleerden van alle tijden. De reformator zal het dan op sommige punten wel moeten afleggen tegen Harnack7 of Lightfoot.8⚑ Ook tegen Newman9 en Batiffol.10 Maar de wereldhistorische waarde van zijn bijbelverklaring is een andere. En dan is hij minder gemakkelijk te weerleggen, want daarin legt de bijbel zich zelf uit en heeft God zelf de hand in het spel.

Mijn bezwaar tegen het boekje van prof. Brouwer is dat hij daarmee te weinig rekening houdt en de dingen te zeer op het literair-historisch vlak zet. Op dat terrein zijn inderdaad mooie vondsten gedaan. En de wijze waarop de schrijver de lezer daarmee in kennis brengt, in zo kort bestek, durf ik gerust meesterlijk te noemen.

Maar ik heb bezwaar tegen het 'en wij', dat hij in de titel opneemt. Want deze vondsten van vakgeleerden hebben geen directe gevolgen, misschien helemaal geen gevolgen voor de toekomst der kerk. Althans vergelijkenderwijs hebben ze dat niet. Vergeleken met een paar plaatsen in de Institutie en de commentaren van Calvijn, hebben hele bibliotheken vol historische studies nauwelijks invloed. Men moet aan Newman denken om weer iets te vinden dat daartegenover gewicht in de schaal legt. Maar dan zal de argumentatie dadelijk algemener, geestelijken, meer gespannen worden en we weten dan dadelijk dat het geen strijd is tussen teksten alleen, maar tussen geesten.

Ik heb in dit artikel geen ruimte om prof. Brouwer op alle punten die hij aanroert te volgen, ofschoon ik het graag wil doen. Maar één ding zou ik hier toch als voorbeeld van verschillende zienswijze nog willen noemen. Het kan dienen als illustratie van wat ik bedoel. Ik bedoel het ambt der doctoren. Gebruik makende van de formule voor het wereldhistorische, zoals Calvijn die gebruikt en die ik naar voren bracht in mijn vorig artikel, zou prof. Brouwer de kerkelijke professoren van nu als het vierde ambt willen zien. NI. 'zoals de zaken nu staan', want dat was de bedoelde formule.

Nu is voor mij dat wereldhistorische in de uitlegging der Schrift voor het creëren van een kerkelijk ambt een besliste vereiste. Men heeft veel getwist over de betekenis van het woord 'ambt'. Velen hebben gemeend dat er niet meer mee bedoeld werd dan een werk, een opdracht. Maar kerkelijk is er toch meer mee bedoeld. Het moet een vorm zijn die staan kan, liefst eeuwen. Wanneer men het niet zo lichamelijk uit de Schrift kan afleiden, dan moet men het liever een andere naam geven. Alles wat met de bijbel in verband gebracht kan worden is nog geen ambt. Wereldhistorische vormen zijn er niet zo heel veel.

Welnu, daar komt prof. Brouwer met de voorslag om de vijf à zes kerkelijke hoogleraren, zoals de zaken nu staan, als het vierde gereformeerde ambt te beschouwen. Hier kan ik niet goed meekomen. Gelukkig is het een stokpaardje van de schrijver en niet zijn eigenlijke rijpaard, zodat het niet erg is als we hier verschillen.

