Stichting dr. O. Noordmans
Verzamelde Werken Inhoud Jaren Bijbelregister Zoeken

Verzamelde Werken, deel 1, p. 423–424

Weergave
Passages naar Readwise sturen

De jongste hoogleraarsbenoeming1

De benoeming van dr. Noordtzij2 tot opvolger van prof. Valeton heeft zeer verschillende gevoelens wakker gemaakt. De Beukelaer3 drukte zich al heel sterk uit en noemde die benoeming "een dwaasheid, maar bovenal een onbeleefdheid, zo niet een onbeschaamdheid".a De eindredacteur van ons blad was er evenmin goed over te spreken4 en in De Gereformeerde Kerk schreef dr. Schokking5 dat deze benoeming zoal niet bedoeld dan toch gevoeld wordt als een slag in 't aangezicht van de Hervormde Kerk.b

Natuurlijk wekte de benoeming blijdschap in de organen der gescheiden kerken. De Herazit zag "een einde gemaakt aan het ostracisme, dat dusver tegen de gereformeerden aan de Rijksuniversiteiten werd geoefend."c Voor de Juiste beoordeling van deze benoeming mag niet worden vergeten dat op dit ogenblik in Leiden twee professoren aan de theologische faculteiten verbonden zijn die bij hun benoeming geen lid waren van de Nederlandse Hervormde Kerk. Omdat deze mannen vreemdelingen waren, dit moet dadelijk worden toegegeven, was in hun benoeming weinig dat aanstoot kon geven.6 Anders stond het met de verhouding tot onze kerk van de beroemde professor Tiele. Professor Tiele was remonstrant en moest helpen studenten op te leiden voor een kerk waartoe hij niet behoorde, terwijl historisch het remonstrantisme tegenover de Hervormde Kerk stond. Hier gold het echter oude geschillen die weinig meer, althans niet kerkelijk, leefden in de boezem der gemeente.

Geheel anders staat het bij de benoeming van dr. Noordtzij. Dr. Noordtzij behoort tot een groep in den lande die voor de theologische faculteit aan onze hogescholen zelden een goed woord heeft overgehad. Niet lang geleden werd de faculteit in de Tweede Kamer nog bij een 'doodshoofd' vergeleken omdat de dogmatische vakken er buiten liggen.7 De gescheidenen waren het er meestal over eens dat de overheid moeilijk theologie kan doen onderwijzen en meenden dat of de kerken dit moeten doen en de theologische faculteit dus behoort te verdwijnen om plaats te maken voor een seminarie, of dat zulk een instituut moet rusten op de zelfstandige, wetenschappelijke belangstelling van het volk, geheel vrij of althans zo vrij mogelijk van overheid en kerk. Hierin schijnt nu verandering te zijn gekomen. De mannen van de gescheiden kerken zijn niet onwillig van staatswege theologie te studeren en te helpen onderwijzen. Waren dan vroeger de druiven zuur en werd daarom het onderwijs van staatswege zozeer gelaakt? We denken hierbij aan een legende die veel is rondverteld, maar waaraan we nooit een ogenblik geloof hebben geslagen, dat ni. de oprichting der Vrije Universiteit in verband zou hebben gestaan met het werkelijk of vermeende ostracisme waarover we boven De Heraut hoorden spreken. We hebben steeds geloofd dat het beginsel van dr. Kuyper veel te logisch en te krachtig naar een vrije inrichting heen wees om ook maar één ogenblik een dergelijke gedachte, nu afgezien van het unfaire van zulk een vermoeden, toe te laten.

De geschiedenis is echter een harde leermeester. Heeft de ervaring met de Vrije Universiteit opgedaan misschien aan deze groep geleerd dat de poging om een universiteit te doen rusten op de vrije wetenschappelijke belangstelling van het volk moeilijkheden ontmoet, waarvan men 't gewicht had onderschat? Is men bezig tot de erkenning te komen dat er dingen zijn die alleen op 't forum behandeld kunnen worden?

