Stichting dr. O. Noordmans
Verzamelde Werken Inhoud Bijbelregister Zoeken

Verzamelde Werken, deel 3 · p. 346–352

Weergave

Johannes Hermanus Gunning1⌫

... opdat gij ten volle kondet begrijpen met alle de heiligen, welke de breedte en lengte en diepte en hoogte zij. en bekennen de liefde van Christus die de kennis te boven gaat, opdat gij vervuld wordt tot al de volheid Gods. Ef. 3 : 18, 19.

Men heeft de eeuw van de kerkvader Augustinus gekenschetst als de tijd van de agonie, de laatste ademnood van het heidendom.a Zal men ons later de getuigen van de agonie des christendoms noemen?

Deze vraag klinkt bijna godslasterlijk. Wij dringen haar terug, omdat we niet tegen haar opgewassen zijn. Wij vinden het vromer er niet op in te gaan. Of we maken er ons af met een paar bijbelteksten.

Israëls oude profeten hebben zich anders gedragen. Zij hebben soms de moed gehad zulke vragen in volle scherpte te stellen. Maar ze vroegen het dan regelrecht aan God zelf. Hun woord klinkt dan bijna als een aanklacht. Heeft God zijn volk vergeten? Wil Hij niet meer van hen weten? 'Waarom hebt gij mij verlaten?', zo vraagt er één in Psalm 22. Deze vraag, waar de hele bijbel om draait, heeft Jezus aan het kruis overgenomen. Hij heeft het voor ons aan God gevraagd.

De man, over wie dit boekje handelt, heeft van deze geestelijke agonie iets in zich gehad. Hij begreep het als Paulus van zichzelf zegt: ik ellendig mens (Rom 7 : 24). En hij zal het met Luther eens geweest zijn, als deze dat zo uitlegt: 'Een mens die naar adem gaapt en bezwijkt.'b Een mens in agonie dus.

Gunning heeft een halve eeuw lang, van 1854 tot 1904, verlangd naar een ware christelijke kerk, waarin de troost van de Heilige Geest zo overvloedig zou zijn, dat hij zich ten volle verzekerd zou weten van de vergeving van zijn zonden. Een moederlijke kerk, die hem beschutting zou verschaffen tegen de kille atmosfeer, die hij overal rondom zich voelde.

Deze angst en dit verlangen maken hem tot een profetische figuur. Meer dan iemand anders van zijn tijdgenoten heeft hij de tweede helft van de negentiende eeuw wakende doorleefd. Hij voelde de samenstelling van de geestelijke dampkring. En waar anderen tevreden waren, was hij vol onrust. Hij wist van de dingen die komen moesten. En hij heeft tegen de geest der eeuw getuigd met een eentonige volharding en een vaak onsociale scherpte, die hem buiten het kader van zijn tijd plaatsen. Daarom kan hij ons zijn eigen en de onze beide helpen verstaan.

Johannes Hermanus Gunning werd geboren te Vlaardingen, de 20e mei 1829, in een predikantsgezin, een familie van goede bekendheid in ons land. Zijn schooljaren bracht hij door te Leeuwarden, waar zijn vader als predikant stond van 1835 tot 1866. Hij studeerde te Utrecht. Hij promoveerde niet. Een doctoraat honoris causa is hem in 1877 verleend door de universiteit te Utrecht, op initiatief van Opzoomer, op grond van een studie over Spinoza.c In 1854 werd hij predikant te Blauwkapel; daarna te Hilversum; in 1861 te 's-Gravenhage. Dan komt zijn academische werkzaamheid: van 1882-1889 te Amsterdam en van 1889-1899 te Leiden. Zijn emeritaatsjaren bracht hij door te Arnhem, waar hij in 1905 stierf.

Het ligt niet in de bedoeling van dit korte geschrift een schets van Gunnings leven te geven. Toch moet ik, voor ik verder over zijn betekenis spreek, het chronologisch schema dat ik zo pas aangaf, even kleuren.

