Stichting dr. O. Noordmans
Verzamelde Werken Inhoud Bijbelregister Zoeken

Verzamelde Werken, deel 1 · p. 240–252

Weergave

Het pragmatisme van William James1

Het is moeilijk om onder de geweldige donder der wereldgebeurtenissen z'n gedachten te bepalen bij een wetenschappelijk onderwerp. Gebeurtenissen als in België hebben plaatsgehad slaan een mens met een zekere ‘stupor’, bijwijlen apathie, waardoor allereerst de belangstelling in zuivere. theoretische vragen verslapt. Nog sterker, het gevoel bekruipt ons dat we iets verkeerds doen wanneer we ons naar abstracte gedachtenhoogten begeven terwijl op de vlakke velden hier beneden alles bloedt en weent. Misschien is het aan sommige wetenschappelijke genieën geoorloofd zich door niets te laten storen bij hun arbeid. Ik denk aan Pythagoras en z'n figuren te midden van een straatgevecht, of aan Goethe te midden van de Napoleontische oorlogen. De meer middelmatige mens voelt zulke rechten niet te bezitten. De tijdsomstandigheden leggen beslag op ons en wijzen onze aandacht op de praktijk van de dag. Het onderwerp van dit opstel is aan deze gedachtengang niet geheel vreemd. Het werd niet gekozen met het oog daarop. Maar het pragmatisme staat vijandig genoeg tegen blote abstracties om erover te durven lezen, ook nu intussen de wereldoorlog is uitgebroken.

William James2 haat abstracties. Hij citeert een voorbeeld van afkeer daarvan uit een geschrift van Morrison Swift.3 Hij betuigt daarmee z'n hartelijke instemming. Ik wil u dat voorbeeld mededelen om u en mijzelf te helpen het gevoel los te worden dat we ons hier komen vermaken met een gedachtenspelletje terwijl de wereld op dit ogenblik reverbereert van daden. Morrison Swift heeft het over Human submission. Hij zoekt naar materiaal voor z'n onderwerp. Hij vindt het om zich heen. Hij neemt op goed geluk een krant en leest bijv.: "Nadat hij door de sneeuw gewaad was van het ene einde van 'the city' naar het andere einde in de vergeefse hoop werk te zullen vinden en terwijl z'n vrouw en zes kinderen zonder brood waren en hun was aangezegd dat ze hun kamer boven in een huurkazerne in 'east-side' moesten verlaten omdat de huur niet betaald was, heeft John Corcoran, een klerk, vandaag zichzelf van 't leven beroofd door 'carbol-acid' te drinken. Drie weken geleden had Corcoran z'n positie door ziekte verloren en gedurende z'n ziekteweken verdwenen z'n spaarpenningen. Gisteren kreeg hij werk bij een troep sneeuwopruimers, maar hij was tengevolge van z'n ziekte te zwak en moest het na een uur opgeven. Toen begon hij weer de vermoeiende taak werk te zoeken. Geheel ontmoedigd keerde Corcoran gisteravond terug naar huis, vond z'n vrouw en kinderen zonder voedsel en het bericht van de huuropzegging op de deur. De volgende morgen dronk hij het vergif.”

Tegenover dit en dergelijke nieuwsberichten worden dan geciteerd traktaten van professoren in de filosofie en de theologie, handelende over 'De Wereldorde', 'Het Absolute'; over 'God', 'De Realiteit', 'De Liefde'. Het universum is rijker door alle dissonanten en de verscheidenheden die het in zich besluit, zegt prof. Bradley in Schijn en wezen.4 Hij bedoelt, zo commentarieert Swift, dat het universum er rijker om is, dat Corcoran op zo bittere wijze de smaak van het leven geproefd heeft.

Wanneer we deze aanhaling uit een Londens pamflet enige weken vroeger onder ogen gekregen hadden, zou ze ons gefrappeerd hebben. Ze doet het ook thans, maar minder om het geval zelf dan wel hierom dat onze nieuwsbladen ons thans volle bekers inschenken waar Swift een enkele droppel als alsem aan de lezer liet proeven.

Dat is Realiteit, roept Swift uit. Dat is het leven, wat deze mensen proeven. Niet dat, waartoe men komt als men over zulke dingen nadenkt, maar de ervaring van deze lieden zelf levert de notie van het bestaande en van de werkelijkheid. Voor de religie, roept Swift uit, zijn alle dingen bleek. Ze ziet de werkelijkheid niet.

James zou dit laatste niet willen onderschrijven. Hij houdt er echter van voorbeelden te nemen die z'n eigen houding of datgene wat hij wil laten zien in de helste kleuren vertonen. Dit voorbeeld moet ons doen zien hoe de empiristische gemoedsgesteldheid staat tegenover de rationalistische.

We willen na deze hartstochtelijke 'outcry' van een empirist tegen een rationalistische gedachtenhouding een kalmere passus zoeken om James' geesteshouding te belichten. James kreeg eens een opstelletje van een student in handen. Deze student beschreef op bijzonder pakkende wijze het onderscheid tussen wat hij zich dacht als filosofisch onderzoek naar het wezen der wereld en het reële leven. Het laatste was veelzijdig, verward. modderig, ellendig en ondoorzichtig. De filosofische wereld daarentegen waarin de professor u bracht, was eenvoudig, helder en nobel. Dáár geen tegenstrijdigheden. De architectuur van die wereld: klassiek. Het was een soort marmeren tempel, ver schitterend in het zonlicht op een heuvel.

