Moderne theologen1
April is de maand, waarin onze predikantenwereld pleegt te vergaderen. Enkele grote predikantenvergaderingen vallen gewoonlijk in die maand.
Het is altijd van belang te beluisteren wat er leeft in de verschillende kringen. Met bijzondere belangstelling hebben we althans gelezen een verslag van de vergadering van 'Moderne theologen', gehouden 1 en 2 april te Amsterdam. En niet het minst hierom omdat uit dat verslag blijkt dat de tegenstelling tussen oudere en jongere modernen hoe langer hoe duidelijker zich begint af te tekenen. Aan de ene zijde een groep van modern-godsdienstigen die, als 't moest, de naam van christelijk zouden willen prijsgeven en aan de andere zijde een groep van vrijzinnig-christelijken waarvan er zijn die er rond voor uitkomen dat ze de naam modern niet kunnen horen uitspreken zonder een 'diepe tegenzin' ertegen te gevoelen.
Het hier aangegeven verschil- tekent de uitersten. Verreweg de meesten onder de modern-godsdienstigen stellen prijs op behoud van de naam 'christelijk'. Hun zou het smarten wanneer ze die naam moesten missen en zij gevoelen het als een belediging wanneer hun die naam wordt ontzegd. We zouden ook niemand willen raden om aan een ander die prijs op die naam stelt die naarti te ontzeggen. Bij sommige radicaal-moderne geesten ligt de laatste band in de naam 'christelijk'. Evenals Xerxes bevreesd was dat de brug over de Hellespont achter hem zou worden opgebroken wat hem de terugkeer naar zijn land onmogelijk zou maken, zo heeft de radicaal-moderne in vele gevallen nog een morele steun in de naam 'christelijk'.
Radicaal-modernen aan wie de naam christen in ruime zin genomen ontzegd zou mogen worden, zijn er trouwens weinigen. Bij de meesten werkt de traditie op allerlei wijze na. De bijbel zullen ze in de meeste gevallen als boek voor prediking en catechisatie niet ter zijde willen leggen en ze noemen zich gaarne geesteskinderen van Luther en Calvijn. In dit alles ligt een aanknopingspunt dat niet te versmaden valt.
Vroeg of laat moet dit echter tot een crisis leiden. Want anderzijds hebben de modernen al heel weinig hun schuldige eer aan de bijbel betaald en hem zonder al te groot harteleed van onze volksscholen zien wegnemen. En bij al hun waardering van historische namen als Paulus, Augustinus, Luther, wilden ze toch van de zonde en genade welke tegenstelling deze grote namen verbindt weinig weten. Bij al hun waardering van de bergrede en hun eerbied voor Jezus was het telkens ook weer, alsof buiten het christelijk terrein de waarheid desnoods ook wel te vinden was. Alsof er wel zo dan al geen naam, dan toch wel een formule of een gevoel te vinden zou zijn buiten de naam van Jezus waardoor wij zalig zouden kunnen worden. Zending vonden ze nu ja, wel goed, maar niet altijd zo absoluut noodzakelijk. De bijbel hadden ze lief, maar desnoods kon men hem missen. De kerk was nuttig, maar als 't moest niet onontbeerlijk.
Deze twee lijnen beginnen nu in het modernisme uiteen te lopen. Aan de ene zijde een stroming die zich wil noemen modern-godsdienstig. Enige tijd geleden schreef ds. De Leeuw een artikel waarin hij het met kracht voor deze naam opnam.2 Van een vrijzinnig-christelijk standpunt moest hij niets hebben. De halfheid, die daarin school en die op allerlei wijze uitkomt, wilde hij zo scherp mogelijk brandmerken. Wat dan dat 'modern-godsdienstig' betekent? Het bleek op de bovenbedoelde vergadering van moderne theologen dat het niet gemakkelijk viel het te zeggen. Velen der aanwezigen zijn zeker te dien opzichte teleurgesteld huiswaarts gekeerd. In een woord geloven we niet, dat thans nog in ons land ook maar één zuiver modern-godsdienstige gevonden wordt. De christelijke erfenis kan wel langzaam opgeteerd worden, maar heel spoedig gebeurt dat toch niet. Een geestelijke luchtvaart boven wat we als geestelijke erfenis van onze geestelijke voorouders gekregen hebben, valt niet mee. Spoedig, voor men het weet, staat men weer op de bodem. Maar wanneer de gedachte van ds. De Leeuw werkelijkheid werd, zou de prediking in onze kerk evengoed door een boeddhist en mohammedaan als door een christen kunnen plaatshebben. Het woord 'christelijk' heeft dan ook voor hem geen waarde. Het godsdienstig leven dat hem aantrekt, staat meer in verband met de natuur en het heelal dan met Jezus en de evangeliën. In elk geval zal hij menen dat iemand dat leven onder alle hemelstreken verwerven kan zonder dat het noodzakelijk is dat hij het door Jezus Christus ontvangt. Voor hen is het godsdienst van de moderne, de nieuwe mens, zoals die is van onze tijd, die los geworden is van de behoefte aan de onvervalste melk van de Schrift en de kerk en zelf z'n voedsel kan zoeken. Tegenover iemand als ds. De Leeuw staan de oude modernen zwak. Ze hebben hun geestelijke erfenis te lief om er zonder hartzeer over te horen spreken en toch hebben ze in hem te veel trekken van gelijkenis te erkennen om hem als hun geesteskind te kunnen verloochenen.
