Stichting dr. O. Noordmans
Verzamelde Werken Inhoud Jaren Bijbelregister Zoeken

Verzamelde Werken, deel 1, p. 440–442

Weergave
Passages naar Readwise sturen

Het manifest voor de Nederlandse Hervormde Kerk1

Onze lezers kennen het manifest. Het werd opgenomen in nr. 17 van dit blad. 16 mei jl. is de vergadering te Utrecht gehouden bedoeld om over dit stuk te handelen en het ter ondertekening in den lande rond te zenden. Als deelnemers waren opgeroepen predikanten, 'van welke richting dan ook'. De oproep ging uit van dr. Slotemaker de Bruine, dr. Van der Flier en anderen.2

In het manifest wordt gewezen op het belang van het voortbestaan der Hervormde Kerk, op de gevaren die de kerk bedreigen - als zodanig wordt genoemd de voorgestelde wijziging van art. 171,3 nu voorlopig op stal gezet -, op de hartstocht waarmee in gescheiden kringen op een nieuwe doleantie gehoopt wordt, op de scheldwoorden in het bijzonder in de laatste tijd door De Standaard naar de Hervormde Kerk geworpen, en anderzijds op het radicalisme van links dat alle overheidssteun aan de kerk zou willen afsnijden. Het manifest komt op voor het voortbestaan der Hervormde Kerk. Binnen die kerk zijn gewichtige vragen die om oplossing roepen, maar naar buiten roept het: handen thuis!

Van vrijzinnige zijde is op de oproep op verschillende wijze geantwoord. Het Weekblad voor Vrijzinnige Hervormden ontried de deelneming aan de vergadering. Voor men naar zulk een vergadering wilde opgaan, moest men eerst weten of er plaats zou blijven voor de vrijzinnigen, bijaldien de Hervormde Kerk zich in de toekomst in haar geheel mocht ontwikkelen. Dr. Niemeyer4 was niet gerust daaromtrent gezien de jongste uitingen ook van dr. Slotemaker de Bruine en sommige voorstellen tot wijziging van de proponentsformule bij de synode aanhangig.

Dr. Schokking ontried de deelneming aan de vergadering. Voor hem was de oproep van elke richting een bezwaar. Wie het over de kerk niet eens konden worden, moesten de politiek maar niet samen entameren.5

Druk is de vergadering niet bezocht. 60 à 70 personen hebben aan de oproep gehoor gegeven. Te verwonderen valt dit niet. Het is een nieuwe noot in ons kerkelijk leven. Velen zal het manifest hebben toegesproken. Maar het heeft iets van de hete brij waarin de poes wel trek heeft, maar er niet aan durft komen en er voorzichtig omheen loopt.

De modernen vertrouwen de zaak niet en zijn matig vertegenwoordigd geweest. Van confessionele zijde is de deelneming der modernen een hinderpaal. Van de zijde van de Gereformeerde Bond was men er natuurlijk niet, omdat men het tegengestelde wenst van wat het manifest beoogt.

De voorzitter heeft ter vergadering opgemerkt dat er belangrijke vragen waren die de vergadering niet bezig hielden: de kwestie van de belijdenis, van de reorganisatie en van het goed recht der vrijzinnigen. Het gewicht van die vragen wilde hij niet ontkennen, maar er was een vraag die aan deze vragen vooraf ging: of onze kerk zal blijven bestaan. Die vraag is voor hem geen theoretische, maar praktische vraag. Wordt ze opgelost, wat moet er dan van onze grote steden worden en van die kringen waar de kerkelijke banden nauwelijks meer worden gevoeld. De opstellers van het manifest zien de kerk niet als een leerstelling begrip, maar als een instrument, een werktuig, dat men zich niet uit handen wil laten nemen.

