Stichting dr. O. Noordmans
Verzamelde Werken Inhoud Bijbelregister Zoeken

Verzamelde Werken, deel 1 · p. 17–26

Weergave

Intreepreek Idsegahuizen1

Het is een bekende zaak dat het volkskarakter op de taal die er gesproken wordt invloed uitoefent. Maar niet alleen tussen de klank der woorden en de aard der volkeren bestaat verband, ook de gehele wijze van zich uitdrukken geeft te denken. Zo bedienen de bewoners van het Verre Oosten zich veel meer dan wij, westerlingen, van beeldspraak. Gij kent de taal van Israëls profeten waarin telkens en telkens een beeld gebruikt wordt en waarin gehele hoofdstukken in zinnebeeldige vorm zijn gegeven. Gij herinnert u het drieënvijftigste hoofdstuk van Jesaja, waar de lijdende knecht Gods met een lam wordt vergeleken dat ter slachting gaat. Ge denkt hierbij aan het elfde hoofdstuk van deze profetieën, waar de komende Messias een rijsje wordt genoemd opschietende uit de afgehouwen tronk van Isaï. Wij zouden talloze voorbeelden hiervan kunnen geven. Maar ook Jezus heeft zich zeer dikwijls van zinnebeeldige taal bediend. De gelijkenissen door hem gesproken zijn zeer talrijk. Meestal wordt daarin duidelijk gemaakt de aard van het koninkrijk Gods en wat daarmee in verband staat. Het is bij een van deze gelijkenissen dat we uw aandacht willen bepalen. Ge leest onze tekstwoorden in Matth. 13 : 3-9.

Wanneer we in het kort de bedoeling, de strekking van deze gelijkenis moeten weergeven, zouden we zeggen dat Jezus hier tekent de verschillende gang die het Evangelie van het koninkrijk Gods bij verschillende hoorders neemt. De gelijkenis zelf is eenvoudig. Ons wordt getekend een landbouwer die uitgaat om zaad te zaaien in zijn akker. Het zaad, dat uitgestrooid wordt, vindt echter niet overal een even goede bodem. Het zaad is wel goed en de zaaier is wel dezelfde, maar de bodem is niet overal gelijk. Het verschil dat bij het opgroeien merkbaar wordt, ligt dus in de gesteldheid van de grond. En al het gewicht valt dus in dit verhaal op dit verschil. Hierdoor worden verschillende mensengroepen aangewezen. Wij zullen dus bij de behandeling van onze tekstwoorden op de vier verschillende groepen ons hier getekend het oog vestigen.

"En als hij zaaide" viel een deel van het zaad bij de weg; en de vogelen kwamen en aten dat op." En als Jezus later deze woorden aan de discipelen verklaart, zegt hij: "Als iemand dat Woord des Koninkrijks hoort, en niet verstaat, zo komt de boze, en rukt weg, hetgeen in zijn hart gezaaid was; deze is degene, die bij de weg bezaaid is" (Matth. 13 : 19). Letten we er wel op dat er niet gezegd wordt dat de aarde waarop dit zaad valt slecht is, maar het is een pad. Ze is hard getreden en neemt het zaad niet op; het blijft liggen tot de vogelen komen en het wegpikken. De toestand van degenen die ons hier geschilderd worden, kunnen we gerust verschrikkelijk noemen. Ze zijn mensen met eenzelfde hart als de anderen, met dezelfde behoeften, met dezelfde zielsnoden, evenals het pad van dezelfde aarde is als de akker waarlangs het loopt. Ook hen heeft God tot zijn dienst geschapen. Ook hen heeft Hij een hart geformeerd, opdat ze Hem zouden vrezen en in gemeenschap met Hem hun geluk zouden vinden. Maar ze zijn vastgetrapt. Ze zijn hard geworden. Jezus zegt dat ze het woord des Koninkrijks niet verstaan. Er is geen aanraking tussen hun zielen en het Evangelie. Het Evangelie spreekt hun van liefde. Hun hart is vijandschap tegen God. Het Evangelie spreekt hun van zelfverloochening. Zij kennen geen andere begeerte dan zichzelf te bevoordelen. Het Evangelie predikt hun vergeving van zonden. Zij menen zichzelf rijk en verrijkt en gevoelen geen schuld. Het Evangelie vraagt overgave. Hun hart is gesloten en als met grendelen voorzien. Het Evangelie eist het ingaan in de dood om te komen tot de wederopstanding en het leven. Zij hangen aan het leven met al de kracht die in hen is en verstaan er niets van als Jezus zegt: 'Wie zijn leven zal willen verliezen, die zal het vinden' (vgl. Matth. 16 : 25). Evenals de Joden en de heidenen waarvan Paulus spreekt, is het Evangelie hun een ergernis en een dwaasheid (vgl. 1 Kor. 1 : 23). En toch komt het woord ook tot hen. Ook op het pad waarvan de gelijkenis spreekt, valt een deel van het zaad. Maar het blijft daar liggen en de vogelen des hemels komen en pikken dat op. Ook zij wier harten gans ontoebereid zijn, zitten onder de prediking des woords en horen de boodschap des heils. Zij dulden dat het zaad op hen gestrooid wordt en het is niet gezegd dat ze het minst toeluisteren. Misschien zullen ze door opmerkzaamheid bij de anderen volstrekt niet achterstaan. Misschien zullen ze de gedachten schoon en goed vinden en er hun instemming mee betuigen. Maar het dringt niet in hun hart. Het gaat hun voorbij. Het raakt hen niet, ze zijn koud en dulden - evenals het voetpad in de gelijkenis - dat het woord met hen in aanraking komt, maar vergeten het ook straks weer even snel.

