Een grote vergadering1
1
De Synodale Commissie verzond aan alle kerkeraden een uitnodiging tot bijwoning van een grote vergadering op 16 april 1914.2 Vorige jaren werden reeds diaconale conferenties gehouden. Thans wil de synode een proef nemen met het houden van een vergadering waar ook andere vraagstukken worden behandeld. Vraagstukken die met de toekomst van onze kerk in 't nauwste verband staan. Zoals in de classes naast de diaconale conferenties ook de classicale conferenties beginnen gehouden te worden, zo thans ook voor de gehele kerk. Op zichzelf is dit een verblijdend teken. Ik denk aan het antwoord dat John Mott ontving toen hij aan een rooms priester vroeg hoe hij dacht dat er in de christenheid meer éénheid zou kunnen komen. De priester antwoordde: in de eerste plaats moeten we elkaar weer ontmoeten, in de tweede plaats moeten we elkaar vriendelijk behandelen, in de derde plaats moeten we voor elkaar bidden. Moge de komende grote vergadering staan in het teken van dit antwoord. Het eerste wordt vervuld. De ontmoeting zal er zijn. Ze zal onvruchtbaar zijn als aan de beide andere eisen niet voldaan wordt.
Ons valt direct op hoeveel meer aandacht aan deze bijeenkomst geschonken wordt dan aan de diaconale conferenties. Toch zijn ook die diaconale conferenties zeer belangrijk. Deze grote vergadering legt echter sterker beslag op de belangstelling. Hierin ligt een belangrijke aanwijzing. Zeker! praktisch kerkelijk werk is van de grootste betekenis. De zorg voor blinden, kreupelen, doven en armen beslaat in het Evangelie een grote plaats. Jezus is over hen met ontferming bewogen. 'Die gezond zijn hebben de medicijnmeester niet van node, maar die ziek zijn' (Matth. 9 : 12). In zoverre is men niet van de verkeerde kant begonnen wanneer diaconale conferenties het begin hebben gevormd van vernieuwd kerkelijk overleg. Maar aan al deze arbeid ontbreekt de nodige opgewektheid wanneer men het Koninkrijk der hemelen niet ziet nabij komen. Vermoeiend, neerdrukkend is voor menig ijverig werker het ontbreken van grote, bezielende lijnen waaraan hij z'n arbeid kan aansluiten. Drie of vier profeten waren genoeg om ons uit de kerkelijke malaise te trekken en ons uit het neerdrukkende van allerlei kleen-arbeid te brengen op de hoogvlakten waar de Geest Gods waait. Als uiting van deze behoefte heeft de komende grote vergadering ongetwijfeld betekenis.
Twee belangrijke vragen zullen daar behandeld worden. De eerste is beslissend voor de toekomst van onze kerk. de tweede voor de toekomst van ons volk. De eerste vraag wil aan de orde stellen wie in onze kerk mogen leren en belijden; de tweede hoe de kerk de schare zal bereiken die de wet niet weet.
Het is gemakkelijk zulk een vergadering van mogelijk 1500 personen van allerlei richting te parodiëren. Een Poolse Landdag, zo heeft men gezegd, en 't is best mogelijk, dat ze er op gaat lijken. Wanneer echter zulk een conferentie ernstig werd voorbereid, wanneer voor de te stellen vragen- liefst in onderdelen gesplitst - commissies werden benoemd, wanneer die commissies omtrent de hun gestelde vragen rapporten uitbrachten die vooraf ter herinnering werden toegezonden, dan zie ik niet in waarom de bijeenkomst geen goed werk zou kunnen doen. De werkwijze van de Edinburghse Zendingsconferentie3 die zoveel zegen heeft gebracht, moest hier gevolgd zijn. Een voortzettingscomité had dan benoemd kunnen worden. De conferentie zou dan geen gevaar lopen op vuurwerk van allerlei kleur en figuur uit te lopen, of op een spiegelgevecht te gaan lijken waarbij geen beslissing kan vallen dan een gefingeerde, maar ze zou in het teken van ernstige arbeid kunnen staan. Want het bezwaar van dergelijke vergaderingen is dat ze niet voorbereid zijn en zonder gevolgen voorbij gaan. Naast de synode - als administratief lichaam - zou bij enige beperking zulk een grote vergadering haar aandacht kunnen wijden aan de vragen des tijds. Hiermee wil ik het voor de opzet van deze vergadering niet opgenomen hebben. De talrijkheid van deze vergadering, het grote aantal sprekers en dat in verband met de duur van slechts één dag doet meer aan een betoging denken dan aan een kerkelijke synode. Over de vraag, wie in onze kerk mogen worden toegelaten tot leren en belijden, zal men kunnen horen: een moderne, een malcontent-moderne, een evangelische, een confessionele, een Gereformeerde Bondsman en een ethische, waarmee ongeveer de gehele staalkaart van ons kerkelijk leven is vertegenwoordigd. Goed beslagen zullen natuurlijk deze mannen op 't ijs komen en hun argumenten zo kort en zakelijk mogelijk formuleren. Meer zal er eigenlijk niet kunnen gebeuren. Daarvoor ontbreekt de tijd. Wordt er op die vergadering gestemd, de lezer begrijpe dit goed, dan heeft dat geen gevolgen voor de kerk. Zulk een stemming zou ongeveer dezelfde betekenis hebben als een proefstemming voor Plaatselijke Keuze.4 Men zou kunnen merken, als er een trouwe opkomst is, hoe de wind waait in de kerk. Wanneer dan ook dr. Kromsigt in De Gereformeerde Kerk schrijft. dat deze vergadering voor vele jaren beslissend zal zijn,a dan kan dit in zoverre het geval zijn dat de synode naar de toon op de vergadering zal luisteren en zich daarnaar richten. Met het oog daarop is trouwe opkomst inderdaad gewenst.
Voor de zegen die de vergadering zal afwerpen zal alles afhangen van de geest die er heerst. Het is niet te verwachten dat richtingen die een geschiedenis van tientallen van jaren achter zich hebben op één dag elkaar zouden vinden. Toch zou misschien de gedachte dat de gehele kerk daar vertegenwoordigd is tot meer dan gewone ernst kunnen stemmen wanneer men daarbij bedenkt hoeveel voor de toekomst zal afhangen van de richting die wordt ingeslagen. Wanneer op deze vergadering het partijwezen hoogtij gaat vieren en partijwind gaat uitrazen, dan zal de herinnering misschien een uiterst pijnlijke blijven.
Er is slechts één kans waarbij deze bijeenkomst een goede reuk zal kunnen nalaten. Het zou zijn wanneer die dag de gehele vergadering onder een gevoel van buitengewone verantwoordelijkheid meer dan anders de ernst der tijden ging gevoelen. Wanneer het er om te doen was niet om te overwinnen, maar om overwonnen te worden door de Geest Gods. Daartoe zal het verenigingspunt niet gezocht moeten worden in het verleden. Dan kan het niet anders zijn dan een strijdpunt. Niet bij art. 11 moeten we elkaar ontmoeten. In de toon van het Evangelie moet het verenigingspunt vóór ons liggen. Zijn er in onze dagen geen stemmen waarnaar ieder luisteren wil?
Geen arbeid waaraan ieder wil meedoen?
Daartoe behoeven Wet en Profeten niet ontbonden te worden. De oude stukken van onze kerk moeten blijven liggen. Aan de fundamenten moet men niet raken. Daarop mag echter niet anders dan een vrije en franke toestemming worden gevraagd. Geen inquisitie-achtige verscherping van een onderzoek dat de kerk gehouden is in te stellen. Mocht onze kerk in meerderheid daartoe zich toch opmaken, dan is het antwoord op het tweede vraagpunt dat op de grote vergadering behandeld zal worden met één woord wel te geven. Ze luidt: "Wat kan de Nederlandse Hervormde Kerk doen om het Evangelie te brengen aan diegenen harer leden die van godsdienst en kerk vervreemd zijn?" Het antwoord moet dan kortweg luiden: niets. Terwijl in onze dagen allerlei tekenen er op wijzen dat de harten zich weer gaan keren naar het opkomende geestelijk getij, zou het een blijk zijn van het domste en meest ongeestelijke kerkelijk overleg om nu juist de deuren van de kerk te grendelen. Hiermee blijft het kerkelijk vraagstuk moeilijk genoeg. Maar die weg moeten we zeker niet op.
