'Zedelijke opvoeding'1
Onlangs viel op 't terrein van 'Kinderzorg' een belangrijke ministeriële beslissing. Er is nl. in Den Haag opgericht een vereniging voor zedelijke opvoeding.2 Dat wil in dit verband zeggen een opvoeding zonder godsdienst, waarbij aan goed en kwaad geen goddelijke wil ten grondslag wordt gelegd. Zulk een vereniging heeft de bedoeling aan jeugdige personen over wie ze voogdij krijgt leiding te geven zonder die jongens en meisjes te spreken over God. De wijding der hogere wereld zal niet tot hen doordringen voorzover het aan genoemde vereniging zal liggen. Van Christus zullen ze verre gehouden worden. Het 'laat de kinderkens tot Mij komen' zal voor hen tevergeefs gesproken zijn. En niet alleen dat ze buiten de beademing van het Evangelie zullen moeten opgroeien, maar elke gedachte aan Gods majesteit en liefde, ook in de meest algemene zin, zal zoveel mogelijk uit hun opvoeding geweerd worden.
De oprichter van bovenbedoelde vereniging staat in dit streven niet alleen. Op het onlangs in Den Haag gehouden Congres voor Zedelijke Opvoedinga bleek dat in alle landen van Europa mannen en vrouwen in deze richting werkzaam zijn.3 Deze vereniging nu heeft bij de regering om subsidie aangeklopt. De oprichter heeft het openlijk uitgesproken dat de vereniging niet alleen bedoelt om aan de enkele kinderen van uitgesproken atheïsten die haar mochten worden toevertrouwd haar leiding te geven, maar dat ze een propagandistisch karakter heeft. Evengoed als de godsdienstige verenigingen trachten de kinderen voor Christus te winnen, waarin de heer Meyer alleen het streven ziet om ze eik voor hun kerk te behouden of te winnen, evengoed wil de oprichter er op uit zijn om propaganda te maken voor zijn vrijgeesterij. Hij zou zelfs willen dat de voogdijraden hem alle ongedoopte kinderen zonden, ook wanneer de doop door nalatigheid achterwege gebleven was.
De regering stond hier voor een moeilijke vraag. De vraag of ze verantwoord zou zijn wanneer ze met regeringsgeld een dergelijke vereniging steun verlenen ging. Men onderschatte de moeilijkheid van dergelijke gevallen niet. Het is de publieke kas waarover de minister beschikt. Zijn persoonlijke opvattingen mogen hier niet in alles de doorslag geven. Voor de wet staan alle Nederlanders gelijk. Bij de afneming van de eed wordt met de vrijgeesten gerekend. De vraag was hier of ze geheel op gelijke voet zouden gesteld worden met andere verenigingen. De minister heeft de moed gehad hierop ontkennend te antwoorden.2 Hij heeft voor het toekennen van subsidie z'n voorwaarde gesteld. Hij heeft geëist dat de genoemde vereniging haar arbeid niet verder zou uitstrekken dan tot degenen die meer of minder bewust een dergelijke opvoeding voor hun kind begeerden of gerekend mochten worden, wanneer ze in leven waren, zulks te hebben zullen doen. Zich dus alleen zou bezig houden met kinderen van vrijgeesten. Van hen die zonder God en vervreemd van de verbonden der belofte in de wereld verkeerd hadden en voor hun kroost ook zulk een leven zouden begeren. Maar van de kinderen die door verbondsbetrekking nog met de kerk moeten gerekend worden in betrekking te staan, ook al mocht deze band verslapt zijn, van die kinderen zou de vereniging haar handen hebben af te houden. Dat is de strekking van de ministeriële beslissing. Bij de algemene debatten zal zeker menig woord over dit besluit van de minister gezegd worden. Intussen is het een verblijdend feit dat een Nederlandse bewindsman zich op dit standpunt heeft durven stellen. Het komt ons voor dat de grenslijn hier zeer juist en correct is afgebakend.
In 't afgetrokkene zijn alle Nederlanders gelijk voor de wet. Wanneer de Nederlandse staat gelijk stond met een samenstel van wetten, dan zouden er moeilijk termen gevonden kunnen worden om tegenover welk geestelijk verschijnsel dan ook een afwijkende houding aan te nemen. De staat ware dan een publieke automaat waaruit elk die zekere formele voorwaarden vervulde z'n gading kon trekken. Het zal wel altijd onmogelijk blijken de geestelijke machten en kleuren zo te classificeren en bij de wet aan te duiden dat elk naar hoger recht de steun van de staat geniet die haar toekomt. Veeleer zal bij elke zuiver formele regeling groot gevaar ontstaan dat juist het omgekeerde geschiedt. De geschiedenis van onze jongste wetgeving bewijst dit genoeg. De staat is echter geen publieke automaat en niet alleen een samenstel van wetten. Er zijn regeringspersonen die met hun verantwoordelijkheid hun daden dekken. Regeren zal altijd beleid en moed blijven vorderen. Het moet dan ook als een daad van moed geëerd worden waar de minister z'n voorwaarde stelde. Men kan zich voorstellen dat het zover kwam ook in ons land, wat God verhoede, dat het roekeloos zou zijn een dergelijk besluit te nemen. Dat er geen minister te vinden zou zijn die het zou aandurven. Zover is het echter nog niet. En zover zal het, hopen we, ook wel nooit komen.
Vrijgeesterij is een abnormaal verschijnsel. In ieder hart ligt het semen religionisb en een geheel volk rukt het niet gemakkelijk uit z'n hart. Men zij tegenover zulke verschijnselen niet te zwartgallig of bevreesd. Gelukkig is de minister dat ook niet geweest. Zolang een Nederlands minister meer is dan de chejf van een papiermolen, zolang van hem verwacht mag worden dat hij regeert en z'n persoonlijke verantwoordelijkheid gevoelt, zal men met blijdschap moeten zien dat hij tegenover een zo abnormaal verschijnsel als de vrijgeesterij een houding durft aannemen. Die houding is allerminst bekrompen geweest. Zelfs aan een vereniging als deze wil de minister steun verlenen voor het onderhoud van kinderen uit eigen kring. Van gewetensdwang is hier dus geen sprake. Een vrijgeest wordt in ons land volgens goede nationale traditie niet verdrukt. Het protestants beginsel is ruim. Maar om voor atheïstische propaganda de publieke kas open te stellen, daarvoor is het gelukkig nog geen tijd. En we hopen dat er nog land Nederlandse bewindslieden zullen blijven die de moed hebben dit te weigeren. De subsidie moet worden aangevraagd. Het vragen is vrij, maar ook het weigeren. Zulk een weigering zal nooit willekeurig mogen zijn. Dan zeggen we: we leven onder een wet en zijn niet van de willekeur van een regeringspersoon afhankelijk. Maar er blijft ook veel waars in de oude antirevolutionaire stelling, dat de overheid aan Gods Woord gebonden is in de consciëntie der overheidspersonen.c Wie meent dat de band volledig bij de wet kan worden vastgelegd bedriegt zich. Een staat is een levend organisme en er blijven overheidspersonen nodig. Mannen van karakter die niet willekeurig, maar met hun geweten te rade gaande, in aansluiting aan het volksgeweten, in sommige gevallen 'neen'durven zeggen.