Ik neem opzettelijk een paar citaten over uit James' Pragmatism, omdat ik op die wijze de methode der pragmatisten kan illustreren die ervan houden overal hun materiaal te verzamelen, uit brieven. dagboeken, door gesprekken, of ook wel door opzettelijk daartoe samengestelde vragenlijsten. Op die tegenstelling dan van onze student die professor James z'n thesis overhandigde legt het pragmatisme grote nadruk. Wanneer men de mensen mag verdelen: sentimentelen, die zich met hun zieleleven en denkwereld bevinden op de vluchtheuvel van religie en filosofie, met z'n marmeren tempel van schone, gepolijste gedachten, én de hardere zielen, die het wagen midden in de werkelijkheid te wonen, dan waren er van de laatste soort nooit zovelen als thans. De 'teren' en de 'taaien' noemt James deze beide klassen. James kan pakkende dingen zeggen. "De prins der duisternis kan een gentleman zijn. Men zegt, dat hij het is", aldus James. (En ik denk daarbij aan Smarten van Satan van Marie Corelli5). "Maar wat de God van aarde en hemel ook moge zijn, een gentleman zeker niet. Hij heeft zijn werk in het stof te doen." Deze laatste, ietwat 'derbe' uitlating wijst er ons reeds op dat het empirisme van James geen stofvergoding is. Trouwens, hij heeft een groot boek geschreven over Varieties of religieus experience dat zeer bekend geworden is.

De kwestie staat voor hem aldus. Onze tijd heeft een hartstocht voor de werkelijkheid. Zij heeft echter tevens grote behoefte aan godsdienst. Maar de feiten zijn zo machtig gaan spreken en godsdienstige kringen, de teren, hielden zich er zo hardnekkig vreemd aan. Toen zijn de taaien een vijandschap gaan voelen tegen de teren en een man als Haeckel6 scheldt de God van de teren voor 'een gasvormig werveldier'.' Daar zijn we weer op de negatieve pool aangekomen. Zo erg is het niet bij alle taaien. Maar elk voelt na zulk een blasfemie dat er iets zit - en geen kleinigheid ook. De taaien koesteren hun vijandschap ook niet voor hun plezier tegen de teren. De ligging der geesten in het empiristische kamp is niet aangenaam.

De romantische spontaniteit, zegt James, is verdwenen en de moed is weg. De visie op de dingen is materialistisch en neerdrukkend. Als met opeengeklemde tanden zeggen echter de werkelijkheidsmensen dat er met de feiten gerekend zál worden. Hier zal, zo meent James, het pragmatisme moeten helpen. Noch het pantheïsme onzer dagen, het hegelianisme, noch het theïsme dat een middenweg zoekt tussen de ideeënfilosofie en het evolutionisme, acht hij ertoe in staat. Het pragmatisme moet hulp brengen. Om dit te kunnen doen moet het dus in eik geval een soort empirisme zijn. Zo niet. dan zou het afgewezen worden. James beroept zich dan ook op de Engelse geest in de filosofie, op Locke, Mill, Hume.7 Het wil met de rug gekeerd staan naar echt Duitse apriori's, naar vooropgestelde principes, gestoten systemen, allerlei absoluutheden, oplossingen in woorden enz. En het wil het aangezicht keren naar het concrete, feiten, actie en macht. Niet uit de wortels zal men de boom kennen, maar uit de vruchten. Geen paradoxale theologie kan de pragmatist behagen, geen 'credo quia absurdum' of oreren à la Jonker8 of Kierkegaard, maar zakelijk, concreet wil hij de redenen kunnen aanwijzen waarom iets moet worden aangenomen en de utiliteit moet de proef op de som zijn. In dit verband moet men James horen uitpakken over de zogenaamde 'attributa quiescentia' die aan God worden toegeschreven (in z'n Varieties of religious experience). Een rekenmachine, zegt James, zou als men het woord 'God' erin deed u die eigenschappen als simplicitas, aseitas enz. aan de hand kunnen doen. In plaats van brood is het steen. Wat heb ik er meer of minder om, vraagt James, of God eenvoudig is of veelvoudig. Het enige wat James wil toegeven is, dat wanneer deze eigenschappen bijv. door Newman9 op plechtige wijze achter elkander worden opgenoemd of met gevoel afgeleid, dat dan een esthetisch genot ook hier aan een vrucht kan doen denken. We kunnen ons nu levendig voorstellen, hoe James zal moeten oordelen over allerlei achterbaksigheden uit de Duitse filosofie: 'Verbal solutions!'

Het pragmatisme vraagt: welk onderscheid maakt het of ik dit aanneem of dat? Daarop moet een duidelijk antwoord gegeven kunnen worden. Op zichzelf gelooft James niet dat men iets gewonnen heeft wanneer men zo gelukkig is de woorden God, kracht, stof, energie of welke oplossing dan ook in z'n bezit te hebben. Het is hem te doen om de 'cash-value', de geldswaarde, dat wat ik er mee kan, de invloed die het oefent op het geheel van de dingen en op mijn leven. Men moet niet te rustig worden door zulke woorden, alsof men de oplossing gevonden had. Zij moeten veeleer een program zijn. Theorieën worden op die wijze instrumenten, geen antwoorden op raadsels, waarop wij kunnen rusten. Iedere waarheidstheorie is een werkhypothese, een instrument. Schiller en Dewey,10 twee schrijvers die tot de coryfeeën van het pragmatisme behoren. zeggen: iedere idee, waarop ge rijden kunt, is waar. Het pragmatisme is dus een methode en kan samengaan met allerlei overtuiging. Het wordt vergeleken met de corridor in een hotel waarop allerlei kamers uitkomen. Waar is een idee, waaraan de wereld bij toeneming getuigenis geeft. Waarheid is niet een inherente eigenschap van een idee, maar zij overkomt een idee. Zij wordt waargemaakt door de uitkomst.