In zijn eerste gemeente toonde de jonge dominee belangstelling voor de fraaie letteren. Deze is hem tot 't laatst van zijn leven bijgebleven. Hij heeft studies gewijd aan klassieken als Dante, Schiller, Goethe e.a. Hij voelde daarin echter een zekere verzoeking, waartegen hij op zijn hoede bleef. Busken Huet heeft hem een bedorven literatord genoemd. Gunning placht ten aanhoren van zijn studenten te zeggen dat hij God dankte voor dat bederf. De schroom voor het heilige was hem in dit leven een rem op de liefde tot het schone. De eerbied voor de Gekruiste mocht geen schade lijden. Deze letterkundige ascese was bij hem duidelijker dan bij wie ook van zijn tijdgenoten. Gunning wist, evenals de kerkvaders, van de spanning tussen christendom en cultuur. De bijbel was hem inderdaad het beste boek.

Zijn verblijf te Hilversum kunnen wij als een overgangstijd beschouwen. De twintig Haagse jaren vormen het centrum van dit werkzame leven. Wel is hij bijna even lang hoogleraar geweest, maar het predikambt bleef hem 't liefst. Daarin kon hij tonen wie hij was en wat hij vermocht. Als dominee in de hofstad doet hij ons denken aan Ambrosius te Milaan, onafgebroken de Schriften bestuderende en toch toegankelijk voor iedereen, van de aanzienlijkste tot de allergeringste. Onverzettelijk wanneer het gold het gezag der kerk te doen gelden, ook tegenover de eersten van de staat, en steeds bereid om als werktuig te dienen voor de ontferming van Christus over de verlorenen.

Gunning heeft in deze jaren zijn studie steeds aangehouden. De uren daaraan besteed lagen meestal heel vroeg op de dag. Hij las in alle richtingen, maar altijd naar de bijbel toe. Hij was een universele geest, geen vakgeleerde. Soms dreigde in zijn geschriften enige wanorde, maar een hogere tucht regeerde zijn pen, omdat alles betrokken werd op Christus, zijn Heer.

Toen hij in 1882 een hoogleraarsambt te Amsterdam aanvaardde, betekende dat voor hem een opoffering. In nog veel sterkere mate was dit het geval toen hij naar Leiden ging. Wie, zoals schrijver dezes, hem daar enige tijd heeft gadegeslagen, kwam sterk onder de indruk van het herderlijk karakter van zijn leerwijze. In een academisch milieu moest hij zich altijd min of meer onwennig gevoelen. Hij had een kerk nodig om te spreken en een gemeente om te doen wat hij zei.

Ik heb van Gunnings agonie gesproken. Die is er altijd geweest. Maar zij is tot een profetische ervaring geworden door zijn verblijf te Leiden.

Gunning werd daar, zoals Luther het noemde, 'een mens die naar adem gaapt en bezwijkt'. Deze nood is geworden tot een symptoom van de geestelijke gesteldheid in de laatste tien jaren der negentiende eeuw. Een fin-de-siècle-verschijnsel van zeldzame betekenende kracht. Thans beginnen meerderen iets te ondervinden van Gunnings angst en het verlangen naar een herderlijke kerk stoelt zich breder uit. Wij hebben Albert Schweitzer2 de katheder zien verlaten om in de donkerste hoek der wereld Jezus te dienen. Maar Gunnings nood leek toen onverklaarbaar. Hij onderging het lot van een profeet die toekomstige dingen ziet welke voor anderen verborgen blijven. Hij leed daardoor onder grote eenzaamheid.

De geestesgesteldheid, die ik boven heb trachten aan te wijzen, drukte haar stempel op Gunnings hele persoonlijkheid. Ze bepaalde die naar lichaam en ziel, gestalte en geest. Zijn figuur maakte de indruk alsof hij zich voortdurend oprichtte om aan de beklemming van een lagere sfeer te ontkomen en in hogere lucht te ademen. Ook geestelijk was dat het geval. Wanneer men hem enkel ziet als plaatselijk predikant of gewoon hoogleraar, dan zal die houding ons vaak aan een gewilde pose doen denken. We vragen ons dan af of er wel evenredigheid is tussen zijn felle reacties en de omgeving die haar moet verklaren. We zoeken tevergeefs naar de personen en de zaken die daartoe aanleiding konden geven. Wij zien hem staan in een ledige ruimte. Zijn bewegingen zijn ons te fors, zijn gedachten te geëleveerd voor de vijftig jaren waarin hij leefde. We komen in verleiding van donquichotterie te spreken. Waar was dat gemene en lage, waartegen hij zo telkens te velde trok? Was het niet de tijd van de verlichting des verstands en van vertedering des harten? Wat zag Gunning toch rondom zich?