Deze toestand van ongevoeligheid, van niet te verstaan zelfs de woorden van het Koninkrijk der hemelen, vindt ge die ook niet met mij de verschrikkelijkste toestand waarin zich de mens kan bevinden. En ge weet het, wij weten het allen, dat waar Jezus deze mensen schildert, hij een diepe greep in het leven doet. Dit zijn geen denkbeeldige mensen die alleen maar in onze verbeelding zouden bestaan. Zo leven duizenden en nog eens duizenden en wie geen vreemdeling is in eigen hart weet hoe menigmaal ook zijn hart zulk een pad geweest is (en nog is) waarop de zaadkorrels terugspringen. Wij behoeven niet in de eerste plaats naar anderen te zien wanneer Jezus ons de toestanden van het hart tekent, maar hebben allereerst de hand in eigen boezem te steken. En waar we mensen kennen waarvan we weten dat ze het Evangelie niet verstaan, waarvan we weten dat ze onontvankelijk zijn voor de liefde Gods, daar hebben we ons af te vragen of ook door onze schuld dit pad is vastgetrapt, dit hart is verhard en onvatbaar geworden voor de hoogste liefde.

In Azië wonen miljoenen mensen die de godsdienst van Boeddha belijden. Onder de eigenaardige begrippen die ze hebben, hoort ook die dat ze geen enkel levend wezen willen doden en er uiterst bang voor zijn ook het kleinste diertje van het leven te beroven. Om dit te voorkomen worden voorzorgsmaatregelen genomen die ons, aan hun begrippen geheel vreemd, bespottelijk moeten voorkomen. Maar toch spreekt uit deze voorzorgen een aandoenlijke eerbied voor de schepping Gods, voor het leven dat ook in het kleinste wezen beeft. Hoe veel te meer moet ons niet het gewicht van een mensenziel op het hart wegen. Het is een verschrikkelijke gedachte en wanneer ze in al haar kracht gevoeld wordt genoegzaam om een leven in berouw en smart te doen kwijnen, deze gedachte een mensenziel te hebben vertreden, daarvan een pad te hebben gemaakt waarover men henengaat en haar daardoor misschien voor altijd van God te hebben vervreemd.

Zo ook heeft de maatschappij, de menselijke gemeenschap, de roeping toe te zien dat ze niet een deel van haar leden vertrapt en tot een pad maakt. Wie wel eens iets gelezen heeft van de ellende die geleden wordt in de grote steden rilt bij de gedachte wat wel dat gedeelte van de mensen van God en godsdienst moet denken. Dat deel, zeg ik, dat de bekende Engelsman Booth2 het verdronken tiende deel noemt, dat in de wieling der mensenwateren als in een draaikolk naar beneden wordt getrokken. Hoe zal daar het woord Gods ingang vinden, waar in ellende en vervuiling en verdierlijking het leven tot een hel wordt! Hier ligt een zware verantwoordelijkheid die lang niet altijd diep genoeg wordt gevoeld.