Deze en dergelijke uitspraken klinken ons zeker niet al te vreemd in onze oren. Aan een zeker relativisme ten opzichte van de vraag: 'Wat is waarheid?' zijn we reeds gewoon geraakt. Al te straffe woord-formulering der waarheid met miskenning van historie en psychologie telt in onze tijd niet zo heel veel verdedigers meer. Het komt hier echter aan op de mate waarmee en op de graad waarin deze dingen worden toegepast. We zullen dus zo ongeveer de plaats moeten bepalen in de scala der geesteshoudingen van onze tijd, waar het pragmatisme zich bevindt.

Pragmatisme is positivisme. Men moet dat woord dan echter goed verstaan en er geen materialisme van maken. Positivisme wil hier zeggen: afwijzing van transcendentie en doorvoering van het principe der immanentie. Laten we ons hier niet inspannen in dikke woorden, maar dadelijk wat precieser worden. Men kan positivisme niet beter formuleren dan op deze wijze: het is het zien van alle dingen in hetzelfde vlak. Men vraagt niet dadelijk: wat zit er achter? Men maakt geen verdiepingen in zijn gedachtengebouw, maar men neemt de dingen zoals ze zich aanbieden. Alleen coördineert men de dingen met elkaar en zoekt de wetten waardoor ze onderling verbonden zijn (Comte). Het positivisme is dus tevreden wanneer het weet in de fysica hoe de stof zich gedraagt zonder naar het wezen daarvan te vragen; in de zielkunde de psychologische wetten te kennen zonder zich te interesseren voor de vraag of de ziel een eenheid is; in de wereldbeschouwing wat de wereld brengt zonder naar God te vragen.

Dit is niet hetzelfde als materialisme, ofschoon Comte door hoofdzakelijk op de stoffelijke kant der wereld te letten aanleiding gegeven heeft tot deze opvatting van het woord 'positivisme'. Het echte positivisme neemt de dingen voor de hand weg ... en coördineert ze. Subordineren wil het niet. Ziehen11 is in deze zin een echte positivist. Hij vindt het even dwaas het ‘psychische' te ontkennen of ondergeschikt te maken aan de materie als de materie te ontkennen en ondergeschikt te maken aan het 'psychische'. Het zijn correlatie begrippen op de wijze van subject-object. Valt het éne, dan valt ook het andere. Ze staan naast elkaar en vertegenwoordigen twee delen van ons gezichtsveld. Materie is datgene wat er overblijft als we de secundaire begrippen, die we aan onze 'psyche' danken, afscheiden. Positivisten hebben meestal een voorliefde gehad voor de materie. Positivisten in evenwicht, als Ziehen, zijn er weinige.

En nu onze pragmatisten. Zij zijn positivisten met een voorliefde voor het psychische. Van hun kennistheorie zal men dat op de keper beschouwd niet mogen zeggen. Maar hun werkwijze geeft er wel recht toe. En de persoon van James allermeest. Op zichzelf beschouwd vindt James het vrij onverschillig of men de materie te hulp roept om het bestand der wereld te verklaren dan wel een geestelijk principe. Voorzover het haar bestand betreft: is de materie in staat geweest een zo schoon geheel tot stand te brengen, wel dan is de materie een fijne substantie. De naam doet er tenslotte niet toe. Dat de stof fijn is, wie zal het in onze dagen ontkennen? En als God de wereld Geschapen heeft, dan is de wereld toch onze maat voor de fijnheid van Gods scheppingskracht Achteruitziende vindt James dat het pragmatisme kan weigeren te kiezen omdat het resultaat gegeven is. Wat er dan achter dit resultaat schuilt. kan ons onverschillig zijn. Maar de methode der pragmatisten is juist de omgekeerde. De pragmatist ziet niet achterom, maar vooruit. Wat wordt er van de wereld, vraagt hij. 'Watchman, what of the night?' En dan moet het materialisme het ook bij James duchtig ontgelden. Wat er eigenlijk in het materialisme zit, dat is dit: het verklaart het hogere uit het lagere.

En hier hebben we een van de 'ziekten der geleerden' voor ons waarvan het stellen der diagnose mij altijd verheugt tot in het merg mijner beenderen. Ik sta erbij te schateren van plezier als James, wat hij noemt 'het medisch materialisme'. in het begin van Varieties of religious experience danig afstraft. De heren kennen dat medisch materialisme. Ik kan mij niet weerhouden James even aan het woord te laten, aldus: "Medisch materialisme schijnt inderdaad een goede naam te zijn voor het te onnozele gedachtensysteem. dat wij voor ons hebben. Medisch materialisme is klaar met Paulus als het z'n gezicht op de weg naar Damascus een gevolg van een belediging der schors der kleine hersenen genoemd heeft, na Paulus epilepticus genoemd te hebben. Het trekt de neus op voor de heilige Theresia als een hysterica: voor Franciscus van Assisi als een erfelijk belaste. George Fox's ontevredenheid over de veinzerij van z'n eeuw en z'n hartstocht voor geestelijke waarheid worden behandeld als een symptoom, samenhangend met een verdraaide wervelkolom. Carlyles orgeltonen van wee worden op rekening gesteld van een maagcatarre. Al zulke geestelijke overspanningen zijn eigenlijk auto-intoxicaties door klieren die de fysiologie nog eens zal ontdekken. Dan denkt het medisch materialisme dat de geestelijke autoriteit van zulke personen genoegzaam is ondermijnd."'