2. 16 April
Reactie van J. W. Groot Enzerink5
Naar aanleiding van het schrijven van collega O. Noordmans te Suameer in het vorige nummer onder 't opschrift Een grote vergadering moeten mij enkele dingen van 't hart opdat de rechtzinnige lezers niet denken zullen dat collega Noordmans' schrijven de instemming zou hebben van de gehele redactie. Onze courant heeft redactieleden van zeer uiteenlopende opvattingen, zodat de verschillende stukken nooit zijn 'aus einem Gusz', maar weergeven wat daar leeft in de hoofden en harten van de verschillende nuances in de orthodoxie. Dat heeft z'n goede zijde, immers 'du choc des opinions jaillit la vérité'. Bij de bespreking van bedoeld stuk hoop ik dat wij beiden in toepassing zullen brengen wat collega Noordmans stelde als voorwaarden waaronder de grote vergadering in Den Haag zal kunnen slagen nl. dat wij elkaar zullen ontmoeten, dat wij elkaar vriendelijk zullen behandelen en dat wij voor elkaar zullen bidden. 't Gehele stuk bespreek ik niet omdat ik niet te 'weitläufig' wil worden en omdat 't mij om de hoofdzaak te doen is.
Mijn bezwaar is vooral gericht tegen de volgende uitlatingen. Collega Noordmans schrijft dat 't ons op de vergadering van predikanten en ouderlingen op 16 april in 's-Gravenhage niet te doen moet zijn "om te overwinnen, maar om overwonnen te worden door de Geest Gods". Daartegen sta mijn ernstig protest! Laat ons, willen wij elkaar niet alleen ontmoeten, maar ook nader komen, niet met woorden schermen! Wie toch zou zich niet gaarne door de Geest Gods laten overwinnen? Zeker ieder die de ernst der tijden verstaat en de komst van 't koninkrijk Gods voor ogen heeft. Maar heel dit zeggen wordt naar mijn overtuiging weer ondersteboven geworpen als collega Noordmans dan laat volgen: "Dan zal 't verenigingspunt niet gezocht moeten worden in het verleden." Men staat over zoiets kort en goed verbaasd. Heeft dan de Heilige Geest niet gewerkt in het verleden? Staat de kerk van Christus dan niet door de kracht van 't eerste Pinksterfeest? En nu zegt collega Noordmans dat wij alleen vooruit moeten zien. En dus wat achter ligt maar vergeten? Ik denk hier aan het woord van prof. Gunning tot de hofprediker, dr. Van der Flier,6 die evenals collega Noordmans het van de toekomst verwachtte en bang was voor repristinatie. Dr. Van der Flier had gezegd in de synode van 27 juli 1903: "Laat er trouwer worden gearbeid, laat er meer kracht van de voorgangers uitgaan, laat er langs die weg meer -eestelijk leven gewekt worden en vanzelf zal er verbetering komen. Geen reorganisatie der bestuursinrichting, maar reorganisatie van de personen. Ik geloof in de Heilige Geest ... dat doet toch de leiding der dingen aan die Geest overlaten; dat doet vertrouwen, in het besef. niet door kracht of geweld, spreekt de Heer, maar door mijn Geest zal het geschieden. In die overtuiging zeg ik niet: herzie de organisatie, maar, wat een groot man op staatkundig gebied heeft gezegd: herzie u zelf."b
Mij dunkt, ds. Noordmans is het hiermee eens. Dit toch komt op 't zelfde neer wat hij schreef. Daartegen nu kwam prof. Gunning op in een Open brief aan de Synode, waarin Zijn Hooggeleerde onder meer schreef: "Wij kunnen deze beschuldiging niet stilzwijgend voorbij gaan, omdat hier een in 't oog springend zelfbedrog schuilt ... Uw geloof in de Heilige Geest is hier feitelijk geloof aan deze organisatie (van 1816) ... Welnu! onder die organisatie blijven wij niet 'kalm, zonder het minste gewetensbezwaar te tonen, arbeiden', maar wij noemen onze toestand een zonde, aan welke wij allen deel hebben. Want wij delen niet in uw verwachting, dat, als er getrouwer wordt gearbeid, als er meer kracht van de voorgangers uitgaat, er langs die weg meer geestelijk leven gewekt worden en er vanzelf verbetering komen zal."b Dit antwoord plaats ik tegenover collega Noordmans 'bezwaren. Gij vraagt: "Is er geen arbeid waaraan ieder wil meedoen?" En ik antwoord: "Zeer zeker!", maar ik laat ook hier prof. Gunning aan 't woord als deze in diezelfde brief zegt: "Omdat de voorgangers arbeiden op de verkeerde grondslag van onze organisatie, worden de meest ingespannen pogingen vruchteloos gemaakt."b