Er is een andere onderstelling mogelijk. Deze, dat dr. Noordtzij gaat doen wat sommige christelijke onderwijzers hebben gedaan die in de openbare school de arbeid hebben opgenomen onder een zeker stilzwijgend protest tegen de geest en de inrichting der school. Men kon dan echter moeilijk in zo blijde toon van de benoeming spreken als van de opheffing van een ostracisme waardoor men terugkeert naar een plaats waarvan men tot dusver ten onrechte is geweerd. In één woord, wanneer de blijdschap der gescheidenen oprecht is, dan houdt het aanvaarden van deze benoeming althans op één gebied een beperking van de afscheidingsbeginselen in. Wanneer nu ook de studenten van Kampen of Amsterdam naar Utrecht komen studeren, dan zou deze benoeming toenadering kunnen betekenen. Is niets van dit alles het geval, betekent het aanvaarden van deze benoeming niet de minste inperking van de strekking der afscheidingsbeginselen en blijft de idee van het vrije theologische onderwijs geheel gehandhaafd, dan beorijpen we niet waarom men een zo bekwaam man als dr. Noordtzij niet voor de uitwerking van eigen beginsel behoudt. Moeten we in hem een soort van straf-professor zien die met een half hart een plaats gaat bekleden waar men hem niet begeerd heeft, dan heeft deze benoeming werkelijk iets brutaals en krenkends.

Voor 't overige is aan een publieke universiteit ieder wetenschappelijk man benoembaar en de Hervormde Kerk heeft er geen belang bij hier een voorrecht te bezitten dat haar niet toekomt.

Voetnoten

  1. a

    A. R. van de Laar in De Beukelaer 3 (30.5.1912) nr. 126, p. 484 v.↩

  2. b

    J. Schokking in het artikel Een professorsbenoeming in De Gereformeerde Kerk 24 (30.5.1912) nr. 1234.↩

  3. c

    H. H. Kuyper in De Heraut (2.6.1912) nr. 1796.↩

Eindnoten

  1. 1

    De jongste hoogleraarsbenoeming verscheen in HZ. 5 (1912) nr. 23.↩

  2. 2

    A. Noordtzij (1871-1944), gereformeerd theoloog. vanaf 1903 lector aan de Theologische School van de Gereformeerde Kerken te Kampen, vanaf 1912 hoogleraar voor het O. T. te Utrecht.↩

  3. 3

    Zie F noot 2.↩

  4. 4

    Hiermee doelt N. op J. W. Groot Enzerink (zie A noot 1).↩

  5. 5

    J. Schokking (1864-1941), hervormd predikant en christelijk-historisch politicus, was o.a. predikant te Koudum (1897-1903) en Leiden (1910-1918). Hij was van 1901-1909 het enige Tweede Kamerlid voor de Fries-christelijk-historischen; later maakte hij deel uit van de C.H.U.-fractie. Ook was hij korte tijd (1925-1926) minister van Justitie. Behalve theologie had S. ook rechten gestudeerd. Vandaar dat N. hem ook aanduidt als mr. Schokking. Theologisch gezien was S. een aanhanger van Hoedemaker. S. was behalve eindredacteur van De Gereformeerde Kerk ook voorzitter van de Confessioneele Vereeniging.↩

  6. 6

    In 1912 waren er in Leiden de volgende twee buitenlandse hoogleraren in de theologie:

    K.Lake (1872-1946), Engels nieuwtestamenticus, van 1904-1914 hoogleraar te Leiden, en W. B. Kristensen (1867-1953), Nederlands godsdiensthistoricus van Noorse afkomst, van 1901-1937 hoogleraar te Leiden in de geschiedenis en de fenomenologie van de godsdienst als opvolger van C. P. Tiele.↩

  7. 7

    Kuyper betitelde in de Kamerdebatten in 1904 over zijn wetsontwerp tot herziening van de Hoger Onderwijswet de theologische faculteit aan de Rijksuniversiteiten als een 'doodshoofd'. Hiermee gaf Kuyper zijn afkeer te kennen van de faculteit voor godgeleerdheid, zoals de Hoger Onderwijswet van 1876 die vanuit het principe der neutraliteit had geconstrueerd. Kuyper vond, dat een faculteit waarbinnen de dogmatiek slechts een los aanhangsel was, zich ten onrechte een faculteit voor 'godgeleerdheid' noemde. (Vgl. A noot 5.)↩

Verantwoording

Deze pagina is automatisch opgebouwd uit de OCR-tekst van het boek. Paginagrenzen zijn hersteld, afgebroken woorden samengevoegd en voet- en eindnoten aan hun verwijzing gekoppeld. Zet onder Weergave de correcties aan om de verbeterde OCR-fouten en de onzekere plaatsen (⚑) in de tekst te zien. De tekst is niet met het gedrukte boek vergeleken.

← De brochure-HulsmanDeel 1'Zedelijke opvoeding' →