Misschien is het kinderachtig zich over zulke afstraffingen vrolijk te maken. Goed! We vragen dan maar weer in ernst met James: waarom houden we sommige gemoedstoestanden voor superieur? Doen we dat met het oog op haar lichamelijke antecedenten? Welnee! Het is omdat we er een onmiddellijke vreugde in scheppen of omdat ze ons goede vruchten voor het leven brengen. Wat weten we ervan? 103 graden of 104 graden Fahrenheit kan wel een betere temperatuur zijn voor het ontstaan van waarheid dan 97 of 98. Koortsachtige ideeën is niet de term waarmee we iets kunnen depreciëren. Het komt op de inhoud der idee aan en hoe ze werkt.

De vloek van het materialisme is dat het de wereld uit haar lagere beginselen verklaart. Dat is een heel goed voorbeeld van een pragmatische beschouwing ener zaak. Dat is het geschil in kwestie praktisch aanpakken. De werking van een theorie in ogenschouw nemen. Al was het maar alleen daarom. dan zou het z'n nut kunnen hebben wanneer het pragmatisme een tijdlang beslag op ons legde. Het materialisme, nu opgevat in de betekenis van een wereldverklaring uit de lagere delen der wereld, heeft zo veel op z'n geweten. Wetenschap heeft zo vaak de betekenis gekregen van 'science', exacte wetenschap. Ieder zullen dadelijk te binnen komen de verschillende methoden waarmee onze mannen van wetenschap zo gaarne de heerlijkste geestelijke verschijnselen tot de 'eerste beginselen der wereld'. de 'stoicheia', herleiden. Opheldering van het wezen van de godsdienst werd dan gezocht in het animisme en niet op de hoogtepunten der religie. Het christendom wordt een Babylonisch epos. Onze gehele Europese cultuur wordt teruggebracht tot het kinderlijke, voor-historische droomleven en wortelt in incestum. Men behoeft maar te noemen de namen van Delitzsch, Troeltsch, Freud12 om deze methode aan te wijzen.

Daartegenover betekent het pragmatisme een reactie. Een boek als Varieties of religious experience brengt onze tijd in aanraking met een eigenaardig soort materiaal voor wetenschappelijk onderzoek. Het ligt in de diepten der mystiek. Pragmatisten zijn positivisten, maar met een voorliefde om de nadruk te leggen op de tweede term van de correlatie materie-psyche. Niet zozeer omdat hun waarheidstheorie met zich meebrengt dat ze zich op de geestelijke wetenschappen zouden moeten werpen, maar bij wijze van reactie tegen het terugredeneren naar de lagere delen der wereld komen ze er als vanzelf toe de hogere verschijnselen te nemen. De pragmatist redeneert vooruit, niet achteruit. En de geestelijke hoogtepunten zijn kijktorens in de toekomst. "James' radicaal empirisme bedoelt tegenover het naturalisme het zelfstandig ervaringskarakter van ons hoger geestesleven te funderen", zegt prof. Van Dijk. Hier hebben we dus een eerlijk positivisme, naar de definitie van Comte zelf een coördinatie der verschijnselen. De hogere levenssymptomen hebben recht zichzelf te presenteren. De vraag is: wat is het Evangelie waard? Wat zijn de brieven van Paulus waard? Wat is de Europese cultuur waard? Niet: waar komt men als men haar antecedenten opzoekt? In de natuurwetenschappen komt het, zegt James, niemand in 't hoofd opinies te verwerpen omdat degene die ze voordraagt wat zenuwachtig is. Zo moet het ook bij religieuze personen en uitspraken. Geestelijk licht, overtuigingskracht en zedelijke kracht zijn de criteria.

Ik heb hierbij wat lang stil gestaan omdat deze dingen uit m'n hart gegrepen zijn en zo wonderlijk vaak over het hoofd gezien worden. Het is James' verdienste deze dingen in helder licht gezet te hebben. Maar vergeten we niet, James, of liever de pragmatist, blijft positivist.

Met de feiten zal gerekend worden, ook voor de geesteswetenschappen. De aarde, zegt James, is lang in de schaduw geworpen door de glorie van de opperste ether, maar herneemt haar rechten. Ook de hoogste waarheid, de waarheid van God, zal het tegen alle andere waarheden moeten kunnen opnemen.

En hier komen we tot de waarheidstheorie van James, de middenmoot, het centrum van het pragmatisme. Er is het vorige jaar een dissertatie over verschenen van Brugmans.13 James heeft er een afzonderlijk werk over geschreven, The meaning of truth. En in z'n Pragmatism staat daarover een mooi hoofdstuk.'

De logica van het pragmatisme is een logica der gevolgen, zoals het utilisme de ethiek der gevolgen is (Brugmans). Op de vraag: wat is waarheid?, antwoordt het: dat zal moeten blijken. Bij onze voorstelling vraagt het niet waar krijgen wij ze vandaan?, maar: waarheen leidt ze ons? Een voorstelling die tot een goed doel leidt, een goede levenshouding meebrengt, zal het pragmatisme geneigd zijn voor waar te houden. Wat waar is, moet de kracht in zich hebben ons tot nieuwe ervaringen te leiden.

Het pragmatisme heeft tegen de gangbare rationalistische opvatting van waarheid de volgende bezwaren: waarheid, zo verwijt James, is volgens de intellectualisten een rustende, statische verhouding. Wanneer ge een ware gedachte van iets hebt, dan is de zaak uit. Gij zijt in het bezit ervan en weet het. Ge zijt, waar ge wezen moet. Ge zijt in staat van evenwicht. Het rationalisme in alle vormen zoekt naar kenmerken waaraan de waarheid te herkennen is, bijv. de afkomst.

