Ethisch1
Dit woord is, als aanduiding van een theologische en kerkelijke richting, thans verouderd. Daaraan zijn voor het kerkelijk publiek enkele voordelen verbonden. Want het was voor de meeste mensen moeilijk zich een helder begrip te vormen van wat erbij gedacht moest worden. Wanneer men zegt: waarheid is wat in de bijbel staat of wat in de belijdenis tot uitdrukking is gekomen of wat de ervaring en de gedachten opleveren, dan verstaat men dat. Maar als iemand verklaart dat de waarheid ethisch is en daarmee een zekere kritiek oefent op de zo pas genoemde eenvoudige formuleringen, dan kunnen heel velen niet meer meekomen. Zij zijn dan ook meestal niet meegekomen. Men heeft eens gezegd dat de ethische richting alleen uit officieren bestond en geen soldaten had.a
Wat het ethisch karakter van de waarheid inhoudt, kan het beste worden aangeduid met een verwijzing naar het bijbelwoord, dat uit het hart de uitgangen des levens zijn (Spr. 4 : 23). Iedere gedachte, iedere daad moet, wil men er een conclusie uit trekken of er een doel mee bereiken, eerst door het hart gegaan zijn. Anders is die conclusie te hard, dat doel te liefdeloos. Wanneer deze passage van de gedachten en de daden door het hart in het leven in toenemende mate plaats heeft, dan blijft de mens daarbij niet onveranderd. Wij worden dan wederom geboren. De ethische theologie was een theologie der wedergeboorte. Zij was gekant tegen al dat 'stoere' en 'kloeke' in het denken en het doen dat geen weet heeft van en geen rekening houdt met een gebroken hart.
Dit beginsel lag oorspronkelijk ook ten grondslag aan het neocalvinisme. Dr. Kuyper heeft het in zijn Confidentieb beleden. Beide bewegingen, de ethische en de neocalvinistische, bedoelden een verdieping en verinnerlijking van het theologisch en kerkelijk leven. Ik heb ze daarom vroeger wel eens tweelingzusters genoemd.c Men leze daarover de uitnemende artikels in In de Waagschaal, die ds. Buskes2 er onlangs aan gewijd heeft. d- Kuyper heeft voor zijn theologie ook veel van De la Saussaye geleerd. Maar hij heeft de wedergeboorte te zeer als een persoonlijk feit opgevat; te weinig als een allesomvattend werk Gods. Daardoor ontstond in de Gereformeerde Kerken een soort voorondersteld christendom, een geloof-op-goed-geloof en in de antirevolutionaire politiek de beroemde of beruchte antithese.
Bij de ethische voormannen, De la Saussaye en Gunning, werd de wedergeboorte ook wel eens te persoonlijk opgevat, maar dat gebeurde dan meer ten gevolge van wijsgerige buurpraatjes, die zij in hun theologie soms hielden. Zij liepen dan gevaar geloof en cultuur te vermengen, waarbij wedergeboorte dreigde over te gaan in persoonlijkheidskweek. Maar in hun eigenlijke theologie bleven zij een brede opvatting van de wedergeboorte huldigen. In tweeërlei opzicht. Zij wilden haar in Gods handen laten en er geen stormram van maken tegen de naaste. En in de tweede plaats mocht die wedergeboorte nooit als een dood feit in het verleden komen te liggen. Zij moest gepredikt kunnen worden als een Evangelie. De toekomst moest er in zijn. De kwintessens van het ethisch beginsel ligt eigenlijk uitgedrukt in het woord van Paulus, dat de tweede Adam een levendmakende Geest is en niet. zoals de eerste, bloot een levende ziel (1 Kor. 15 : 45).