De kerkelijke hoogleraren zijn toevallige verschijningen; niet als professoren maar wel als kerkelijke professoren. Zij zijn geboren ten gevolge van een encyclopedische vergissing in 1876, toen de wetgever de theologie als academisch leervak verminkte.11 Die vergissing behoort zeer zeker tot de wereldhistorie, althans tot de vaderlandse kerkgeschiedenis. Maar daarmede heeft de figuur van het kerkelijk hoogleraarschap nog geen wereldhistorische betekenis gekregen. Dat 'zoals de zaken nu staan'12 mag niet 'zuiver praktisch' worden opgevat. Er moet een hogere noodzaak achter schuilen. Een ambt is een kerkelijke vorm, uit de bijbel afgeleid, waarin iets van de macht der schepping ligt. Toen Calvijn op het bord de pion van de ouderling trok, zette hij daarmee de paus schaakmat.13 Ik kan niet zien dat de voorslag van prof. Brouwer aan zulke voorwaarden voldoet. Waarom nu juist deze half buiten de theologische faculteit verdwaalde en door die omstandigheid in de kerk hospiterende functionarissen de aangewezenen zouden zijn voor een reïncarnatie van de oud-christelijke leraar of de calvinistische doctor wil mij niet duidelijk worden. En nog minder dat zij ten opzichte van de tucht een speciale roeping zouden hebben.

Het vierde ambt is in de christenheid en ook in het calvinisme zwevend gebleven. Het stelt voor: een spanning tussen belijdenis en theologie. Mystisch14 heeft de kerk de oplossing als zij de predikant 'herder en leraar' noemt. Maar een lichamelijke openbaring van het vierde ambt in de gereformeerde kerk zie ik nog niet komen! Daarvoor zijn de spanningen tussen kerk en school vooralsnog te groot.

III1

Prof. Brouwer is er met de beantwoording van mijn vorig artikel wat vlug2 bij geweest. Hij gaf, daartoe in de gelegenheid gesteld, een naschrift. Hij vroeg waarom ik niets zei over zending, over kerkvisitatoren en over de vrouw? Die waren door hem in het meinummer ook genoemd.

Nu staat het antwoord op die vraag reeds duidelijk in mijn vorig artikel. Ik schreef daar dat ik in dat artikel geen ruimte had om al die punten te behandelen, maar dat ik het graag wou doen. Waar het over ambten ging, drong de doctor zich het eerst naar voren omdat deze vanouds onder de ambten voorkomt.3 Wanneer hier een oplossing zal komen moet het hele vraagstuk van kerk en school er in betrokken worden. ⚑Ik ga hier dus eerst door met de beschouwingen in mijn vorig artikel, om dan in een afzonderlijk stuk de vraag onder de ogen te zien, die prof. B. in zijn naschrift opwerpt, of niet iedere kerkelijke denominatie op dezelfde wijze als ik het deed voor de gereformeerden haar ambtelijke inrichting uit de Schrift zou kunnen afleiden en of daarmee de zaak dan niet tot een zuiver-praktische aangelegenheid herleid is. Daarover dus nader. Hier kom ik nu op de punten die ik in mijn vorig artikel nog liet rusten. En dan moet ik beginnen met er op aan te dringen dat men hier scherp moet onderscheiden. Ik had er op de predikantenvergadering4 op gewezen dat de kerk bij Calvijn vier 'departementen'5 heeft; dat ze viermaal op het leven beslag legt. En nu komt prof. Brouwer met nog drie verdere departementen die hij voor onze tijd wil zien ingesteld: zending, visitatie en arbeid der vrouw. Hier staan de zaken heel anders dan bij de doctor. De gereformeerde kerk heeft hier geen uit de Schrift afgeleid afzonderlijk ambt, maar zij heeft wel, althans voor zending en diaconessenwerk, een zich steeds uitbreidend arbeidsveld, een dienst. De kwestie is dus hoe we ons de verhouding tussen die beide hebben te denken of, wanneer en onder welke voorwaarden een dienst tot een ambt kan worden.

Daarmee raken we een zeer wezenlijk punt in de kerkorde, dat in deze discussie duidelijk moet uitkomen. Het ambt bezit altijd enige kenmerken die uit de dienst alleen niet verklaard kunnen worden. Was dat niet het geval, dan zou de instelling van ambten inderdaad een zuiver-praktische aangelegenheid zijn waartoe iedere kerk kon overgaan als het haar gelegen kwam. En een andere kerk kon dat dan weer op een andere manier doen. Zo stelt prof. Brouwer het zich dan ook voor. De schriftuurlijke afleiding komt dan neer op het zoeken naar een letter.