Mensen zijn het maar zelden, waartegen hij zich zo fel keert. Over hen is zijn oordeel meestal waarderend en zelfs idealiserend. Niemand is ooit zo royaal geweest met de toekenning van het predikaat 'edel'. Toch is hij ook niet enkel in de weer tegen beginselen in het afgetrokkene. Hij laat de personen er niet buiten en zijn verhouding tot hen is daardoor soms heel moeilijk. De faculteitskamer te Leiden zou daarvan kunnen getuigen. Gunning had te doen met geesten en hij wist ze te onderscheiden met een scherpte, die hij dankte aan zijn intens gebedsleven en de nabijheid Gods waarin hij leefde. Zijn bewogen pessimisme, zijn levenslange, toenemende agonie, maar ook zijn gelovig optimisme, zijn hele eschatologische, op de toekomst van Christus gerichte levenshouding hangt daarmee samen. Hij zag het leven en de geschiedenis als een strijd tussen geloof en ongeloof en zijn liefste begeerte was 'een ridder in het leraarskleed'e te mogen zijn. Hij is er zich van bewust deel te nemen aan een eindstrijd.

Tegenover de beweging waarmee hij gestalte en geest steeds tot een rechte houding dwingt, staat een andere. Gunning boog zich telkens; hij vernederde zich. Hij deed dat altijd, op allerlei wijze. Zo opvallend dat wij het vaak weer geen plaats weten te geven. Hij deed het reeds in zijn eerste geschriften, waar hij spreekt van zijn 'wetenschappelijke en kerkelijke minbeduidendheid'.f Men kon er zich aan stoten. Was dit aanstellerij? Valse nederigheid? Waarom riskeert Gunning deze schijn, hij die zijn wereld zo goed kent? Ik meen dat we hier te doen hebben met iets, dat op even natuurlijke wijze samenhangt met zijn geloofsleven als de opstandige beweging, waarover ik daar straks sprak. Het was vaak zo weinig aangepast aan de omgeving, zo onnodig tegenover de personen wie het gold; het gebeurde zo in het ledige dat men zich niet vergissen kon als men vermoedde dat het Iemand anders gold. Het was een buiging voor Christus, een knieval oor de onzichtbare aanwezigheid van zijn Heer.

Hiermee zijn ook de beide sleutels gegeven, waarin Gunnings theologie bij beurten werd gezet: Opstanding en Kruis. Wanneer hij de eerste gebruikte, zocht hij degenen te helpen die betoverd waren door het naturalisme van zijn eeuw. Men moet daarvan nog iets meegemaakt hebben om te weten hoe het op allerlei wijze de adem des geestes belemmerde, het gebedsleven afsnoerde en bij oppervlakkige zielen een overmoedige waan, bij diepere geesten een doffe berusting achterliet. Gunning noemde zulk een levensbeschouwing laag en gemeen. Hij wist door zijn bijbel van Christus' wonderen, die ons de ware natuur leren kennen, en van zijn opstanding, die ons de weg der schepping wijst. Christus was vlees geworden en in Hem moest de mensheid zich oprichten tot haar van God gegeven vrijheid. Gunning maakte daarbij gebruik van alle hem ten dienste staande middelen uit de letterkunde en de wijsbegeerte. Alles wat kon helpen om de geest op te richten, was van zijn gading. Alles moest getuigenis afleggen voor het Evangelie.

Wanneer hij de andere sleutel gebruikte en over het Kruis sprak, werd de binnenzijde der dingen nader bezien. De hoedanigheid van het mens-zijn werd dan in ogenschouw genomen. De heiliging des levens werd naar voren gebracht. Zijn grote ernst drong diep door in het geweten van wie hem hoorde of las. Wanneer hij de handen voor zijn aangezicht bracht om de onheiligheid van de zonde uit te drukken, kon de sfeer rondom hem van oordeel geladen zijn. Hier gold het alle hoogheid neder te buigen om de grond te zoeken, waarin het leven eeuwig rusten kan.

