969. O. Noordmans aan M.N.W. Smit1
Lunteren, 10 september 1955
Waarde collega Smit,
Er zijn twee redenen, waarom ik je ga schrijven. 1. Ligt daar nog je brief van 15 mei jl.2 naar aanleiding van de verschijning van mijn Gestalte en Geest en van een gesprek dat je had met mijn dochter te Utrecht op de oecumenische conferentie.3 Excuseer het lange wachten met 1. Ik lig een beetje als een soldaat op het slagveld; tot weinig in staat. 2. wekte iets in mij, dat niet wachten wou of kon. Laat ik aanknopen bij de drukfout in kolom 2, midden. Daar is ‘niet’ weggevallen.4 En bij de opmerking iets verder: moeten we wachten, tot we ’t eens zijn?5 Inderdaad de ‘gemeenschap zoeken’, ook zonder ’t eens te zijn. Daarom mag je naar die bijeenkomst van 16 september6 eerstkomende uitzien en er over spreken en schrijven, nog veel moediger en vaster dan je ’t nu in je stukje gedaan hebt. Je bent, in overeenstemming met je karakter en wijze van uiting, sober gebleven. Dat heeft ook iets zeer aantrekkelijks. Maar om door te breken in het geestelijk huis van onze naaste, is een kleine dronkenheid van node. De dronkenheid is ook een heel klein beetje lichamelijk. De zolen moeten iets minder vast op de aarde drukken en de schedel mag zich iets lichter gevoelen. Als bedlegerige voel ik deze dingen misschien iets gemakkelijker aan dan een man op volle kracht, midden in zijn werk. Maar zij zijn mij toch vroeger niet geheel vreemd gebleven. Toen mijn oudste zoon zijn noodlottig einde vond, in 1944, werd mijn bestaan ‘de fond au comble’ omgewoeld. Daardoor vielen de grenzen, die mij gewoonlijk van anderen op een sobere afstand hielden, tijdelijk weg. Ik kon bij mijn naaste binnengaan met macht, aangedaan met een zekere onweerstaanbaarheid. Hij had ook niet meer zijn gewone verweer. Het ‘ja en neen’ gesprek was uit. Wij behoefden het niet eens te worden. Waarheid is geen korreltje zout op een weegschaaltje. Waarheid, dat zijn stemmen van patriarchen en profeten; van priesters en koningen; van apostelen en martelaren; van aartsengelen en cherubijnen. Waarheid, dat is het geluid van trompetten en bazuinen. Deze waarheid kan men niet in zich opnemen, zonder een beetje liefde in liefde dronken te zijn. In die periode, waarover ik boven sprak en waarin ik een beetje moedig werd, ging ik ook binnen in een gezin en trad er op met een zeker gezag. Tien jaar later, nog niet lang geleden, hoorde ik van een der kinderen, dat dit voor hen allen tot zegen was geweest. Een misstand was er door weggenomen; een misstand, die ik niet goed kende. Het viel mij op, toen ik je brief van 15 mei nog een overlas, dat je ook onder de indruk van deze dingen bent. Je schrijft over een grote ‘openheid’ en over de begeerte der engelen om in te zien.7 Wij kunnen het gemeentewerk ook niet doen, naar binnen, zonder iets van deze dronkenheid. Pinksteren is nooit zonder gedruis. En wij, als Paulinische christenen, behoren een luider eredienst te hebben, dan die de mis vieren. Augustinus zou zeggen, luid naar de geestelijke mens. Ik las ook in je brief, dat jij en je vrouw je werk met blijdschap doet en ik heb mij daarover verblijd. Aardig, dat je nog eens contact kreeg met Makkum. Troelstra8 bracht zijn vacantie door in Gaastmeer. Hij preekte er ook eens, haalde mij aan met m’n naam en zei, dat die dominee vroeger in Idsegahuizum en Piaam gestaan had . De volgende dag kwam een boer hem opzoeken. Dat hij vroeger bij mij op catechisatie geweest was. Ik kreeg de groeten. Zulke dingen zijn aardig. Troelstra zocht mij verleden jaar op in ’t ziekenhuis te Wageningen. Later hielp hij mij bij de correctie van Gestalte en Geest. Nu blijft hij mij verder bezoeken en geestelijke steun verlenen. Ik vind dat erg prettig. Excuseer mijn schrift. Ik lig te schrijven tegen het zonlicht in, op mijn rug. Een wat lastige houding. Maar ’t was zaterdag en ik moest mijn preek maken. Mijn gezondheid is redelijk. Groet je vrouw van ons. En ontvang ook zelf onze groeten. Maar nu denk ik ineens aan je belofte van enkele jaren geleden, toen ik met de belasting zat en psalm 21 speelde.9 Belasting verzorgen kan ik nog wel, maar orgelspelen niet. Je beloofde toen stellig nog eens terug te zullen komen. Lang bezoek mag ik niet hebben; een half uurtje. Met hartelijke groeten,
O. Noordmans.
(AN)