"Het verenigingspunt zal niet gezocht moeten worden in 't verleden! Niet bij art. 11 moeten we elkaar ontmoeten", aldus collega Noordmans. Dat dit een moderne, een vrijzinnige zegt, dat kan men zich voorstellen omdat deze mensen eigenlijk op revolutionaire bodem staan wat 't kerkelijk leven betreft. Doch dat deze bewering komt van een orthodox voorganger is mij een absoluut onoplosbaar raadsel. Tornen aan art. 11! Artikel 11 terzijde gelegd! En dan een ogenblik later zeggen: "De oude stukken van onze kerk moeten blijven liggen. Aan de fundamenten moet men niet raken." Werkelijk, ik begrijp er niets van. Artikel 11 is het artikel van onze kerkelijke grondwet waarom het, dunkt mij, in Den Haag gaan zal en gaan moet. Maar als men nu zó revolutionair is dat men de grondwet kort en goed terzijde wil gelegd zien, ja! dan is alle overleg onmogelijk. Artikel 11 dat handhaving van de leer der kerk vraagt, artikel 11, collega Noordmans!, dat met andere woorden zegt: "De oude stukken van onze kerk moeten blijven liggen. Aan de fundamenten moet men niet raken!" Artikel 11 zal de plaats van onze ontmoeting moeten zijn. ⚑Een andere kwestie is, zoals gij vraagt, of er vrije en franke toestemming zal gevraagd worden met onze belijdenisschriften, welker handhaving door art. 11 geboden wordt. Weet ge hoe ik, confessioneel predikant, daarover denk? Ik wil dat wel zeggen, ook al krijgen de gereformeerde broeders er de kippekoorts van. Ik wil 't zelfs zeggen met de woorden van onze ethisch-orthodoxe collega, dr. Gerretsen, de hofprediker: "Om nu de vraag te beantwoorden wie wel en wie niet in onze kerk thuis behoren, moeten wij vragen wat het essentiële is in onze kerk, of, daar onze kerk niet anders is en zijn wil dan de ware christelijke kerk, - zij is een 'gereformeerde' kerk, - komt deze vraag hierop neer: wat is het essentiële van de christelijke kerk? Deze vraag kan worden gesteld, want de christelijke kerk is een gegeven, een historische grootheid. Evenals men een historisch onderzoek in kan stellen naar de vraag wat mohammedanisme is, wat boeddhisme is, wat parsisme is, kan men ook een historisch onderzoek instellen naar de vraag wat christendom is. Wat wil het christendom? Van welke veronderstellingen gaat het uit? Het christendom is in de wereld opgetreden met een programma. Wat was dit programma? En dan kan er op die vraag slechts één antwoord worden gegeven. De christelijke kerk bindt het heil des mensen aan Christus, en wel aan Christus, die uit de doden is opgestaan en die is gezeten aan de rechterhand der kracht Gods. Er is geen enkel christelijk geschrift uit de tijd waarin het christendom ontstaan is afkomstig, of het zegt dit. Historisch oordelende moet men de stelling aanvaarden dat het christendom de zaligheid heeft gebonden aan Christus. Van een ander christendom weten wij niet af. Men kan zeggen dat het christendom in dezen dwaalt. Men kan veronderstellen dat de christelijke kerk zijn stichter heeft misverstaan, dat het christendom eigenlijk het heil niet aan de persoon van de verheerlijkte Christus had mogen binden, dit neemt niet weg, dat het historische positieve christendom altijd van deze veronderstelling is uitgegaan, en wie met het christendom in deze niet meegaat, die staat eenvoudig buiten de gedachtenkring van het christendom en behoort in de christelijke gemeente niet thuis. Dat is geen hard, geen onverdraagzaam oordeel. Dat is eenvoudig een logisch oordeel, dat met hardheid of onverdraagzaamheid niets te maken heeft. De grens van de evenredige vertegenwoordiging is in de christelijke kerk eenvoudig het geloof in Christus. Wie niet in Christus als de Zaligmaker gelooft, staat buiten de christelijke gemeenschap. Hij kan een uitnemend mens zijn, misschien is hij - en deze suppositie is geoorloofd en gewettigd wanneer men aanneemt, dat de christelijke gemeente dwaas en goddeloos doet het heil des mensen en geheel Gods zaak aan Jezus te binden - een veel voortreffelijker mens dan een 'christen', in de christelijke gemeenschap behoort hij niet. Zouden wij iemand niet met een pijnlijke glimlach aanhoren, die zeide: ik ben wel een mohammedaan, maar ik geloof niet dat Mohammed Allah's grootste profeet is. Een dergelijke uitspraak wordt alleen begrijpelijk, wanneer wij aannemen dat aan zo iemand het allereerste begrip wat mohammedanisme is ontbreekt.