Het pragmatisme neemt de waarheid als een reden tot activiteit. Het beschouwt de waarheid veelmeer als een proces, een verificatieproces. Wanneer we kennis beschouwen als een beweging, een beweging van een terminus a quo tot een terminus ad quem, dan legt James op die terminus ad quem de nadruk. Ze is eigenlijk een relatie tussen twee dingen die naast elkaar liggen, hetzij in de materiële, hetzij in de zielswereld. Wanneer men van het bekende naar het onbekende op het pad is en men is op de goede weg. dan is men op het waarheidspad. Waarheid heeft dus in vele gevallen de betekenis van werkhypothese. Waarheid krijgt op deze wijze een bijzonder lenig karakter. In heel veel gevallen zal een bereikt punt slechts een doorgangspunt zijn om verder te komen. Op de richting komt het meer aan dan op het bereikte station. Het pragmatisme verschilt niet hierin van het rationalisme dat het voor waarheid een zekere overeenstemming met iets anders vraagt, maar hierin dat het die overeenstemming niet zoekt met wat achter het gegevene zou liggen en werkelijkheid heet, maar met datgene wat ernaast 'licht'. De idee als kandidaat voor waarheid komt als een vreemde eend in de bijt en moet met de anderen kunnen opschieten, of gaat er weer uit als onwaar. En verder wordt 'overeenkomen met' niet in de zin van een kopie opgevat, maar het wil zeggen dat een gedachte ons recht op iets aan doet lopen of in de buurt van iets brengt, in elk geval dat we er contact mee krijgen. Waarheid is volgens James een collectiefnaam voor verificatietoestanden, zoals gezondheid voor lichaamstoestanden. Waarheid, afgescheiden van onze ervaring, wanneer we iets zich waar zien maken, is niets anders dan dat een idee verifieerbaar is. Waarheid bestaat niet ante rem, maar in rebus. Waarheid is een expediënt van ons denken, zoals recht een expediënt van ons handelen is. En zo verwijt het pragmatisme aan het rationalisme dat het de waarheid maakt tot een zinledige, stilstaande, eeuwige notie in het gewoel dezer wereld. Eens verkregen, zou ik willen zeggen, wordt de waarheid tot haar vaderen vergaderd en bijgezet, dood en zonder met de toekomst in levend contact te staan. Daarentegen is dan de waarheid volgens James een hulp en een levende, beweeglijke, met de ervaring veranderende, zich daaraan aanpassende kracht.14

We willen onze beschrijving van het pragmatisme eindigen. Om volledig te zijn zouden we het nog moeten hebben over het humanisme der pragmatisten, dwz. het menselijk cachet dat aan leven en waarheid gegeven wordt en over James' godsdienstige standpunt. Dit laatste komt allicht nog ter sprake. Ik heb moeten kiezen tussen een typering en een beschrijving en heb het eerste gekozen. Volledig behoef ik daarom niet te zijn. Allicht zou ik dan te uitvoerig worden of in een dorre opsomming van meningen vervallen.

En nu mijn opmerkingen over het pragmatisme. Ten dele liggen ze reeds verscholen in het gerefereerde. Opzettelijk wil ik nog gaarne iets bijvoegen. Voor een bepaald, scherp belijnd oordeel ben ik niet gereed. Wanneer mij enige globaliteit vergund is, mag ik misschien enkele opmerkingen maken.

Scherp belijnd is het pragmatisme ook zelf niet. James dweept enigszins met globale oordelen,'on the whole', in’t algemeen, zoals hij het noemt. We mogen dan het pragmatisme met z'n eigen maatstaf meten. De dissertatie van Brugmans gaat er met een goed geslepen filosofisch mes op in en zal daardoor soms onbillijk zijn. Prof. Van Dijk oordeelt meer vaderlijk globaal en heeft ook ernstige bezwaren. Intussen heeft prof. Van Dijk met zijn uitdrukkingen als: 'iets wat ik zou willen noemen', 'komen in de buurt van dit of dat' en dergelijke voor hem eigenaardige uitdrukkingen zelf een slag van het pragmatisme beet, al is hij ook geheel zelfstandig.

Het pragmatisme is een soort geestesstroom gevormd door allerlei beekjes die tezamen deze richting hebben gevormd onder een eigen naam. ⚑Om enkele dingen te noemen:

1. De studie van het onderbewuste in ons persoonlijk leven leidt tot verzwakking van rationalistische tendensen en vernauwing der grenzen van de begrippen. Men ziet daar meer alles in wording. Combinaties voltrekken zich buiten de wil om.

2. Het jarenlange slachten van de schoonste geestelijke verschijnselen met het ontleedmes der historische en psychologische kritiek gaat ons geslacht tegenstaan. Men gaat vragen: wat heb ik eraan? Werkt het goed? Heeft het een goede invloed? Imponeert het? Laat 't dan staan! Hands off!

Ook verdriet wel eens het gewichtige snuffelen in de diepten (laten we zeggen: van het woordenboek) naar uitdrukkingen als het absolute, het onbewuste, stof, kracht, energie, waarmee alles verklaard moet heten. Laat de dingen in hun kleur en fleur, roepen we en roep ons niet tot een nederdaling in de Hades der bleke begrippen. 'Tagesansicht', geen 'Nachtansicht'!

4. De eeuwige gelijkhebbers hangen ons ook de keel uit, de schijfschieters op de stilstaande schijf der waarheid. De mensen van twee keer twee is vier. Dat is geen kunst, zeggen we. Ge moet de bewegelijke schijf raken.

5. Het materialisme vergalt ons het leven. De eeuwige belangstelling van openbare schoolmeesters in elektriciteit en draadloze telegrafie. De stof-cultuur onzer dagen. Positivisme zeggen we? Best, maar dan het echte! Dan moeten we niet de lagere helft, maar bovenal de hogere helft van de toonladder der schepping in onze belangstelling nemen. Dat dit verzuimd is, verklaart dat de kijk op het leven gedrukt is. En daarom worden thans weer de mystieken en religieuzen oelezen.