Maar bovenal en in de eerste plaats zij een ieder eerlijk met zichzelf en zie toe of ook zijn hart soms onder het beeld van de gelijkenis valt. En hier baat het niet de verantwoordelijkheid van zichzelf af te schuiven. Wat ook een ander ons aandoe, wij blijven verantwoordelijk voor wat er van ons wordt. Indien wij toelaten dat ons hart een pad wordt door de begeerlijkheden des levens, indien we anders geen wensen hebben dan die met het aardse in betrekking staan, wanneer we de zonde in ons laten heersen, dan zal ook ons gemoed langzamerhand zulk een weg worden waartegen het woord afspringt, waarop het los blijft liggen. Er zal geen aanrakingspunt meer bestaan tussen onze gezindheid en wat God tot ons spreekt. De gezindheid zal zijn aards, de roeping een hemelse en alle verband daartussen zal ontbreken.

Dit is het verschrikkelijk oordeel der verharding waarvan de Schrift herhaaldelijk spreekt, bijv. in ons teksthoofdstuk: "Want het hart dezes volks is dik geworden, en zij hebben met de oren zwaarlijk gehoord, en hun ogen hebben zij toegedaan; opdat zij niet te eniger tijd met de ogen zouden zien, en met de oren horen, en met het hart verstaan, en zich bekeren, en Ik hen geneze" (Matth. 13 : 15). Daarom zegt Jezus met nadruk aan het eind van onze gelijkenis: 'Wie oren heeft om te horen, die hore.'

"En een ander deel", zo gaat de Heiland voort, "viel op steenachtige plaatsen, waar het niet veel aarde had; en het ging terstond op, omdat het geen diepte van aarde had. Maar als de zon opgegaan was, zo is het verbrand geworden; en omdat het geen wortel had, is het verdord." In het Oosten zijn tegen de bergen op sommige plaatsen op de rots kleine aardlagen ontstaan waarin planten met geringe worteldiepte kunnen groeien. In tijden echter van droogte en grote zonnehitte verschroeit wat hier is gezaaid. "Deze is degene", zo verklaart ons het vervolg van ons teksthoofdstuk, "die het Woord hoort, en dat terstond met vreugde ontvangt; doch hij heeft geen wortel in zichzelf, maar is voor een tijd; en als verdrukking of vervolging komt, om des Woords wil, zo wordt hij terstond geërgerd" (Matth. 13 : 20, 21).

De klasse van mensen en toestanden, ons hier getekend, zijn weer gans anders dan die we eerst beschouwd hebben. Zij zijn niet zo onverschillig, niet zo onontvankelijk. Integendeel, ze zijn zeer gevoelig voor indrukken. Er staat dat ze het woord terstond met vreugde ontvangen. Hoe dringt zich hier bij ons op de gedachte aan het gesprek van Jezus met zijn discipelen, toen hij hun vroeg: 'Wilt gij lieden ook niet weggaan?' (Joh. 6 : 67). De Heiland had hen gekend, de menigte mensen, de grote scharen die eerst met vreugde zijn woord hadden ontvangen, maar zich van hem hadden afgekeerd toen hij hun verwachtingen niet wilde bevredigen. Alles wat Jezus ons in deze gelijkenis voorstelt, is uit zijn eigen ervaring als prediker gegrepen en het is zeker met smart geweest dat hij het beeld schildert van hen die hem hebben verlaten.

In de dagen van Jezus' rondwandeling op aarde was één verwachting bij het Joodse volk bijzonder levendig. Dat was de Messiasverwachting. Zij waren het gehate juk der Romeinen moe en verwachtten op grond van de profeten der vaderen de komst van de redder Israëls. Toen nu Jezus optrad en door vele krachten en genezingen het volk verbaasde, verwachtten duizenden van hem dat hij Israël verlossen zou. Jezus moest herhaaldelijk het volk ontwijken om hun aardsgezinde verwachtingen geen voedsel te geven. Maar dit verdroot het volk dat zich langzamerhand in grote getale van hem afkeerde.

Zo nog thans. Het Evangelie van het Koninkrijk der hemelen heeft ook nu nog ook uiterlijk veel bekoorlijks. Daarin wordt gesproken van de liefde Gods voor zondaren, wel geëigend om het gevoelig hart dat niet gans is afgestompt te roeren. Daarin komt ter sprake de verlossing van zonde waardoor fijnbesnaarde harten gemakkelijk kunnen worden bewogen. In ieder hart ligt de begeerte naar het hoge, naar het ideaal, en daarvan spreekt ons het Evangelie, van de vergoddelijking van de mens en van de opheffing van de vloek van de aardbodem.