Dit alles is voor ieder, die zich een ogenblik realiseert. wat christendom is, eenvoudig onwedersprekelijk."c
Genoeg! hiermee ben ik 't eens, of zoals collega Kromsigt het heeft uitgedrukt in De Gereformeerde Kerk van verleden week: "Het gaat niet om bijzaken, maar om de fundamenten; het gaat om de belijdende grondslag der kerk. En hierin behoren allen die Jezus Christus, overgeleverd om onze zonden, opgewekt om onze rechtvaardigmaking, als het enige levende fundament der kerk erkennen, ten krachtigste samen te werken."d 't Gaat op 16 april om de vraag of onze kerk kerk zal zijn òf een soort maatschappij tot nut van 't algemeen. Wij kunnen en wij mogen niet langer alles bijeenhouden: leugen en waarheid; hen die Christus in zijn plaatsbekledend lijden erkennen als hun Heiland èn hen die daarvan niet weten willen. De wacht moet bij de kansel betrokken! Het zwaard waarmee ieder geweerd moet worden die die kansel niet langer mag betreden, is Gods Woord. Daarvoor dient het verleden een krachtig woord mee te spreken. Die het niet doet, laat het historisch christendom los en propageert een Evangelie naar de mens der twintigste eeuw dat evenwel geen Evangelie is tot zaligheid, daar dit zijn oorsprong vindt in het eeuwig raadsbesluit van onze God en Vader in onze Heer Jezus Christus.
't Is dus geen dom overleg, collega Noordmans, om de deuren der kerk te grendelen. Gebeurt dit niet, dan zal onze kerk mede schuldig staan dat straks door haar schuld de hemelpoort gegrendeld zal zijn voor velen die meenden eens te zullen binnengaan.
3. Repliek7
De eindredacteur en correcter van dit blad plaatste in 't vorig nummer een protest tegen mijn artikeltje Een grote vergadering. Hij houde mij ten goede dat ik thans niet in den brede daarop inga. Ik heb nog een paar artikelen in de pen in aansluiting aan mijn vorig schrijven die hem misschien zullen overtuigen dat hij wat haastig is geweest met zijn conclusies. Op een paar punten echter wil ik reeds hier wijzen.
Ds. Groot Enzerink meent dat ik het eens zal moeten zijn met het bekende woord van dr. Van der Flier in de synode van 1903 en dus niet met wat prof. Gunning schreef in zijn Open brief. Nu is er deze herfst een classicale conferenties te Leeuwarden gehouden waar het over dezelfde vragen ging als het straks in Den Haag zal gaan. Op die vergadering had ik de eer te mogen spreken over De reorganisatiebeweging. Ik nam het daar op voor het standpunt-Gunning tegenover het standpunt- Van der Flier. Wenst ds. Groot Enzerink geen conferenties te Leeuwarden te bezoeken van zijn eigen classis, maar alleen grote conferenties op grote afstand, dan had hij toch een uitvoerig verslag daarvan kunnen lezen in de Leeuwarder Courant.8 Een vluchtige inzage daarvan zou hem overtuigd hebben dat mijn mening precies andersom is dan hij mij thans toedichtte. Ik zou daarom mijn opponent willen aanraden om zich eerst even op de hoogte te stellen wanneer hij een 'orthodox voorganger' à faire gaat nemen. De 'rechtzinnige lezers' worden anders op een dwaalspoor gebracht.
De grote zaak waar het om gaat is deze: of men zich op de Wet moet bekeren of op het koninkrijk Gods. De Wet ligt achter ons; het koninkrijk Gods voor ons. Jezus riep: bekeert u, want het Koninkrijk der hemelen is nabij gekomen. Dit geldt ook voor onze kerk. Wij zien daarvan iets gebeuren in onze dagen buiten de kerk om. Juridisch gekibbel over art. 11 moet ophouden ons werkprogram te zijn in de kerk. Dat maakt alle vragen zo klein en ongeestelijk. Daarmee wil ik niet zeggen dat het verleden ons niet bindt. De vraag is maar van welke aard die band is en hoe we die kerkrechtelijk tot z'n recht zullen laten komen.
Dat ds. Groot Enzerink van de bedoeling van mijn schrijven niets begreep, is niet mijn schuld.