Maar dat het zo niet kan zijn, leert ons al reeds de oecumenische gedachte en de oecumenische praktijk. Bij de discussie over de ambten in het debat rondom de reorganisatie kwam herhaaldelijk uit dat de verschillende kerken niet onverschillig zijn omtrent de opvatting der ambten bij haar zusterkerken. Er speelt hier mystiek onder: De Una Sancta spreekt mee; het begin en het einde laten zich gelden; het oer-christendom en de kerk van het einde, de hemelse kerk. Er is een structuur van het lichaam van Christus die in de Schrift mystisch gegeven is en die het laatste woord spreekt in het wereldhistorisch debat.6 Zo nuchter als prof. Brouwer het voorstelt liggen de dingen van de kerk toch wel niet.

Heel duidelijk komt dit uit bij de ouderling. Het ambt gaat bij hem niet restloos op in de dienst die de gereformeerde kerk hem heeft toebedacht. Er blijven mystieke trekken over die hun verklaring alleen vinden in de Schrift en in de geschiedenis der oude kerk. In het algemeen in de structuur van de Una Sancta.

Letten we nu op de drie diensten die prof. Brouwer tot ambten zou willen maken. Ik begin met de visitatie omdat dat het bescheidenste werk is. Zending en diaconessenarbeid hebben wijder aspect.

Welnu, prof. Brouwer behoeft zich tegenover mij zeker niet in een houding van verweer te stellen als het over de visitatie als dienst gaat. Reeds in het Algemeen Weekblad van 3 januari 19307 ben ik naar aanleiding van het toen aanhangig-zijnde reorganisatievoorstel van prof. Haitjema c.s. opgekomen voor een meer bemiddelende regeling van de kerkelijke tucht. In mijn brochure Beginselen van kerkorde van 1932 heb ik toen een lans gebroken voor een meer episcopale behandeling van de kerkelijke tuchtprocedure8 waarin dan de persoonlijke deelname tot uiting zou kunnen komen. En van toen af tot nu toe heb ik in verschillende commissies onafgebroken meegewerkt om dergelijke denkbeelden in artikelen te belichamen. Daarover gaat het dus allerminst. Waarover dan wel? - Prof. Brouwer brengt deze dingen naar voren om daarmee te kennen te ge ven dat er ten opzichte van de kerkelijke ambten geen numerus clausus bestaat. Hij wil er mee zeggen dat zo'n nieuw departement een nieuwe, indirecte afleiding uit de bijbel meebrengt en dus op een lijn staat met de anderen. Dat het een zuiver praktische aangelegenheid is.

Tegen deze voorstelling heb ik bezwaar. Bij de beschouwing van het werk van de kerkvisitator moet men wel degelijk rekenen met het verschil tussen ambt en dienst. Gaf men het de rang van ambt, dan kreeg het de mystiek der kerk om zich heen en zou men het op de duur van het episcopaat niet kunnen onderscheiden. De hiërarchie deed dan haar intrede. Dat dit niet enkel een kwestie van woorden is, weet prof. Brouwer even goed als ik. Het is bij de discussies in Kerkopbouw voldoende gebleken.9 Zuiver praktisch laten zulke zaken zich niet behandelen. Wie uit overdreven begeerte om gewoon en nuchter te zijn de laatste resten van mystiek uit de dingen gaat verdrijven, berooft ze van hun kracht.

Kerkelijke actie heeft minstens evenveel met mystische instincten te doen als met zakelijke overwegingen. Met intellectuele zakenmensen laat zich geen gemeentelijke beweging voeren. Men heeft toch het volk nodig en dat laat zich op dit gebied niets wijsmaken.

