913. O. Noordmans aan M.N.W. Smit1
Lunteren, 25 mei 1952
Waarde collega Smit,
Gisteren verzond ik de autobiografie van dr. Wumkes aan je adres terug.2 Hartelijk dank voor de gelegenheid, die je mij hebt verschaft, om die te lezen. Het boek heeft mij zeer veel belang ingeboezemd. Het speelt rondom mijn ouderlijk huis. En de figuren, die er in optreden, heb ik meestal van nabij gekend. Aan de Friese beweging heb ik weinig deelgenomen. Wumkes schreef mij onlangs in zijn antwoord op mijn brief over de lectuur van zijn boek,3 dat ik hem in ’t geheel vijftien brieven heb geschreven, die, met tienduizend andere, in de Kanselarij te Leeuwarden worden bewaard. Zij hebben wel vooral betrekking op de beweging. Verder heb ik in 1918 een keer op een ‘Friezendei’ in de Grote Kerk te Sneek gesproken.4 Dat is alles. De latiniteit, het algemene, heeft te zeer beslag op mij gelegd om veel ruimte te laten voor de cultuur van het allereigenste. Bovendien ben ik nimmer een typische Fries geweest, uiterlijk noch innerlijk.5 Ik heb mij onder mijn volksgenoten steeds wat eenzaam gevoeld en heb nooit behoefte gevoeld mij echt onder hen te mengen. Eer had ik steeds de neiging tot gereserveerdheid, mede omdat de Friezen soms het bewaren van een behoorlijke afstand nalaten. Een Friese vrome sloeg mij eens, toen ik pas dominee was, met kracht op mijn broek met de woorden: genade is geen erfgoed. Hoewel ze dat in vele gevallen toch wel uitstekend weten te doen. B.v. in de gemeentelijke omgang, ook tegenover de dominee. Dit alles staat bij mij waarschijnlijk ook in verband met het feit, dat ik van moeders zijde uit een refugié-familie ben.6 Mijn bet-bet-overgrootvader7 was 59 jaar predikant te Oosterend, nadat hij vier jaar te Wons gestaan had en voordat hij vier jaar als emeritus te Bolsward leefde. Het Friese leven interesseert mij echter - hoe kan het anders - toch ook weer in hoge mate; ook de natuur van dat land. En zo las ik Wumkes’ boek eigenlijk ‘uno tenore’.8 Ik merkte dat gij op dezelfde gymnasiumbanken gezeten hebt als ik. Te Sneek. Ik zat er van Kerstmis 1888 - juni 1891, nadat ik van 1885-1888 op Zetten was geweest. Wumkes zal wel een goed docent geweest zijn. Hij heeft veel werk verzet in zijn leven. Ik denk nu ook aan zijn bijbelvertaling. Dat is een reusachtige prestatie geweest. Bogerman redivivus. Vooral trof mij ook zijn liefde voor de dissenters.9 Merkwaardig de beide Terschellingse meisjes die als zendelingen naar China gingen.10 En vooral ook Frederika Rutgers.11 Welk een figuur is dat geweest! Er zit in Friesland, onder het dogmatisch confessionalisme, een enthousiaste geestesbeweging. Ik acht het niet onmogelijk dat de taalbeweging in die diepere lagen beroering zal brengen, en dat van onder de stereotype, wat oppervlakkige kerkelijkheid van vele Friese gemeenten een meer oorspronkelijke, meer spontane en diepere doorbraak van het eigen geestesleven op gang kan worden gebracht. Voorlopig lijkt het daar nog niet op. Maar de eigen bijbelvertaling van Wumkes en de psalmen van Fedde Schurer12 kunnen op den duur daartoe meewerken. Het laatste hoofdstuk van Wumkes’ boek, met al die geestesbegaafden en figuren als mevrouw Hoogland, op wie de mantel was gevallen, geven in die richting wel te denken.13 Overigens kan de cultuur van het eigene ook een demonische werking uitoefenen. Folklore en heidendom raken elkaar gemakkelijk, zoals wij aan Duitsland gezien hebben. De latiniteit, die in Friesland ook een stevige pied à terre heeft gehad, blijft daarom voor West- Europa van hoge betekenis. Maar deze brief wordt wat lang. Nogmaals dank voor de lening van dit boek. Kom je deze zomer ook in onze buurt? Verzuim dan niet om met je vrouw ons te bezoeken. Als curiosum deel ik je nog even mee, dat de brief, die je verleden jaar op 7 juli voor mij hebt gepost, uiteindelijk toch vijfhonderd gulden heeft opgebracht.14 Met hartelijke groeten van huis tot huis.
O. Noordmans
(AN)