Vooral lichtgeroerde en dichterlijke gemoederen kunnen zo licht bewogen worden door dit alles. Doch gelijk in Jezus' dagen de liefde der scharen slechts het uiterlijke van Jezus' verkondiging gold, zo is ook nu nog de liefde voor het Evangelie, wanneer ze niet dieper gaat, voorbijgaande. Wanneer de prediking van de liefde Gods slechts een ontroering, een siddering te weeg brengt gelijk aan die wanneer men ons iets schoons laat zien of wanneer men ons iets treffends verhaalt, wanneer het zich overgeven aan die liefde niet de diepste zielsbehoefte geworden is omdat we ons zelf ledig en arm gevoelen, dan is de ontroering voorbijgaande. Als de verlossing van zonde ons nog slechts is een middel om ons behagelijker te gevoelen, een opwelling van gevoel en niet een roepen van de gehele mens om onder een last die hem drukt uit te komen, dan is de indruk tijdelijk.

In het algemeen, wanneer het Evangelie voor ons evenals voor de Joden van Jezus' dagen nog hoofdzakelijk een aards karakter draagt en niet bedoelt de vernieuwing van de gehele mens en de toebereiding tot hoger leven, dan zal, als de moeiten en de verdrukkingen daaraan verbonden komen, de geestdrift wijken, hoe schoon die dan ook in het begin was. Dan zullen we, als we zien dat - waar we meenden ons aardse leven met schone gedachten te verrijken - in plaats daarvan opoffering en verloochening geëist worden, niet bestand blijken tegen de verleiding het Evangelie te verloochenen. Dit blijde aannemen is dan meer schijn geweest dan werkelijkheid. Onder de zachte aarde aan de bovenkant is inwendig de rotsgrond onverbrijzeld gebleven. En juist doordat die rotsgrond daaronder ongeraakt bleef kon het zaad in den beginne te sneller opschieten omdat het zijn wortels niet diep behoefde in te slaan. Als we zonder beeld spreken, zullen we zeggen: juist daar kan gemakkelijk de liefde Gods geroemd worden waar voor deze heilige liefde geen beschaming des aangezichts is, juist daar kan spoedig de zonde beweend worden waar men nog niet heeft gehuiverd bij haar verschrikkelijke diepte. En daar kan men licht gloeien voor idealen van vergoddelijking van de mens en wereldkerstening waar men nog niet heeft ingezien welke krachten daartegenover staan en nog vreemdeling is in eigen hart en in de wereld.3

Doch luisteren wij hoe de Heiland voortgaat: "En een ander deel viel in de doornen; en de doornen wiesen op, en verstikten het." En in de toelichting deze verklaring: "En die in de doornen bezaaid is, deze is degene, die het Woord hoort; en de zorgvuldigheid dezer wereld, en de verleiding des rijkdoms verstikt het Woord, en het wordt onvruchtbaar" (Matth. 13 : 22). Blijkbaar is hier een bodem bedoeld waar de doornen op het ogenblik dat er gezaaid werd niet stonden, waar ze waren afgemaaid of waar alleen de kiemen van de doornen in de grond aanwezig waren. Toen nu het zaad gestrooid was en de tijd van groeien kwam, wiesen ook de doornen mee op en verstikten de opschietende halmen.

Hier is ons wederom een andere klasse van mensen getekend. Wij lezen hier niet dat de bodem hard was of dat er slechts een kleine aardlaag aanwezig was. Neen, de grond was goed en was ook diep genoeg voor het goede zaad. En het zou ook ongetwijfeld goede vruchten hebben gedragen, indien niet de doornen mede waren opgeschoten. Blijkbaar zijn hier krachtige karakters getekend waarin grote tegenstellingen voorkomen. De mensen hier bedoeld zijn niet afgestompt zoals degenen die op de weg gezaaid zijn. Ook niet oppervlakkig zoals die geen diepte van aarde hebben. Zij horen het woord en het spreekt tot hen. Het slaat zijn wortelen in hun hart en begint op te wassen. Maar daarnaast liggen andere zaden gestrooid, de zaden van hoogmoed, gierigheid, hartstocht. En tussen deze twee begint een verschrikkelijke strijd die eindigt met de overwinning van het onkruid.