Ik moet dus mijn bezwaren tegen de m.i. veel te rationele behandelingswijze van prof. Brouwer handhaven. Ik geloof niet dat men de reeks der ambten naar willekeur verlengen kan door het inschakelen van een dienst, ook al is deze nog zo nuttig. De differentiatie van de kerkelijke ambten is aan heel bijzondere voorwaarden gebonden en daarmee moeten wij rekening houden. Wie de kerkvisitatie in volle zin ambtelijk maakt, moet er rekening mee houden dat hij de bisschop heeft ingehaald.

IV1

Prof. Brouwer heeft in het vorig nummer2 onze discussie over bovenstaand onderwerp voortgezet. Ik heb bij lezing van zijn artikel de indruk gekregen dat hij aan mijn argumenten niet volkomen recht laat wedervaren, maar er min of meer langsheen gaat. Ik bedoel niet dat hij dit opzettelijk gedaan zou hebben. Het is een kwestie van 'Einstellung', die het hem moeilijk maakt een opvatting te laten gelden die samenhangt met een gezichtspunt dat heel anders ligt dan het zijne. Soms lijkt het alsof hij zelfs moeite heeft dat andere helemaal in ernst te nemen.

Zo had ik in mijn vorig artikel een onderscheiding gemaakt tussen de wetenschappelijke en de wereldhistorische waarde van Calvijns exegese. Daarin had ik de portee van mijn artikel op formule gebracht. En op die hoofdgedachte van mijn stuk is mijn geachte bestrijder - ik durf wel zeggen - met geen enkel woord ingegaan. Hij gaat er telkens langs, maar nooit er op in. Zo komt het dat hij steeds conclusies uit mijn beweringen trekt die ik absoluut niet kan onderschrijven. Ik wil er enkele aanwijzen. Zo leidt prof . Brouwer uit het feit dat ik zijn onderzoek naar de Kerkorganisatie der eerste Eeuw prijs als zeer knap werk, maar bezwaar maak tegen zijn toepassingen die hij in de titel samenvat met het en wij - ik zeg daaruit leidt hij af dat ik zou toegeven dat wij onze eigen weg volgen, afgezien van de eerste eeuw. Ik bedoelde echter juist het omgekeerde. Wat mijn bestrijder mij hier toeschrijft is een conclusie uit zijn eigen premissen en niet uit de mijne. Ik beweerde dat er een wereldhistorische exegese van de bijbelse gegevens bestaat en dat de ontbinding daarvan andere eisen stelt dan vlijtig onderzoek van historische bronnen en vaardig gebruik van commentaren. Wie zulk een exegese in grote stijl als die van Calvijn wil ontbinden moet de macht hebben haar te vervullen.

Prof. Brouwer noemt dat in zijn artikel: dogmatische bezwaren. Goed, laat men ze zo noemen als men wil. Maar deze dogmatiek inzake de kerk is geen liefhebberij van de reformatoren geweest. Ze heeft haar wortelen in de Schrift, zoals de hele dogmatiek. En als prof. Brouwer uit dat dogmatische afleidt dat dit dus niet schriftuurlijk is, dan zit daar weer een opvatting van de verhouding van Schrift en dogmatiek achter, die niet van mij maar van hem zelf is.

Precies zo staat het, als hij de 'mystische instincten' waarover ik sprak gelijkstelt met de 'historische argumenten', door hem genoemd. De mystische overwegingen waarop ik het oog had zijn iets heel anders dan historische argumenten. Ze hebben iets in zich van wat Jezus zegt: 'Van de ouden is gezegd - maar ik zeg u'. Harnack gebruikt historische argumenten; Batiffol weer andere.3 Hier gaat prof. Brouwer weer, voor zover ik het zie, met geen enkel woord in op een hoofdgedachte van mijn stuk. Ik heb duidelijk gezegd wat ik met die mystiek bedoel toen ik schreef dat de Una Sancta hier meespreekt, het begin en het einde, het oer-christendom en de hemelse kerk. Ik begrijp niet hoe Brouwer een exegese onder zulke invloeden kan verwarren met historische argumenten. Over de hele lijn komt hij uit zijn eigen gedachtengang te weinig uit om werkelijk contact te krijgen met wat ik schreef .