Met nadruk wensten zij te verklaren tegenover een bezadigd man als dr Bavinck die verklaarde dat de volkskerkgedachte in strijd is met het christelijk geweten, - met nadruk wensten zij te verklaren dat het geweten ons verbiedt de volkskerk te verlaten. Sedert Constantijn de Grote was de kerk het grote middel om het volk te winnen.

Niet zonder moeite werd de praktische politiek buiten deze vergadering gehouden. Politiek advies werd niet gegeven. Het manifest zal aan de kerkeraden en aan de bladen worden toegezonden. Handtekeningen zullen worden verzameld. We hebben hier dus te doen met een betoging. Een betoging voor de kerk als instrument, als werktuig om het volk te bereiken. Manifestanten onthouden zich van politieke uitspraken. Ze wensen publiekelijk uiting te geven aan hun liefde voor de Hervormde Kerk tegenover de haar bedreigende machten in en buiten de kerk. Niet tegen Rome wordt gemanifesteerd, maar tegen hen die zich afscheiden of de kerk willen oplossen. Ze willen niet dat hun arbeidsveld hun worde ontnomen, dwz. ook die scharen van ontwikkelden en onontwikkelden die zich nauwelijks hun behoren tot de kerk bewust zijn. En zij wensen in kwaliteit de toegang tot die kringen te behouden.

In liberale kringen is men teleurgesteld over het uitblijven van de politieke strekking. "Het gevaar van links", zo schrijft de Nieuwe Rotterdamsche Courant, "heeft men te Utrecht vrijwel laten rusten. Maar de vijand van rechts heeft men genoemd bij name. Het is een 'hij', een 'ille'. Een Simson, die men al dikwijls met touwen meent gebonden te hebben, maar die telkens weer die touwen verbreekt. Ook 'het garen draadje van het vast akkoord' zal bij weten te breken." En verder: "Pas is in het rijk der dieren de algemene vrede afgekondigd, of het regent weer klachten over de felle rover uit Maupertuis." "Maar waarom", vraagt het blad, "verzetten zij zich er met hand en tand tegen, dat er geprotesteerd zou worden tegen die hervormden, die in de politiek de listige vijand hand- en spandiensten verlenen? En waarom mocht Rome als vijand niet genoemd worden?"

Het blad maakt zich vrolijk over de goede lieden die zich met deze aangelegenheid bezighielden en schrijft: "Als straks Cuwaert de haas en Belijn de ram naar Maupertuis worden afgevaardigd om Reinaert het manifest te overhandigen, zal de felle rover hen zoetjes ontvangen en hij zal Belijn het antwoord in zijn reistas meegeven, doch als de afgevaardigde in de vergadering der dieren Reinaerts brief voor wil gaan lezen, zal het Cuwaerts afgebeten kop blijken te zijn. Inmiddels zal men op 't vossenkasteel 'den goeden vetten haze' al lang hebben opgesmuld."a

Vrolijkheid dus op de redactiebureaus der liberale pers. Deze vrolijkheid is echter zuurzoet. Men is teleurgesteld. Het liberalisme wenste de kerkelijke betoging voor haar bedoelingen te gebruiken. Nu dit niet meeviel, is het teleurgesteld.

Ons verblijdt het dat een politieke clausule niet werd ingelast. Zo bleef de toon zuiver. Een machtige beweging kon deze manifesterende vergadering niet genoemd worden. Maar ze had betekenis. Sneller dan wij misschien vermoeden nadert een nieuwe crisis onze kerk. Komen de modernen in 't nauw, dan zijn ze bereid de hand te reiken aan sommige rechtse groepen om de kerk op te lossen en boedelscheiding te houden. Dit is pas geleden door 't Weekblad voor Vrijzinnige Hervormden uitgesproken. Wordt de koorde van de proponentsformule aangehaald, dan zullen de modernen een noodsprong doen.