Uit Jezus' onmiddellijke omgeving kennen we helaas een treurig voorbeeld hiervan. Judas was niet als de Farizeeën en wetgeleerden op wie Jezus' woord geen vat had. Hij was ook niet als de scharen die zich spoedig van Jezus afkeerden. Neen, hij bleef bij de Heiland gedurende zijn ganse werkzaamheid in Judea en Galilea. Maar naast zijn aanhankelijkheid aan de Heer schoot de distel der gierigheid op, nam meer en meer zijn ganse ziel in beslag en eindigde met zijn liefde voor Jezus gans te verstikken zodat dertig zilverlingen voldoende waren hem zijn Heer te doen overleveren.

Ge kent allen de kloeke gestalte van de eerste koning van Israël, de nobele en dappere zoon van Kis. In brandende ijver voor de eer van zijn God versloeg hij de vijanden van zijn volk. In ridderlijke grootheid en ijver scheen hij een ideaal vorst te zullen worden. Maar daarnaast schoten de distelen van hoogmoed en jaloersheid op en omwolkten zijn geest met nevel op nevel tot hij in zwarte nacht onderging, een der droevigste en meest tragische figuren uit de gewijde bladen.

Hoe wordt in deze harten gestreden! Welk een kamp is daar tussen het goede zaad en de doornen. Licht en duisternis bekampen elkander de zegepraal. Hoe wordt daar geweend als de nederlaag is geleden. Men ziet het licht, men hunkert naar de liefde Gods, men beschreit de zonde, maar steeds meer wassen de doornen, groeit het kwaad en verdonkert het oog en verkilt het hart en dooft het schuldgevoel. Het goede zaad wordt verstikt en kan niet gedijen vanwege de geweldige wasdom der doornen.

Het kan ons niet verwonderen dat dichters in het bijzonder deze mensenklasse ons hebben getekend. Er is in die strijd iets wat het hart uitermate schokt en roert. Toch staat daar dat verschrikkelijke woord: 'en verstikten het.' De belangwekkendheid van deze figuren mag ons er niet toe brengen de ogen te sluiten voor de betekenis van de nederlaag. 'En verstikten het.' Wie zal behouden blijven waar het goede zaad wordt verstikt? Wie zal tenslotte belangwekkend zijn waar het licht Gods is uitgedoofd? De kern van de wereld is het goede uit de Geest Gods geboren. Waar die sterft zal ook al het andere, met welke schone namen ook genoemd, afsterven en verwelken. Wie oren heeft om te horen, die hore!

Wij komen nu tot het laatste gedeelte van onze gelijkenis, waar Jezus spreekt als volgt: "En een ander deel viel in de goede aarde, en gaf vrucht, het een honderd-, het ander zestig-, en het ander dertigvoud." En vers 23 verklaart: "Die nu in de goede aarde bezaaid is, deze is degene, die het Woord hoort en verstaat, die ook vrucht draagt en voortbrengt, de een honderd-, de ander zestig-, en de ander dertigvoud." Hebben we in het voorafgaande er u opmerkzaam op gemaakt, dat Jezus uit zijn ervaring sprak die hij bij zijn prediking had opgedaan, ons blijkt nu dat hij ook vruchten had gezien. Een discipelenkring had zich rondom hem gevormd en zeker heeft Jezus in het land verschillende kringen gekend waar zijn woord gerede ingang vond. Maria's en Martha's en anderen die hem dienden van hun goederen.

'Een ander deel', zegt Jezus, 'viel in de goede aarde.' Daar kon het gestrooide zaad opwassen en vruchten voortbrengen. Hier worden ons getekend de mensen bij wie het woord gerede ingang vindt. Hun hart is door de hemelse landman toebereid zo dat ze het Evangelie daarin opnemen en het tot een levende plant doen worden. Bij hen is de harde oppervlakte verbrijzeld niet alleen, ook de daaronder liggende rotsgrond is bewerkt en de aarde van doornen gezuiverd. Hier is de ongevoeligheid van het onwedergeboren mensenhart gebroken zodat er acht gegeven wordt op de prediking van het Evangelie. Hier is de roering van het lichtgeraakte gemoed verdiept zodat het gans doorschokt en doorsiddert voor de prediking van zonde en schuld, van liefde en vergeving. Hier zijn de zonden en ondeugden in beginsel in hun kracht gebroken zodat ze niet meer de overhand krijgen. Spreekt het Evangelie van de noodzakelijkheid der wedergeboorte, zij belijden dit van harte, want zij weten wat daar nodig is om te overwinnen en kennen de verdorvenheid van het hart. Wijst het Evangelie op de bekering als nodig, zij weten en erkennen hoeveel daar is te veranderen en te bestrijden. Predikt het Evangelie hun Gods liefde, zij hunkeren in hun armoede en koudheid daarnaar, opdat zij daarin het leven zouden vinden. Hier is geen verstandelijke aanname, hier is een inzinken van het zaad in het hart.