Iemand als Newman verstond deze dingen wel. In zijn Essay on the Development of Christian Doctrine4 zegt hij dat de methode waarmee de protestanten hun kerkorde uit de Schrift afleiden even subtiel is als die van de roomsen en dat ze handelen op grond van leerstellingen die even weinig uitgesproken zijn en van redenen die in vroeger tijden even weinig geanalyseerd zijn als dat bij hun tegenstanders het geval is. En wat Newman daarmee bedoelt zegt hij op dezelfde bladzij heel duidelijk: "Deze leerstellingen en gebruiken, ze mogen dan waar en goed zijn of niet, zijn zeer zeker gewonnen, niet door een bloot exegetiseren en argumenteren op woorden en zinnen die men zwart op wit voor ogen heeft, maar door de onbewuste groei van ideeën die hun vaste plaats hebben in de geest."a

Newman had vroeger, toen hij nog meer voor de protestanten voelde, daarover in warmere bewoordingen geschreven.5 Maar in zijn laatste hoofdwerk, zijn Grammar of Assent, toen hij heel anders over hen dacht, heeft hij die passage toch weer afgeschreven om zijn religieuze kennisleer te verduidelijken. "Het komt er niet op aan" schreef hij dan, "of (de eerste protestanten) al of niet slechts bij toeval tot een juiste conclusie kwamen op premissen die uit een oogpunt van logica vals waren. Zij hadden geen tijd voor theorieën van welke aard ook; en die uit hun handen te verlangen verraadt onkunde omtrent de menselijke natuur en omtrent de manier waarop in een mensenleven waarheid gesmeed wordt. Gezond verstand, toeval, morele waarneming, genie, de grote ontdekkers van beginselen, redeneren geen van alle. Zij hebben geen argumenten, geen gronden; zij zien de waarheid maar zij weten niet hoe ze die zien; en als ze die ooit zoeken te bewijzen, is dat voor hen niet meer proefondervindelijk dan wanneer ze een weg moesten zoeken naar een verre berg die ze met de ogen zien; en waarbij ze verstrikt, verwond en misschien ondersteboven raken bij de bovenmatige inspanning ... Het volksgeweten in de zestiende eeuw zag waarschijnlijk de bijbel als het Woord Gods zoals niets anders zijn Woord is; en dat door de macht van een sterk besef, een soort moreel instinct of door een gelukkig vermoeden."b

Prof. Brouwer en de verdere lezers mogen mij dit lange citaat vergeven. Het bewijst dat deze kardinaal het wereldhistorische in de exegese van Luther en Calvijn wel verstond. Wanneer hij ze beschrijft als een gevolgtrekkend besef (illative sense), - volgens de latere kardinaal ook valse gevolgtrekking - dan eert die kardinaal ze toch ook nog door ze in rang gelijk te stellen met die van zijn kerk. Ook wanneer men van mening is dat er groot verschil is tussen Newmans 'illative sense' en de religieuze kenleer der reformatoren, dan zal men daarvan toch gaarne akte nemen.

Intussen blijft dan wederzijds de overtuiging dat de één een ware, de ander een valse gevolgtrekking maakte. Op dit niveau van kerkelijk en dogmatisch besef is er geen plaats voor de mening dat de afleidingen uit de bijbel allebei juist zouden zijn. Dat kan misschien op het historisch-kritische plan, maar hier niet meer.