4. Kerk of genootschap9
Onder ons moet vaststaan dat de kerk haar eigen karakter moet bewaren. De kerk is geen uitvinding van mensen maar een instelling Gods. Men kan niet naar willekeur het karakter der kerk bepalen of eigenmachtig naar de omstandigheden wijzigen. En vraagt men dan naar een der meest op de voorgrond tredende karaktertrekken, dan noemen we de geestelijke eenheid der kerk. Ze is een lichaam waarvan de leden bij elkaar behoren en elkander nodig hebben. Elke poging om van de kerk te maken een genootschap waarin met gelijk recht allerlei geesten aan kansel of platform geholpen zouden moeten worden om wat nieuws te zeggen, moet dan ook met kracht afgewezen worden. De kerk is geen Areopagus. Daarom moeten wij ons verklaren tegen evenredige vertegenwoordiging. Daardoor wordt de eenheid der kerk prijsgegeven. Het werken van allerlei geesten naast elkaar wordt er door gereglementeerd en bevorderd. Het bewustzijn van eenheid verdwijnt hoe langer hoe meer.
Thans ondervinden de verschillende richtingen de last van het samenwonen. Maar in de hinder die ze van elkaar hebben manifesteert zich de eenheid. Kregen we evenredige vertegenwoordiging, dan viel ook dit weg en was de weg voor volkomen oplossing gebaand. Terecht is opgemerkt dat de uitersten zich hier raken en de uiterste linkerzijde met de uiterste rechterzijde desnoods zou kunnen samenwerken tot oplossing der kerk. We zouden niet durven beweren dat de omstandigheden er niet toe zouden kunnen leiden dat dit werkelijk ging geschieden. Laten de middengroepen in onze kerk zich verlokken tot sommige krasse maatregelen, dan reiken rechter- en linkerzijde elkaar straks de hand. De gedachte is vroeger van moderne zijde reeds uitgesproken. Evenredige vertegenwoordiging hebben we dus met kracht af te wijzen. Het zou zijn de oplossing der kerk in de kerk.
Daarmede is niet gezegd dat het meerderheidssysteem zoveel beter en geestelijken of kerkelijker is. Dr. Schokking heeft dat, meen ik, op de jongste buitengewone vergadering van de Confessioneele Vereeniging ook erkend.10 Is evenredige vertegenwoordiging het prijsgeven van kerkelijke eenheid, het meerderheidssysteem is het forceren van kerkelijke eenheid. Het is een machtsmiddel waarmee geestelijke zwakheid moet worden verholpen. Kerkrechtelijke overwinningen zijn dikwijls nederlagen. Moeten we echter kiezen tussen deze beide, dan geven we de voorkeur aan het meerderheidssysteem omdat de gedachte der eenheid eraan ten grondslag ligt. Het is forceren van eenheid. Het is geen echte overwinning wanneer de meerderheid kerkrechtelijk haar wil doorzet, het is een werelds machtsmiddel, maar toch blijft de idee der kerk er beter bij bewaard dan bij een stelsel van evenredige vertegenwoordiging. In de christelijke kerk is het machtsmiddel dan ook telkens toegepast. Door dit middel zijn de bekende beslissingen in leergeschillen in de loop der eeuwen gevallen. Soms geholpen door de wereldlijke arm. Een duidelijk machtsmiddel om eenheid te forceren. Het is beslist nodig dit met nadruk te constateren om het meerderheidssysteem van z'n nimbus, z'n schijnsel van heiligheid te beroven.
'De wacht bij de kansel betrekken', zo roept men luid de laatste tijd. Het is echter zeer goed mogelijk dat die wacht zou blijken te zijn van het soort waaruit de wacht bij het heilige graf bestond, die vluchtte bij de nadering van werkelijk geestelijke wezens, of die andere wacht, die onder 't kruis stond en Jezus' kleed verdobbelde. In elk gevel een soldatentype en niet een van de fijnere mensensoorten. Een wacht in overeenstemming met het karakter van een machtsmiddel. Het is niet toevallig dat de wereldlijke arm zo dikwijls geholpen heeft om de kerkelijke meerderheidsbesluiten door te zetten. Art. 11 van het Algemeen Reglement is niet in die toon gezet ofschoon velen het menen. De handhaving van de leer waarvan daar sprake is bedoelt te zijn handhaving door prediking en onderwijs. Althans zo heeft een politiek persoon bij de opening der eerste synode de zaak toegelicht.11 Eigenaardig dat art. 11 in de kerkelijke strijd in de mond van kerkelijke waardigheidsbekleders een zoveel militanter betekenis heeft gekregen. O, Boanerges! (vgl. Mark. 3 : 17).