Evenals bij het zaad dat op de weg viel alle verwantschap tussen het woord en het hart ontbrak, zo is hier een samenvallen, een samenstemming, zodat de krachten van het woord het hart levend maken en omgekeerd het woord levend wordt doordat het in een hart wordt opgenomen. Want wat is het zaad als het niet in een akker valt? En omgekeerd, wat is de akker als ze niet bezaaid wordt? Juist door deze eenheid van het woord en het hart moeten de vruchten gezien worden. De vruchten zijn dan niet iets zelfstandigs, iets aparts, dat er nog bijkomt, maar zij worden uit het woord en uit het hart geboren uit de vereniging van die twee. Was het woord er niet, d.i. was de goddelijke, levenwekkende liefde er niet, het hart zou in kilheid en wanhoop een bodem worden en blijven van alle boosheid. Maar ook, was er geen hart dat behoefte had aan die liefde, dat daarnaar dorstte met alle kracht, de liefde zou niet gevoeld worden en niet kunnen opwekken tot wederliefde. Zo wordt uit de vereniging van het woord en het heilbegerig hart de schoonste vrucht geboren.

Maar zijn dan deze harten van ander maaksel? Zijn deze mensen geen mensen als de anderen? We weten allen dat ze het wel zijn. En we moeten er tevens tegen waarschuwen de soorten die we u getekend hebben al te zeer te scheiden. Alleen God weet waar vrucht wordt voortgebracht en waar niet. En ook daar waar waarachtige vrucht wordt gezien zal zeker nog menige distel zijn om uit te roeien en menige harde steen ter verbrijzeling overblijven en menig zaad invallen zonder dat het wortelen schiet.

Die de bodem toebereidt, is God. Het is lang niet altijd langs gemakkelijke wegen dat een stenen hart tot een vlezen hart wordt gemaakt. Daar moet dikwijls heel wat leeds geleden zijn voor de mens een oog krijgt voor de diepe, zedelijke en levenwekkende betekenis van het Evangelie. Voor het aan Gods Geest gelukt in hem ten onder te krijgen wat daar trots zich verheft in ijdele zelfgenoegzaamheid. Voor de zonden in beginsel zijn gebroken en het hart is gezuiverd. Toch is dit alles nodig zal het woord vruchten voortbrengen. Jezus zegt in het Johannesevangelie: 'Zo iemand wil Deszelfs wil doen, die zal van deze leer bekennen, of zij uit God is. . .' (Joh. 7 : 17). Dit wordt hier bedoeld, dat er een verband bestaat tussen de toestand van ons hart en de toestemming van het Evangelie van Christus. Het is geen verstandelijke toestemming die gevraagd wordt, maar een toestemming des harten. Men verstaat slechts de geest waarop men gelijkt, zegt een Duitse dichter. Hoe kan er overeenstemming zijn tussen twee personen die in aanleg en begeerten geheel uiteen lopen? Zo is het onder mensen, zo is het ook tussen God en mens. De harde korst moet eerst verbroken, de rots moet eerst verbrijzeld, de distel eerst geknakt - hoeveel pijn dat dan ook moge doen -, zal het hart ontvankelijk worden voor het woord. Eerst een hart dat dorst naar vertroosting zal naar de liefelijke klank van het Evangelie luisteren. Eerst een ziel door schuldbesef gebogen en verslagen zal zich gewillig aan God overgeven. Eerst waar het juk der zonde als ondragelijk gevoeld is, zal met ernst de hulp van Gods Geest ingeroepen worden tot reiniging en loutering des harten.

Zo hebben we dan getracht u de vier mensengroepen door de Heiland ons getekend nader te brengen. Nog staat daar aan het einde van onze gelijkenis een ernstig woord: 'Wie oren heeft om te horen, die hore.'