Voetnoten

  1. a

    2e dr., p. 97.↩

  2. b

    Grammar of Assent, 8e dr., p. 380.↩

Eindnoten

  1. 1

    KO. 5 (april 1937) nr. 12. Eerste van vier artikelen over dit onderwerp. De discussie was op gang gebracht door A. M. Brouwer, die in zijn De kerkorganisatie der eerste eeuw en wij, Baarn z,j, (1937), had betoogd dat men voor argumenten met betrekking tot ordening der kerk niet op de Schrift kan teruggaan. De discussie liep verder als volgt: KO. 5 (april 1937) nr. 12, N.: Kerkorde en beroep op de Heilige Schrift l; 6 (mei 1937) nr. 1, B.: Kerkorde en beroep op de Heilige Schrift l; 6 (juni 1937) nr. 2, N.: Kerkorde en beroep op de Heilige Schrift 2; B.: Naschrift bij N. Kerkorde etc. 2; 6 (julilaug. 1937) nrs. 3/4, N.: Kerkorde etc. 3; 6 (september 1937) nr. 5, B.: Kerkorde etc. 2; B.: De kerk en de hoogleraren; B.: Diensten ambt; 6 (oktober 1937) nr. 6, N.: Gewijzigde leertucht; N.: Het vierde ambt in de Hervormde Kerk; B.: Naschrift bij N. Het vierde ambt etc.; N.: Kerkorde etc. 4; B.: Naschrift bij N. Kerkorde etc. 4; 6 (november 1937) nr. 7, N.: Ambt en dienst. Vgl. voor deze discussie A. J. Bronkhorst, Schrift en kerkorde, Den Haag 1947, diss. Utrecht, p. 151 vv. (het debat Noordmans-Brouwer). Vgl. ook J. Koopmans, De bedoeling van KO., KO. 6 (juni 1937) nr. 1 (De la Saussaye en Gunning staan beiden achter KO., maar De la S. wordt afgelost in de geschiedenis door G.).↩

  2. 2

    Zie n. 55.79.↩

  3. 3

    Zie VW., dl. 2, p. 321 n. 21.↩

  4. 4

    N. neemt hier waarschijnlijk een beoordeling van de conceptie van Rudolf Sohm door Pierre Batiffol over. Zie n. 55.53.↩

  5. 5

    Zie n. 561.9; 61.7.↩

  6. 6

    W. H. van de Pol, De Kerk in het leven en denken van Newman, diss. Utrecht, Nijkerk 1936.↩

  7. 7

    Vgl. J. Koopmans, Het beroep op de Schrift, Woord en Wereld, jg. 1939, p. 25 vv.↩

  8. 8

    In het vierde deel van Gestalte en Geest, Paulus komt en Petrus gaat, Hervormde overpeinzingen (zie VW., dl. 8, p. 449 vv.) gaat N. nader in op de kwestie van het schriftbewijs voor kerkorde. Hij reageert daarmee op een artikel van dr. H. van der Linde in Woord en Dienst van 20.9.1952 over de hervormd-katholieke mortaliteit. In dat artikel zocht Van der Linde eerherstel voor Brouwer met een beroep op een groeiende consensus in de nieuwtestamentische exegese voor de roomse bisschop. De nieuwe serie artikelen is meer dan een voortzetting van de discussie met Brouwer, waarop zij steunt. Zij poogt de draagwijdte van de 'wereldhistorische exegese' van toepassing te maken voor de progressie van een sobere, paulinische kerk, gestuwd door de concentratie van de 'religie des Geestes'. - H. van der Linde (geb. 1915), oecumenisch theoloog, hervormd predikant te Beek-Ubbergen en Middelburg, schreef o.m. Rome en de Una Sancia, Nijkerk 1947, werd in 1960 r.-k., daarna hoogleraar te Nijmegen (1965-1982).↩