De confessionelen zullen goed doen zich thans spoedig te bedenken, of ze de methode van de formule voorgoed zullen willen laten varen, een methode die tot steeds terugkerende schisma's leidt. Daaraan ligt ten grondslag een kerkbegrip dat te eenzijdig dogmatisch is en daardoor met de werkelijkheid in te felle botsing komt. Dr. Kromsigt liet zich in de laatste tijd in een toon horen die er op scheen te duiden dat men in die richting wil gaan. Slagen we er niet in met ons kerkbegrip een zekere evolutie door te maken, dan zal de Hervormde Kerk opgelost worden. Ze zal dan breken onder aanwending van een te leerstelling kerkbegrip. Het is nu tijd dat men dat gaat inzien. Als propagandavergadering voor een kerkbegrip, waarbij een toekomst voor onze kerk kan zijn weggelegd, heeft de vergadering in Utrecht ongetwijfeld betekenis gehad. We hopen hierop in een volgend artikel nog terug te komen.

Voetnoten

  1. a

    In de NRC. van 16.5 en 17.5.1913 verscheen in de rubriek Kerknieuws een verslag in de vergadering van 16 mei. In dezelfde rubriek van de NRC. van 19.5.1913 verscheen het commentaar waaruit N. hier citeert.↩

Eindnoten

  1. 1

    .Het manifest voor de Nederlandse Hervormde Kerk verscheen in HZ. 6 (1913) nr. 21.↩

  2. 2

    Door J. R. Slotemaker de Bruine en A. van der Flier G. Jzn. werd, hiertoe gemachtigd door een aantal leden van de Nederlandsche Hervormde Predikanten Vereeniging, een oproep gedaan aan alle predikanten van de Nederlandse Hervormde Kerk, van welke richting ook, om bijeen te komen op een vergadering, op 16 mei 1913 te houden te Utrecht.

    Zij deden deze oproep "in de overtuiging, dat bij de ernstige gevaren, die de Nederlandse Hervormde Kerk zowel van staatkundige als van kerkelijke zijde bedreigen, allereerst een krachtige stem van uit haar midden moet worden gehoord."

    De tekst ook in de Nederlandse Kerkbode 20 (3.5.1913) nr. 5.↩

  3. 3

    Zie p. 387, noot 4.↩

  4. 4

    C. J. Niemeyer (1864-1932), hervormd predikant, vanaf 1899 te Bolsward. In 1904 richtte N. de Vereeniging van Vrijzinnige Hervormden op in Friesland; in 1906 kon deze Vereeniging al een landelijk verband vormen. In 1908 werd haar orgaan, het Weekblad voor Vrijzinnige Hervormden, onder hoofdredactie van N., opgericht.

    Als oplossing voor het richtingenvraagstuk zag N. het uiteengaan der richtingen met behoud van evenredige rechten op goederen en eigendom.↩

  5. 5

    J. Schokking schreef in De Gereformeerde Kerk 25 (8.5.1913) nr. 1283 een artikel onder de titel Een gewaagde oproeping. S. denkt, dat de vergadering i.p.v. een stem te doen horen tegen de gevaren "zelve gevaren zal doen ontstaan". Hij concludeert dan ook: "Neen of men het aangenaam vindt of niet, maar het ligt er eenmaal toe, dat de hervormde predikanten, 'van welke richting ook', niet de meest aangewezenen zijn om een eenstemmig advies te geven. Zij doen het niet inzake de kerk, maar kunnen het daarom ook evenmin doen op staatkundig gebied. Wie dit nuchtere feit voorbijziet, speelt gevaarlijk spel."↩

Verantwoording

Deze pagina is automatisch opgebouwd uit de OCR-tekst van het boek. Paginagrenzen zijn hersteld, afgebroken woorden samengevoegd en voet- en eindnoten aan hun verwijzing gekoppeld. Zet onder Weergave de correcties aan om de verbeterde OCR-fouten en de onzekere plaatsen (⚑) in de tekst te zien. De tekst is niet met het gedrukte boek vergeleken.

← Moderne theologenDeel 1De grootst gemene deler (en de daaropvolgende polemiek) →