Het is niet genoeg, zo we een duidelijke voorstelling hebben van wat het woord bij verschillende mensen uitwerkt. Daartoe alleen is de gelijkenis ons ook niet gegeven. Maar hoe dan te verklaren dat bij de een het zaad des woords vruchten draagt en bij de ander niet?

Wij staan hier voor een der grootste raadselen van het leven. Immers, de vraag ligt voor de hand en is ook menigmaal gedaan: indien God wil dat alle mensen zalig worden, waarom bereidt Hij dan niet alle harten gelijkelijk voor? Waarom maakt Hij niet van ieder hart een wel toebereide akker? God is toch machtig! Hij neigt de harten der koningen als waterbeken (vgl. Spr. 21 : 1), en zo bij alle stervelingen. Dikwijls is deze vraag gedaan. Dikwijls is ze beantwoord. En toch dringt ze zich telkens weer opnieuw op. Ook nu zal het wel allerminst de laatste keer zijn dat ze aangeroerd wordt.

God is vrijmachtig, zo heeft men geantwoord. Hij, de Schepper van 't heelal, kan met zijn schepsel doen wat Hij wil. Sommigen heeft Hij geschapen om er zijn rechtvaardigheid aan te tonen, anderen om zijn liefde en barmhartigheid te verheerlijken. Ons heeft dit antwoord nooit kunnen bevredigen. Wanneer eens een mens, gesteld een ogenblik het ware mogelijk, iets van die aard ondernam, zouden we hem niet van wreedheid beschuldigen? En zouden we dan van God slechter gedenken dan van de mens? Moeten we ons God voorstellen als een wezen dat met willekeur werkt? Of is vrijmachtig soms hetzelfde als willekeurig! Mij dunkt het is gans iets anders.

Vastgehouden moet worden dat God in zijn innerlijk wezen liefde is, zoals de Schrift het ons uitdrukt: 'God is liefde' (1 Joh. 4 : 16). En hiermee is dunkt ons de voorstelling die we zoëven aangaven in lijnrechte strijd.

Maar er is een ander antwoord gegeven in de loop der tijden en ook telkens en telkens herhaald, in verschillende vormen. Het luidt aldus: God wil wel dat alle mensen zalig worden, maar alle mensen willen dit niet. De mens is vrij. Hij kan aannemen en verwerpen. En alweer zijn hier een waarheid en een leugen vermengd. De waarheid is deze dat er onderscheid is tussen een mens en een levenloos voorwerp, dat de mens een redelijk en zedelijk wezen is dat niet met beitel en hamer bewerkt wordt evenals het koude marmer. De leugen is de veronderstelling dat 's mensen wil niet aan de zonde zou zijn onderworpen, niet onder de invloed zou staan van de ontzettende macht van het kwaad dat hem wel anders leert dan gans en al vrij te zijn. En vraagt het maar aan onze hedendaagse rechtsgeleerden wat hun van de erfzonde dunkt, en ze zullen u ten antwoord geven: Man, ge kunt niets! Ge wordt voortgedreven. Uw wil? Een verouderd begrip! Kwaad doen is ziek zijn!

Maar weer zegt u uw geweten: En tóch heb ik een wil en tóch ben ik verantwoordelijk! Zo wordt ge gedreven van de ene zijde naar de andere. Aan de ene kant gevoelt ge dat de mens geen zandkorrel is die tussen de andere doorrolt zonder enig verband. Integendeel, ge gevoelt de sterke banden die u verbinden aan een zwak en zondig mensengeslacht. Dat ge zijn verantwoordelijkheid meedraagt en van zijn zonde mede zijt besmet. Aan de andere kant gevoelt ge dat ge meer zijt dan een zo- of zoveelste onderdeel van een machine, dat ge meer zijt dan een voortbrengsel van uw eigen en anderer verleden. Gij zijt u bewust de koninklijke vonk die uw wezen doorgloeit, dat ge een schepsel uit de eigen hand Gods zijt, dat de adel van uw voorhoofd onverwoestbaar is en in de dag des gerichts tegen u zal getuigen, zo ge ze verloochent.