  9. 1

    KO, 6 (juni 1937) nr. 2.↩

  10. 2

    Zie n. 561.1.↩

  11. 3

    op 26.5.1559 kwamen afgevaardigden van de talrijke in Frankrijk geïnstitueerde gemeenten bijeen (in 1561 waren er reeds 2150) voor de eerste nationale synode te Parijs. Een geloofsbelijdenis en een kerkorde werden aangenomen en afgekondigd. Vgl. G. V. Lechler, Geschichte der presbyterialen und sandalen Kirchenverfassung seit der Reformation, Leiden 1854, p. 70.↩

  12. 4

    Zie n. 60.5.↩

  13. 5

    R. Sohm ( 1841-1917), jurist en historicus van het recht. Kent alleen de onzichtbare kerk; een zichtbare kerk bestaat niet; een zichtbare kerk is wereld; de kerk van God is vrij van elk recht. "Das Wesen des Kirchenrechts steht mit dem Wesen der Kirche im Widerspruch." Kirchenrecht 1, Leipzig 1982, p. 700.↩

  14. 6

    H. Lietzmann (1875-1942), hoogleraar N.T. o.a. te Berlijn en te Leiden, kenner oudchristelijke geschiedenis en letterkunde; schreef o.a. Messe und Herrenmahl, Bonn 1926 (19553). Zie ook n. 55.46.↩

  15. 7

    A. von Harnack (1851-1930), hoogleraar dogmengeschiedenis o.a. te Leipzig en te Berlijn (1888). Voor zijn discussie met Sohm zie n. 55.50; vgl. DG., p. 338 vv.↩

  16. 8

    R. H. Lightfoot (1883-1953), nieuwtestamenticus te Oxford, schreef o.a. History and Interpretation in the Gospels, Londen 1 93 5, werkte (kritisch) volgens de vormgeschiedkundige school.↩

  17. 9

    J. H. Newman (1801-1890), 1828 vicar St. Mary te Oxford, anglo-katholiek; 1845 overgang R.-K. kerk, 1847 tot priester gewijd, 1879 kardinaal. Zie ook VW., dl. 8.↩

  18. 10

    P. Batiffol (1861-1929), r.-k. kerkhistoricus op zoek naar de historische identiteit van christendom en rooms-katholicisme. Zie n. 55.37.↩

  19. 11

    Dwz. er in feite een faculteit van godsdienstwetenschap van maakte, ook al werd de naam 'Godgeleerdheid' behouden. Zie voor het ontstaan van de zgn. duplex orde: B. J. L. de Geer van Jutphaas, De wet op het hoger onderwijs, uit de stukken en de gehouden beraadslagingen toegelicht, Utrecht 1877; Honderd jaar 'Uit Egypte', Leidse opstellen over de scheiding van kerk en staat aan de openbare theologischefaculteit, bijeengebracht door P. A. H. de Boer en P. Sj. van Koningsveld, Leiden 1979.↩

  20. 12

    Zie n. 55.79.↩

  21. 13

    Zie VW., dl. 8, p. 434.↩

  22. 14

    Dwz. met diepe theologische samenhangen in de openbaring; daarom niet zuiver pragmatisch of rationeel te verstaan. Zie onder meer n. 15.20; voorts nr. 56III, 61 en 63.↩

  23. 1

    KO. 6 (juli/augustus 1937) nr. 3/4. In dit artikel concentreert N. zich op de kwestie ambt en dienst. Hij komt hierop terug in dit tijdschrift november 1937.↩

  24. 2

    De hitte van de strijd neemt kennelijk toe blijkens Brouwers snelle Naschrift op N.' tweede artikel uit de serie in het juninummer, evenals het aantal van drie artikelen dat B. plaatste ten antwoord op dit art. 3 in het septembernummer, te weten Kerkorde en beroep op de Schrift, De kerk en de hoogleraren en Diensten ambt (n.b. omkering van de volgorde van N.). Zie ook de drie artikelen van N. ten antwoord hier weer op in het oktobernummer, te weten Kerkorde en beroep op de Schrift 4, Het vierde ambt in de Hervormde Kerk en Gewijzigde leertucht (nr. 56I, II, III, IV, 58, 57). Zie n. 561.1.↩

