Een nabetrachting1
De laatste weken hebben voor kerkelijk Nederland heel wat opgeleverd. Een kerkcongres van ongewone talrijkheid en tal van vergaderingen waarop is uitgesproken wat er in de harten leeft. De grote bladen hebben van dit alles uitgebreide verslagen gepubliceerd. Ons volk is nog niet bezig theologisch onverschillig te worden.
Het is moeilijk om dadelijk zich van de betekenis van wat er gesproken is bij verschillende gelegenheden rekenschap te geven. Een ding mag veilig gezegd worden. De toon van de gehouden besprekingen is ernstig en waardig geweest. In wijde kring is blijkbaar wakker een sterk gevoel van verantwoordelijkheid. Kleinigheden werden met kracht naar achteren geduwd en de hoofdzaken kwamen steeds naar voren.
Dit mag gelukkig met name gezegd worden van de Haagse vergadering.2 Hier lag, anders dan op de predikantenbijeenkomsten, de spanning voor 't grootste gedeelte achter de gesproken woorden. Ook al had deze vergadering geen bevoegdheid om besluiten te nemen, men gevoelde toch midden in het leven gebracht te worden. We hoorden het hart van kerkelijk en godsdienstig Nederland slaan. Hebben de andere aprilvergaderingen meer het karakter van een krijgsraad waarin men zich ter beraadslaging een ogenblik uit de strijd terugtrekt, de vergadering van 16 april bracht ons in die strijd zelf. Ze had het karakter van een volksvergadering. En gegeven dit karakter heeft de vergadering aan het hele land een voorbeeld gegeven van rustige beslistheid. Behalve enige hoogkerkelijke Amsterdamse heren die een ogenblik Bogerman trachtten na te doen gaf niemand stoornis. Het heeft mij daarom leed gedaan dat in een enkel blad links en rechts dadelijk weer een schampere toon werd aangeslagen bij de bespreking der vergadering, een toon die op die vergadering zelf zo gelukkig was vermeden. Mij dunkt, daarvoor had men zich thans zorgvuldig moeten wachten. Als kerkelijke en godsdienstige samenspreking had mijns inziens de vergadering wel treffende momenten, maar geen bijzonder aangrijpende hoogtepunten aan te wijzen. Daarvoor was de ontmoeting te verbluffend, de tijd aan elke spreker toegemeten te kort.
Wat in kerkelijk Nederland de laatste tientallen jaren gebeden, geleden en gestreden is, heeft op deze vergadering niet uitgewerkt, maar is bijzonder rustig aangewezen. De hoge roering van de volksvergadering waarop twee tegenovergestelde golven van geestesleven tegen elkaar opbruisen, is ons daarom door allerlei omstandigheden ontgaan. De spanning achter de besprekingen was er wèl. De atmosfeer had iets van een warme zomermiddag, waarop de wolken zich hier en daar samenpakken, maar ook weer verdampen. Rechter- en linkerzijde was niet gevormd. Men zat door elkaar en zeer dikwijls kende men z'n buurman niet. Op die wijze bleven betogingen gelukkig achterwege. Wat we gehoord hebben waren aparte stemmen die uit ons kerkelijk leven opklonken.
En wie heeft het nu gewonnen, vraagt de lezer. Wel natuurlijk iedereen. Lees de bladen maar. Mij dunkt, er ligt grote betekenis in het feit dat er een vrij algemene tevredenheid valt te constateren over een vergadering waarop niemand het gewonnen heeft. Waar geest tegen geest voor het godsdienstig-zedelijk oordeel moest worden gewogen. Dat is toch eigenlijk de kerkelijke weg, het beproeven der geesten.
En wanneer ook in een kerk die een aardse gemeenschap is deze maatstaf nog niet absoluut kan gelden, dan moet dit toch zeker voor onze Hervormde Kerk in meerdere mate geschieden dan velen willen toegeven. En niet geschieden als een afgedwongen misstand, maar ook geaccepteerd om des beginsels wille. Maar dan mag deze vergadering ook wel genoemd worden een reclame voor dit beginsel. Wanneer dr. Kromsigt enthousiast uitroept: 'Het Woord zal het doen',a dan legt hij daarmee de nadruk op die zijde van de geestelijke strijd waar dé formulierdwang gemeden blijft. Dat enthousiaste, geboren uit wat gezien werd op deze vergadering, veroordeelt de conclusies van Eringa en Van Grieken.3 Want laten we niet vergeten, wat gemakkelijk kan, dat het ging over de verscherping van de proponentsformule. Welnu, die kwestie is geheel in de schaduw gesteld door de grote vraag, wie zich wettig op het Woord Gods kan beroepen.
En zo hebben wij het merkwaardige schouwspel bijgewoond dat, terwijl men trachtte heen te werken naar een vastgestelde gedragslijn in de toekomst bij aanneming en examen, men een proeve heeft gegeven van een geheel andere gedragslijn op de vergadering zelf. Dat men daarbij van sommige zijden angstvallig zal waken voor de juridische grondslagen der vergadering en van een andere zijde met nadruk trachtte te handhaven dat men er als partijman zat, was begrijpelijk, maar deed toch wonderlijk aan. Dat alles riekt wederzijds zo spoedig naar sofisterij. Die onderscheidingen hebben het ook 16 april niet gedaan. Gelukkig sloeg als geheel genomen op deze vergadering het materiële, het Woord Gods in z'n ruimste zin genomen, dwars door de formele kwestie, de formulierkwestie heen. Het leven kwam flink door de juridische lijnen heen naar voren. We mogen zeggen: daar waren een paar duizend mensen en Gods Woord. Daarom maakte het geen aangename indruk telkens wanneer men deze doorslag hinderde met vragen naar de kwaliteit waarin en de grondslag waarop men daar zat.
Mijn indruk is dat de tevredenheid enerzijds en de ontevredenheid anderzijds over deze bijeenkomst niet hierin kunnen gezocht worden dat de verscherping van de proponentsformule zou zijn opgeschoven. Ik geloof dat eer het tegendeel het geval is geweest. Maar wel is er een proeve geleverd van de steun die de belijdenis van alle eeuwen aan een persoonlijk getuigenis geeft. Gevoeld is dat ons volk nog prijs stelt op de onvergankelijke waarden die in onze belijdenis worden geformuleerd. Zo de modernen al niet met stomheid geslagen zijn, zoals dr. Kromsigt schreefb - ik vrees dat daarin enige vergaderingvergoding schuilt, die bij een mogelijke herhaling voor de proef zou kunnen bezwijken -, zij hebben toch een kwade dag gehad.