6. Is de theologie een goddelijke of een menselijke wetenschap? Een goddelijke wetenschap zei mij een lid van de Gereformeerde Bond. Een menselijke wetenschap zei ik. Alle studeren, zei A. weer, brengt ons toch nooit verder dan de traditie. Het is geen verloren werk, zegt B. weer. Een zekere beweging in de waarheid die mensen daarin brengen, moet ge toegeven. Daar hebt ge het humanisme der pragmatisten.

7. Allermeest geldt dit de richting die we in het begin behandeld hebben, het empirisme. Steeds dieper schijnt zich de geestesstroom te bedden in de werkelijkheid. Minder dan in Augustinus' dagen wil de vrome zich uit de wereld terugtrekken.

8. Eindelijk vertoont het pragmatisme z'n Amerikaanse kleur. Heeft reeds de Engelse filosofie haar eigen utilistisch pragmatisch karakter, het Amerikaanse pragmatisme vertoont, maar nu breder, dezelfde trekken.

9. Het komt er echter tenslotte op aan hoe de verschillende factoren, die meegewerkt hebben tot het ontstaan van het pragmatisme, tot een geheel zullen versmelten.

Men kan James in vele opzichten gelijk geven zonder nog te sympathiseren met de ligging van z'n geest, als resultaat van de invloeden die op hem gewerkt hebben. En dit is, wat mij betreft, inderdaad het geval.

Voor mijn gevoel maakt James de banden der wereld te los. Hij heeft een boek geschreven, A pluralistic universe, dat ik niet heb gelezen, maar waarvan ik mij de hoofdinhoud kan denken na de lectuur van z'n Pragmatism. James spot met het monisme. Dat getal één, roept hij uit, wat heeft dat een aantrekkingskracht voor de mensen! Waarom moet de wereld nu juist één zijn? Drie en zeven zijn toch ook mooie en heilige getallen?

Hier ziet onze filosoof dingen over het hoofd. Wat dat precies is. daarvoor moet men tijd hebben om het te zoeken en te formuleren, maar we voelen het direct. Overigens ben ik met een kritiek op een vooropgezet monisme wel ingenomen. De greep kan te sterk zijn, zodat de diepste kloven die de schepping vertoont worden weggeknepen.

Maar James' greep is mij te slap als hij de eenheid eigenlijk wil beperken tot eenheid van groepen en verschijnselen. James is in dat opzicht ook niet consequent. Hij laat de mystiek de eenheid beleven en moet ze dus als positivist eigenlijk ook poneren. Eigenaardig, dat het bijbelse dualisme hier juist uitgeschakeld wordt. De filosofie slingert daar altijd omheen en slaat rechts of links uit.

Dan, en dit zeg ik in aansluiting aan het vorige, komt het mij voor dat de religieuze ader die James opent een andere is dan die over Paulus, Luther en Augustinus loopt. Varieties of religious experience zoeken overal materiaal, maar toch het meest bij mystieken en methodisten. Gemoedsbeweging en vertrekking van zinnen moeten hier, zo heet het, een duidelijk materiaal leveren. We zijn positivist. niet waar? Maar dan heb ik juist weer het gevoel dat we naast het zuiver zedelijk-religieuze, het bijbelse, het protestantse zijn gekomen. Het zijn de sterkste gevallen, zegt James. Het zijn dezelfde soort citaten waarmee bijv. Van Senden15 werkt. En daar mist men juist dat evenwicht dat het kenmerk is van het protestantse christendom waarbij de empirische methode zo moeilijk is toe te passen. De positivist moet die voorbeelden wel bij voorkeur nemen. Hij wil niet vragen naar de metafysische achtergrond - en daarop komt het juist bij het geestelijk leven in evenwicht aan. Daar moet het straalpunt gezocht dat het geheel verlicht. Wenst men dit niet te zoeken, dan is men gedwongen de aanraking van het oneindige en het eindige daar te zoeken waar ze elkaar aanraken op een gedeelte en een buitengewone ervaring kan worden beschreven en bestudeerd. De filosofie heeft het gemakkelijker met het roomse leven dan met het bijbelse.

James' positivisme wordt niet streng volgehouden. Hij valt door de mand en is erover hard gevallen door andere pragmatisten. James' moeder zal daaraan schuld gehad hebben. Hij koestert wat hij noemt een 'overbelief', wat eigenlijk buiten de streep valt. Hij stelt de mogelijkheid dat God in het onderbewuste kan werken. Maar dat mag hij eigenlijk als pragmatist niet toegeven. Het pragmatisme, positivist ook in geestelijke verschijnselen, vraagt niet wat erachter steekt, maar voelt de stroom der ervaringen in de lengte en de breedte. Het kan de godsidee wel opnemen, maar niet als oorzaak van de verschijnselen, wel als inhoud van het geloof.

In zulk een wereld zonder achtergrond en diepte bevinden we ons echter in werkelijkheid niet. We kunnen wel wat dikke woorden missen, vooral Duitse, waarin we over de duidelijke voorgrond der dingen in de schaduwen gewezen worden. Maar wanneer daarvoor in ruil een voorzichtigheid moet komen als van het pragmatisme dan noem ik dat methodeaanbidding. De wereld is geen pannekoek, maar heeft hoogte, breedte en ook diepte, zegt Paulus (Ef. 3 : 18). Ook dit verlengde positivisme is te plat. Wanneer ik het in 't midden moet laten of achter de zielkundige verschijnselen de ziel als eenheid gedacht moet worden of als veelheid, wanneer een soort veelgodendom tot de mogelijkheden gerekend wordt, dan heeft men niet genoeg gevoel voor de waarde van de rechte speculatieve ideeën.16 Het leven verliest dan zijn rechte spanning en ligt vleugellam.