  25. 3

    Zie n. 58.8.↩

  26. 4

    Zie de lezing over Kerkorde (nr. 55).↩

  27. 5

    Zie n. 55.102.↩

  28. 6

    Zie voor deze passage VW., dl. 8, p. 434.↩

  29. 7

    Te weten in Het eschatologisch karakter van de kerkelijke tucht (nr. 14).↩

  30. 8

    Zie nr. 30, p. 173.↩

  31. 9

    N. noch Br. wijden de bisschop als centraal ambt. Er waren er in KO., die dat juist wilden.

    Tot hen behoorden W. H. van de Pol (Kerk, ambt, liturgie, KO. 5 (maart 1937) nr. 11); G. van der Leeuw (Het Reorganisatie-akkoord en de episcopale gedachte, KO. 5 (februari 1937) nr. 10); W. Th. Boissevain (vgl. Evangelische katholiciteit, diss. Amsterdam, Leiden 1929, stelling 14: "Het episcopale kerksysteem verdient de voorkeur boven het presbyteriale...")↩

  32. 1

    KO. 6 (oktober 1937) nr. 6.↩

  33. 2

    In het vorige nummer te weten van september reageerde A. M. B. met drie artikelen (zie n. 561.1); later nog met Waarom bij kerkelijke vraagstukken een beroep op de bijbel niets kan betekenen (KO. 6 (februari 1938) nr. 10).↩

  34. 3

    Voor Harnack zie n. 56II.7. Voor Batiffol zie n. 56II. 10; 55.37; 55.53. Voor de schriftuurlijke associaties vgl. de perikoop Mt. 5 : 17 vv.↩

  35. 4

    J. H. Newman, An Essay on the Development of Christian Doctrine, Londen 18451, 18782.

    " ... een tot in het oneindige gedifferentieerde en geschaduwde theorie om zich rekenschap te geven van de stilzwijgende lessen der historie en van de werkelijkheid der kerk, die daarachter school." Aldus N. in het in noot 5 genoemde artikel p. 191.↩

  36. 5

    Zie An Essay in Aid of a Grammar of Assent, ed. Longmans, Londen 19068, p. 380. De Reformatie heeft de bijbel als Gods Woord aangenomen 'by an act of the illative sense'. Hij corrigeert dan weer de Reformatie door er aan toe te voegen 'the illative sense, acting on mistaken elements of thought'. Vgl. dr. C. J. de Vogel, Newman's gedachte over de rechtvaardiging, Wageningen 1939, p. 423 noot 1. Zie VW., dl. 8, p. 475 noot 111. - In zijn studie Newman en de geschiedenis in de bundel voor W. J. Aalders, bij zijn aftreden als hoogleraar hem aangeboden, getiteld Geschiedenis, een bundel studies over de zin der geschiedenis, Assen 1944, p. 184-199, geeft N. een typering van beide essays van Newman in hun onderlinge samenhang en completering. De theorie der ervaring in de Grammar of Assent en de hypothese voor de geschiedenis in de Essay on the Development lichten elkaar toe, in het voetspoor van de analogieleer van de Anglicaan Butler en van de rooms-katholieke natuurlijke theologie, maar in een geheel eigen wending, gericht op de aansluiting bij de oude kerk en de Heilige Schrift. Voor Butler, zie VW., dl. 3, p. 291.↩

Verantwoording

Deze pagina is automatisch opgebouwd uit de OCR-tekst van het boek. Paginagrenzen zijn hersteld, afgebroken woorden samengevoegd en voet- en eindnoten aan hun verwijzing gekoppeld. Zet onder Weergave de correcties aan om de verbeterde OCR-fouten en de onzekere plaatsen (⚑) in de tekst te zien. De tekst is niet met het gedrukte boek vergeleken.

← KerkordeDeel 5Gewijzigde leertucht →