En toch zouden we na dit alles over meerderheidsbeslissingen als machtsmiddel niet voorgoed de staf willen breken. Waarom niet? Omdat de kerk als instelling geen zuiver geestelijk, maar een gemengd karakter draagt. Ze is niet uit de aarde aards, maar evenmin nog gelijk aan de Heer uit de hemelen. Haar eenheid is er in het Hoofd, maar in het lichaam worstelt ze om tot openbaring te komen. Machtsmiddelen kan ze evenmin als staat en maatschappij nog geheel ontberen. Wanneer we echter de kwestie zo gesteld hebben, voelt ieder die ons gevolgd heeft met hoeveel voorzichtigheid en reserve ze dat machtsmiddel te hanteren heeft. De kerk is de meest geestelijke gemeenschap op aarde. Ze mag zichzelf niet verlagen. Hierover nog in een volgend artikel.
5. Dupliek
Reactie van J. W. Groot Enzerink12
Naar aanleiding van enkele opmerkingen aan mijn adres zal ik nu meteen maar even antwoorden. "Een van de karaktertrekken van de kerk is de geestelijke eenheid", schrijft ge. Ge bedoelt nu toch niet weer zo iets zwevends? Die eenheid vindt dan toch zeker haar uitdrukking? Laat ons eens even niet aan de drie formulieren, de belijdenis van onze kerk, denken; maar ge zult dan toch wel willen toestemmen, dat die geestelijke eenheid haar uitdrukking op z'n minst vindt in de belijdenis aangaande de Christus. Welnu! ik heb de vorige week bedoeld dat onze kerk beginnen zal met handhaving van die belijdenis op grond van art. 11 om elkaar dan later te verstaan over de vraag hoe wij als kerk te handelen hebben met de drie formulieren die altijd nog onze belijdenis zijn. Ik zou dan, gezien de abnormale omstandigheden, een soort overgangsmaatregel wensen. Gij moest daar toch wel iets voor voelen, waar ook gij niet alle geesten bijeen wilt houden, en zelfs, hoewel gedwongen, u noemt een verdediger van het (door u aldus genoemde) meerderheidssysteem.
Wat ik van uw houding in dezen evenwel denken moet, begrijp ik niet, want een volgend ogenblik zijt ge erg boos op hen die krachtens dit meerderheidssysteem 'de wacht bij de kansel willen betrekken'. Over die mensen zijt ge zó slecht te spreken dat ge ze rekent 'tot het soldatentype, niet een van de fijnere mensen'. Even zij opgemerkt dat dit wel in de Romeinentijd, doch niet meer in de onze een tegenstelling vormt. 't Is voor hen die opkomen voor een waarachtige Evangelieverkondiging door de wacht bij de kansel te betrekken heel geen belediging om tot de mensen van het soldatentype gerekend te worden. Dat ge van ze zegt dat ze niet tot de fijnere geesten behoren, is belachelijke grootdoenerij. Voor zulke woorden wijk ik inderdaad en ga ik uit de weg omdat 't mij 't bewijs is dat hier een geest aan 't woord is van de allerslechtste soort. 't Zal u aangenaam zijn als een van 't soldatenvolk u verder niet in de weg zal treden. Ik laat u 't gezelschap van de fijnere geesten.
6. Een persoonlijk feit13
De lezer zal zich de onverkwikkelijke discussie van een paar weken geleden tussen de eindredacteur en mij herinneren. Op een uitdrukking in m'n artikel Kerk of genootschap vatte de eerste zodanig vuur dat ik in ons eigen blad, ik kan niet anders zeggen dan op ruwe wijze werd uitgescholden. Ik besloot daarop de lezer te melden dat ik uit de redactie van het blad trad. Inmiddels werd mij verzocht te wachten tot er een redactievergadering zou worden gehouden. Daar bleek mij dat mijn woorden naar aanleiding van de leuze 'Een wacht bij de kansel' op mij onverklaarbare wijze als persoonlijk op de eindredacteur gemunt waren opgevat. Was dit inderdaad het geval geweest, dan had ik het schot schroot, hagel en scherp, dat mij werd toegezonden, verdiend. Niets was echter minder het geval. De persoon van de eindredacteur was daarbij niet in m'n gedachten geweest. Nu ik gehoord heb dat hier en daar deze opvatting toch is gewekt, wil ik gaarne m'n leedwezen erover betuigen ofschoon zonder het te willen daartoe aanleiding te hebben gegeven. Om alle misverstand weg te nemen wil ik thans de bedoeling van bedoelde uitdrukkingen even verduidelijken.