De oorzaak hiervan is, naar mij voorkomt, dat hoezeer ook het pragmatisme opkomt tegen het verklaren der wereld uit haar lagere delen en als zodanig het materialisme verwerpt het toch de materialistische zuurdesem niet heeft uitgezuiverd. Het is niet toevallig dat positivisme dikwijls synoniem genomen wordt met materialisme. Positivisme is inderdaad in de exacte wetenschappen een vruchtbare methode. We kunnen daar zonder te grote schade verwaarlozen te vragen naar wat er achter steekt als we de relaties in de stof slechts kennen. De magie interesseert ons weinig. Wanneer het pragmatisme deze methode nu eenvoudig verlengt naar de psychische zi.ide van het bestaande dan bewijst het meer eer aan de materialistische methode dan geoorloofd is. Op de psychische zijde komen de vragen: wat steekt erachter?, als onafwijsbaar naar de voorgrond.

Zo heb ik ook mijn bezwaren tegen de waarheidstheorie van James. Ook hier is alles mij te vlottend geworden. Brugmans heeft heel goed aangewezen dat James eigenlijk het statische waarheidsbegrip veronderstelt zonder het zelf te weten.

Er is wel zoiets dat James wil formuleren als waarheid. Zijn uiteenzettingen zijn soms bijzonder overtuigend. Overigens kan men bij onze schrandere Land17 ook reeds dergelijke betogen lezen. Maar het pragmatisme zet alles op zo losse schroeven dat de gehele vraag naar waarheid z'n betekenis verliest.

De waarheid heeft een sterker klem op ons dan James wil toegeven. Wanneer James waarheid onder het goede subsumeert dan is dat een kapitale fout. Wat nuttig, goed, heilzaam voor ons is, is bovendien niet zo huishoudelijk uit te maken als deze Yankee het voorstelt. En of een idee 'werkt' of dood is, kan een moeilijke vraag zijn. Eén der Arnaulds18 ging in een klooster. Hij gaf een schitterende advocatenpraktijk op. Hij weigerde rekenschap te geven van dit besluit. Deze keuze was, zoals hij het uitdrukte. 'bonne en soi même'. Wat zou James met zulk een uiting aanvangen?

Er zijn woorden, ideeën, feiten die over het leven lichten als sterren. Ze staan niet geheel stil. Maar ze zijn toch niet zo onrustig als James ons wil doen geloven. Ze hebben een absolute en een immanente beweging die wij in heel veel gevallen veilig kunnen verwaarlozen. Er zijn speculatieve gedachten die wij moeten denken. Ik denk aan Schleiermacher die op z'n sterfbed de hoogste speculatieve gedachten moest denken. Waren het misschien vleugels waarmee de moede ziel opvloog tot God? Men moet de ziel niet kortwieken.

Het pragmatisme overdrijft de tendensen waaraan het z'n loop te danken heeft. Het is te radicaal en heeft daardoor soms ietwat de manieren van een parvenu. Het zegt soms gewone en oude welbekende waarheden alsof ze nieuw waren.

Als werkhypothese kan het misschien nuttig werk doen. Waarheid in de engere zin, nu niet in pragmatische, maar in de ouderwetse, meer degelijke, statische zin van het woord kan ik als theorie er van mijn kant niet aan toekennen.

Eindnoten

  1. 1

    Vermoedelijk hield N. deze lezing in de kring rond Is. van Dijk niet lang na de Duitse inval in België in augustus 1914. Vgl. p. 238, noot 1. De lezing is in manuscript bewaard gebleven.↩

  2. 2

    W. James (1842-1910), Amerikaans filosoof en psycholoog. vanaf 1872 hoogleraar aan Harvard University. J. is bekend geworden als grondlegger en verbreider van het pragmatisme. Het pragmatisme staat een methode voor die ter wille van het praktisch handelen naar een oplossing zoekt van de waarheidsvraag. Wáár is wat pragmatische betekenis heeft. Daarbij valt grote nadruk op ervaring en experiment. ook op het meer gespecialiseerde gebied van de godsdienstpsychologie, waarvoor J. bijzondere aandacht had.↩

  3. 3

    James haalt in Pragmatism, p. 28 vv.. een werk aan van Morrison 1. Swift, getiteld Human submission, Philadelphia 1905, en prijst deze anarchistische schrijver vanwege diens hekeling van het opgang makende idealistische optimisme.↩

  4. 4

    F.H. Bridley (1846-1924). Engels filosoof. Onder invloed van Hegel en de logica van Lotze en Sigwirt ontwikkelde B. een idealisme van eigen stempel dat vooral de nadruk legt op de tekortkomingen van het denken in categorieën als eigenschap, relatie, substantie, oorzaak, tijd en ruimte, subject en object. Hoewel met behulp van deze kenmiddelen een gedeeltelijke waarheid kan worden bereikt die wellicht voldoende is voor praktische doeleinden, is de absolute werkelijkheid als ongebroken eenheid slechts toegankelijk voor een ander kenvermogen dat meer verwant is met het artistieke schouwen dan niet het discursieve redeneren. B.s hoofdwerk is Appearance and reality (Londen 1893, 18972). (Naar G. Nuchelmans in de Grote Winkler Prins 4, 448).↩

  5. 5

    M. Corelli (1855-1924). Engels romanschrijfster. Zij werd zeer populair door romans als Sorrows of Satan (1895). Ook in Nederland werd C. veel gelezen.↩