Daartegenover staat een groep van vrijzinnig-christelijken die op hun christen-naam de nadruk leggen en tegen de naam modern een zekere 'tegenzin' beginnen te voelen. Zij gevoelen voor hun eigen familie, voor hun geestelijke voorouders, voor de traditie, voor een geloofsleer.
"De godsdienst", aldus dr. Heering tegen de oudere modernen,a "de godsdienst werd te natuurlijk voorgesteld. Overal zag men eenheid: tussen het natuurlijke en het zedelijk-godsdienstige, tussen God en wereld, God en mens, God en zonde." Dr. Heering legt nadruk op 't feit van de zonde, waardoor de harmonie in de schepping verbroken is. Tegenover het natuurlijke, dat in het oude modernisme zo op de voorgrond trad, wil hij weer spreken van Gods bestaan boven en buiten het geschapene. Het Israëlitische element in de christelijke godsdienst wil hij behouden. Doch horen we dr. Heering zelf: "De erkenning van Gods genade - vervolgt spreker - wordt vaak slap, omdat de diepere betekenis van genade niet thuis hoort in het monisme, maar in de erkenning van de twee sferen, het geschapene en het ongeschapene, deze wereld en 't koninkrijk Gods. 'Genade' vertolkt het dalen van de laatste wereld in de eerste, de opheffing van de eerste tot de laatste. Deze opheffing en daling zijn niet 't gevolg van 's mensen krachtsinspanning, nòch 't eindpunt van zijn ontwikkeling, niet het middellijke werk van God door ons, maar het onmiddellijke werk van God aan ons. Dit is genade. In genade ligt ál ons heil: verlossing, wedergeboorte, eeuwig leven, vergiffenis, ervaring van Gods liefde. Alle verschillende belichtingen en benamingen van 't zelfde. Wij geloven in Gods liefde, omdat wij haar ervaren hebben. Dat wij haar ervaren hebben, wij zondige mensen, dat is Gods genade, daarvoor zijn wij Gods orgaan. Al wat ons belet een orgaan van God te zijn, is zonde. Het godsdienstige begrip 'zonde' houdt de zedelijke geboden en vormen in, maar heeft een heel eigen karakter. Het tegendeel van zonde in de godsdienst is dus niet 'deugd', maar God, hier 'het hoogste goed'. Alle streven, dat niet op dit hoogste goed gericht is, is zonde. De ongelovige kan dit niet zien, de christen kan dit niet anders zien. God heeft recht op onze volledige gehoorzaamheid, ons volledig vertrouwen, onze volledige dankbaarheid. Deze begeerte onszelf te handhaven tegenover God houdt ons gevangen totdat God haar breekt en 't levensbeginsel verlegt, zodat wij niet meer uit onszelf leven, maar uit God: dit is de bekering, de wedergeboorte, waarmee Gods koninkrijk voor ons open gaat en 't eeuwige leven in ons aanvangt. De christen liet het leven zich bewegen tussen deze twee polen: zonde en eeuwige leven. Er zijn voor hem maar twee levenswegen: de weg naar God toe en de weg van God af. Zij lopen in tegengestelde richting: ten leven en ten verderve.
Het eeuwige leven - zo besluit de spreker - is geen passief leven. De christen ziet het belichaamd in Christus, die de Daad, het Offer zelf is. Wij moeten ons bekeren, d.i. ons wenden tot God, maar het einde der bekering, het leven uit God, is Gods werk. Doch deze moet telkens voor de christen weer nieuw zijn bij alle verleiding der wereld."
Dit zijn nieuwe tonen uit een vergadering van moderne theologen. Dit is een vrijzinnig christendom dat hemelsbreed verschilt van moderne godsdienstigheid. ⚑Vooral de tegenstelling zonde en God tegenover zonde en deugd is in volle zin bijbels en doet ons denken aan Luthers uitgangspunt. Het is het uitgangspunt der Reformatie geweest.
We hebben met grote belangstelling van deze vergadering het verslag gelezen.