Het is m'n besliste overtuiging dat wanneer thans met de drie formulieren in de hand de wacht bij de kansel wordt betrokken aan de geestelijke ontwikkeling in onze kerk geweld zal worden aangedaan. Macht zal dan gaan voor geestelijk recht. Aan de meer mystieke, religieuze personen, in wie het zuurdeeg van het koninkrijk Gods voor onze tijd gistende is, zal het zwijgen worden opgelegd. Allerlei militante persoonlijkheden die elk uur van de dag gereed zijn met hun overtuiging zullen de eerste overmeesteren. De Wet zal dan worden gehandhaafd in plaats dat het Evangelie zal worden gepredikt. Er is gevaar dat er een rechtzinnigheid zich zal breed maken die de beroving van het kruis niet kent, maar in behagelijke gelijkvormigheid aan de leer, even tuk op de beste plaatsen hier beneden als hiernamaals, niets merkt van de verdrukking in deze wereld. Die zich daarbij met vrome afschuw uitlaat over bewegingen en richtingen van onze dagen en in onze kerk, die men de bedelorden van onze tijd zou kunnen noemen omdat ze het vertrouwen niet hebben. Het is de onwaarachtigheid van zulke leuzen als'de wacht bij de kansel betrekken', waartegen ik m'n pen scherpte. Deze dingen moeten als nagelen in leerheilige hoofden gedreven worden. En daarom schreef ik midden in een betoog over het meerderheidssysteem als machtsmiddel: "Het is beslist nodig dit met nadruk te constateren om het meerderheidssysteem van z'n nimbus, z'n schijnsel van heiligheid te beroven.
'De wacht bij de kansel betrekken', zo roept men luid de laatste tijd. Het is echter zeer goed mogelijk dat die wacht zou blijken te zijn van het soort waaruit de wacht bij het heilige graf bestond, die vluchtte bij de nadering van werkelijk geestelijke wezens, of die andere wacht, die onder 't kruis stond en Jezus' kleed verdobbelde. In elk geval een soldatentype en niet een van de fijnere mensensoorten. Een wacht in overeenstemming met het karakter van een machtsmiddel."
Inderdaad, wanneer de 'militia Christi'e geen voller en dieper betekenis heeft dan enthousiasme voor het laatste tuchtmiddel, wanneer deze geesteshouding in onze gistende tijd op de voorgrond moet staan, dan kan ik niet anders zien of de geestelijke stand wordt verlaten voor de soldatenstand, het zwaard des Woords voor de sterke arm. Mystieke doordringing wijkt voor uitwendige dwang.
Deze gedachten waren het, die ik in het géïncrimineerde gedeelte naar voren bracht in goed logisch verband met het gehele stuk. Ik erken dat de formulering scherp was, misschien te scherp. Maar persoonlijk waren deze zinnen allerminst bedoeld. Wanneer nu de eindredacteur na z'n vergissing ingezien te hebben op even rondborstige wijze als hij op mij is uitgevaren z'n woorden wil terug nemen en het schroot, hagel en scherp dat hij op mij strooide wegvegen, dan ben ik van mijn kant gaarne bereid dit persoonlijk feit als gesloten te beschouwen..
7
Reactie van J. W. Groot Enzerink14
Aan bovenstaand voeg ik 't volgende toe.
Op mijn verzoek is een redactievergadering gehouden waarop het de lezers bekende incident is besproken. Ik wenste na het gebeurde het eindredacteurschap niet langer waar te nemen. In bedoelde vergadering bleek dat er een ellendig misverstand tussen ds. Noordmans en mij gerezen was, 't geen aanleiding gaf tot onze scherpe discussie. Besloten werd dit te publiceren.
Ds. Noordmans verklaart in bovenstaand met de scherpe formulering van zijn afkeuring over hen die spreken van 'de wacht bij de kansel betrekken' niet aan mij gedacht te hebben. Ieder moet dit wel als op mij bedoeld hebben beschouwd, daar deze uitdrukking door mij was gebruikt in een artikel van't voorafgaande nummer. Nu ds. Noordmans dit evenwel afwijst als verkeerd begrepen, wil ik dit aannemen. Het schot schroot, hagel en scherp behoefde dus door mij niet afgeschoten, omdat zijn aanval niet op mij persoonlijk was gericht. Ik neem dus mijn scherp antwoord op zijn scherpe aanval terug en betuig evenals collega Noordmans mijn leedwezen over 't gebeurde waarmee dus deze zaak als afgedaan mag beschouwd.