  6. 6

    E. Haeckel (1834-1919), Duits filosoof en zoöloog. vanaf 1862 hoogleraar te Jena. Hij was een aanhanger van Darwin. Op grond van de vooronderstelling dat alle natuurwetten tot één grondwet zijn te herleiden, nl. de wet van het behoud van de wereldsubstantie. kwam H. tot een monistische wereldvisie. Deze 'Substanz' als grondslag van al het zijnde heeft twee complementaire zijden, de materiële en de psychische, zodat H.s monisme evenzeer materialistisch als spiritualistisch kan worden opgevat. Zijn opvattingen werden verbreid door de in 1906 gestichte Deutscher Monistenbund.↩

  7. 7

    John Locke (1632-1704). Engels filosoof. John Stuart Mill (1806-1873). Engels filosoof en econoom. David Hume (1711-1776), Schots filosoof en historicus. Alle drie vertegenwoordigen op hun wijze een empiristische rilosofie.↩

  8. 8

    A. J. T. Jonker (1851-1928), hervormd predikant. van 1905 tot 1909 hoogleraar te Groningen. Hij wordt evenals zijn broer G.J.A. Jonker (1864-1924). die ook hervormd predikant was, gerekend tot de ethische richting. Beiden stonden sterk onder de invloed van Kierkegaard en behoorden tot de eersten die deze kritische, in paradoxen schrijvende denker in Nederland bekendmaakten.↩

  9. 9

    J. H. Newman (1801-1890). Brits theoloog. N. was eerst anglicaan, maar kwam via de Oxfordbeweging tot het rooms-katholicisme (1845). Hij werd in 1847 tot priester gewijd, in 1879 tot kardinaal.↩

  10. 10

    F. C. S. Schiller (1864-1937). Brits wijsgeer. Hij was sterk door James beïnvloed. S. ontwierp een relativistische waarheidstheorie, volgens welke slechts die menselijke ervaringen, die nuttige gevolgen hebben. waar zijn. Op basis van persoonlijke, menselijke ervaringen wilde hij de werkelijkheid verklaren. Zelf duidde S. zijn theorie aan als 'humanisme'.

    J. Dewey (1859-1952), Amerikaans filosoof en pedagoog. eveneens sterk beïnvloed door het pragmatisme van James, D. vat de mens op als wisselwerking tussen organisme en omgeving, waarin het denken functioneert als instrument met behulp waarvan de mens zich aanpast. Vandaar dat D.s denken wel als 'instrumentalisme' wordt aangeduid.↩

  11. 11

    Th. Ziehen (1862-1950). Duits filosoof en psycholoog, o.a. hoogleraar in de psvchologie te Utrecht (1900-1903). Z. is vooral bekend om zijn verder ontwikkelen van de positivistische kennistheorie.↩

  12. 12

    F. Delitzsch (1850-1922), assyrioloog, vanaf 1899 hoogleraar te Berlijn. Behalve als assyrioloog werd hij bekend door zijn drie voordrachten over Babel tand Bibel (zie p. 76, noot 27).

    S.Freud (1856-1939). Oostenrijkse psychiater, grondlegger van de psychoanalyse.↩

  13. 13

    H. J. F. W. Brugmans (1884-1961). Nederlands psycholoog, vanaf 1928 hoogleraar te Groningen in o.a. psychologie en pedagogie. B. promoveerde in 1913 te Groningen op de dissertatie De waarheidstheorie van Willianm James. Een samenvatting en beoordeling. Groningen 1913. B. was een leerling van G. Heymans.↩

  14. 14

    Terzijde: Berkelev over de stof.↩

  15. 15

    G. H. van Senden (1884-1968). Hij was eerst hervormd predikant. maar trad in 1917 uit zijn ambt. Als links-vrijzinnig theoloog ontwikkelde hij zich tot religieus monist. Van S. was actief in de Woodbrooke-beweging.↩

  16. 16

    Terzijde: Speculatieve ideeën van Schleiermacher.↩

  17. 17

    J. P. N. Land (1834-1897). Nederlands filosoof en oriëntalist, vanaf 1864 hoogleraar te Amsterdam, vanaf 1872 te Leiden. Als filosoof bestreed hij aanvankelijk de empirische school van Opzoomer vanuit een min of meer kantiaans criticisnie, nl. vanuit de aanname op psychologische gronden van zekere apriorische elementen in de kennis. In zijn Inleiding tot de wijsbegeerte, 's-Gravenhage 1889, had hij evenwel elk apriorisme opgegeven ten gunste van een wending naar een realistische kennistheorie.↩

  18. 18

    Antoine Arnauld (1612-1694), Frans advocaat. ging onder invloed van Saint-Cyran over naar de theologie. Hij werd bekend door zijn kritiek in De la fréquente communion (1643) op de jezuïtische boetepraktijk en cultus. Zijn opname in de Sorbonne, die na dit werk geschiedde, werd weer ongedaan gemaakt vanwege zijn verzet tegen de veroordeling van Cornelius Jansenius' Augustinus. Hierop trok A. zich terug in Port-Royal (1656).↩

Verantwoording

Deze pagina is automatisch opgebouwd uit de OCR-tekst van het boek. Paginagrenzen zijn hersteld, afgebroken woorden samengevoegd en voet- en eindnoten aan hun verwijzing gekoppeld. Zet onder Weergave de correcties aan om de verbeterde OCR-fouten en de onzekere plaatsen (⚑) in de tekst te zien. De tekst is niet met het gedrukte boek vergeleken.

← Het leven in de zondeInhoudRené Descartes en zijn invloed op onze cultuur →