Zou het, waar we ons tussen deze tegenstellingen bekneld gevoelen, niet het beste zijn om te zeggen: we begrijpen het niet? Wij vatten het niet hoe dat mogelijk is vrij en willend wezen te zijn en tegelijk gebonden te zijn door hoger wil. Eén ding is zeker: hoe meer we ons door de zonde laten beheersen, hoe minder vrij we ons zullen gevoelen. En hoe meer we aan God ons onderwerpen en ons aan zijn liefde overgeven, des te vrijer zullen we ons gevoelen. Vraagt ge ook, wanneer gij adem haalt, eerst hoe het mogelijk is dat gij het zelf doet en tegelijk God uw lichaam onderhoudt? Me dunkt, ge doet het reeds voor ge er aan denkt, omdat het u een levensbehoefte is. Zo zal ook het heilbegerig hart, omdat het bewustzijn van Gods vergevende liefde voor hem een levensbehoefte is, niet vragen hoe het mogelijk is dat Gods Geest in hem werkt en hij toch zelf ook werkt, maar gelovig Gods beloften aanvaarden.

Dit laatste woord wijst dit aan: 'Wie oren heeft om te horen, die hore!' We moeten ermee tot onszelf inkeren en eigen hart en gemoed onderzoeken, tot welke van de groepen ons hier getekend wijzelf behoren.

Het geldt hier de hoogste, de ernstigste taak die voor een mens bestaat. Het geldt hier behouden te blijven of verloren te gaan. Het geldt hier leven of dood. Er is geen leven buiten de gemeenschap met God. Buiten God is duisternis. En dit is het leven, dit is het zaad, dit is het gezaaide woord: nl. de liefde Gods tot zondaren. Is dit zaad reeds ontkiemd in onze harten? En worden daarvan de vruchten gezien, zo niet honderd-, zo niet zestig-, dan toch dertigvoud? Laat ons ter beantwoording van deze vraag met ernst onze harten onderzoeken. Amen.

Eindnoten

  1. 1

    In 1902 sloot N. zijn theologische studie in Utrecht af met het kandidaats- en kerkelijk examen. In hetzelfde jaar werd hij na aflegging van het proponentsexamen door het provinciaal kerkbestuur van Utrecht toegelaten tot de Evangeliebediening in de Nederlandse Hervormde Kerk, zodat N. zich beroepbaar kon stellen. Door de bemiddeling van ds. W. M. van der Schans werd hij beroepen te Idsegahuizen en Piaam, waar N. op 1 februari 1903 door zijn zwager ds. H. C. Lambers, predikant te Lunteren, bevestigd werd. Bij deze gelegenheid hield N. zijn intreepreek over Matth. 13 : 3-9. Uit de aantekeningen van N. in het manuscript kan de liturgie als volgt worden gereconstrueerd:

    1. Voorzang psalm 25 : 2, 3.

    2. Groet: Genade en vrede en barmhartigheid worde deze gemeente rijkelijk geschonken van God onze Vader en Jezus Christus de Heer door de gemeenschap des Heiligen Geestes. Amen.

    3. Lezen Ef. 1 : 1-14 1 Petr. 1 : 1-12.

    4. Stemmen wij ons tot gebed door te zingen ps. 119: 3.

    5. Gebed.

    6. Eerste deel preek (tekst Matth. 13 : 3-9).

    7. Gezang 68 : 12.

    8. Tweede deel preek.

    9. Laten we danken.

    10. Mededelingen.

    11. Inzameling der gaven. Psalm 103 : 7, 9.

    12. Zegen: De genade van de Here Jezus Christus en de liefde van God en de gemeenschap des Heiligen Geestes zij met u allen. Amen.↩

  2. 2

    W. Booth (1829-1912), Engels evangelist. Nadat hij in 1861 begonnen was met evangelisatiearbeid in Londen, stichtte hij in 1865 de Christian Mission, die in 1878 werd omgevormd tot The Salvation Army (Het Leger des Heils). Het Leger des Heils had niet alleen tot doel de sociaal zwakkeren te bekeren, maar evenzeer om hen maatschappelijk te verheffen.↩

  3. 3

    Hier laste N. de tussenzang gezang 68 : 12 in.↩

Verantwoording

Deze pagina is automatisch opgebouwd uit de OCR-tekst van het boek. Paginagrenzen zijn hersteld, afgebroken woorden samengevoegd en voet- en eindnoten aan hun verwijzing gekoppeld. Zet onder Weergave de correcties aan om de verbeterde OCR-fouten en de onzekere plaatsen (⚑) in de tekst te zien. De tekst is niet met het gedrukte boek vergeleken.

InhoudDe bakermat van de christelijke kerk →