Vele grote kerkleraars hebben zich moeten bekeren van een schijnkerk, voor ze ware leden van Christus' kerk konden worden. Paulus behoorde voor zijn bekering tot de nauwgezetste sekte der Joden (Hand. 22 : 3); Augustinus was negen jaar lang manicheeër. Gunning heeft zich aan Spinoza's zedeleer moeten ontworstelen om tot de vrijheid des geloofs te komen. Deze Nederlandse wijsgeer was een eenzame, die evenals Gunning de beklemming van toekomende eeuwen in zichzelf doorleefd heeft. Zijn machtig intellect heeft hem echter gedwongen rust te zoeken in de wet van het bestaande. Naast God liet hij zich begraven. Hij dorst de Opstanding niet te belijden en had daarom ook geen plaats voor het Kruis. Derhalve kwamen in zijn evangelie berouw en vergeving ook niet voor. Deze bewegen zich rondom het kruis, maar ze hebben geen ruimte als er geen opstanding volgt. Men ziet het aan Petrus. Zijn verloochening heeft plaats aan deze zijde van het kruis en de vergeving ontvangt hij na Jezus' opstanding. Spinoza echter besloot alles binnen de omtrekken van deze wereld. Hij rekende er niet mee dat de schepping nog iets te wachten heeft. Zijn evangelie bestond hierin dat men de dingen volkomen objectief moest nemen zoals ze zijn. En wie zich van eigen wezen en natuur tot de grond toe bewust werd, zou daarmee de eeuwige vrijheid hebben verworven.

Spinoza heeft lang na zijn dood een stille wereldkerk verzameld. Goethe, met zijn geniale objectiviteit, is een der vooraanstaande leden. Men zou hem een kardinaal van Spinoza kunnen noemen. Vooral in de negentiende eeuw waren er vele culturelen, wetenschappelijke werkers vooral, die daarbij behoorden. Zij dorsten de drie laatste artikelen van ons Credo, de vergeving der zonden, de opstanding des vleses en een eeuwig leven niet meer te belijden. Een naturalistisch vernauwde wetenschap had hun gebed verhinderd, hun geloof doen ophouden. Ze zochten zich te redden door een denkwijze, waarbij overgave de plaats van geloof en hoop moest innemen.

Gunning onderging, misschien meer dan iemand van zijn tijdgenoten, de bekoring van Spinoza's evangelie. Van de streling van diens hand over de zondige plooien der ziel, van zijn vreedzame rust tegenover de oneffenheden van het leven. Hij kende Spinoza als weinigen. Zijn bibliotheek was voor Spinoza-literatuur, compleet.

Zo was hij voorbestemd om, profetisch en plaatsvervangend, de geestelijke nood der eeuw in zichzelf te voldragen. Met de verzoeking om in deze schijnkerk ter ruste te gaan heeft hij levenslang moeten worstelen. Zijn hele leven en werken was een vlucht uit deze eeuw in de toekomende; uit de kerk der berusting in die van de opstanding; van het evangelie van Spinoza naar het Evangelie van Jezus Christus.

Daarom is zijn theologie ook niet correct. De hele eeuw is er in. Het is een theologie van de agonie, omdat de van-God-verlatenheid, het ten einde gaan van de bestaande kerken, waarvoor hij soms vreesde, hem het hart dreigde te doen stil staan en de adem te benemen.

Hij wist van Paulus' klacht: ik ellendig mens.

Er was in hem iets van het einde en tegelijk van het begin der kerk. De dingen des geloofs waren voor hem minder vanzelfsprekend dan voor vele anderen. Hij leefde in het bewustzijn dat de kerk van God is uitgegaan en tot Hem wederkeert. Daarom kon hij ook nooit helemaal en voorgoed toegeven dat de kerkleer wetenschappelijk kan worden behandeld. Anders dan Spinoza geeft Jezus ons voor ons denken en leven een steunpunt buiten deze wereld.

Voor zover hij dan niet wachtte op het einde, maar ook leefde met de gemeente op aarde, was hij geneigd tot de apostolische eeuw terug te gaan. Hij verlangde naar geestelijk gezag, dat vastheid kon geven aan de zielen. De band met Christus moest persoonlijk bemiddeld zijn en niet enkel door beginselen. Hij klaagde over het internationaal concilie van geleerden, die van hun studeerkamers de waarheidsvraag zochten uit te maken. Die vraag was voor hem een kerkelijke vraag, waarbij alle gelovigen mochten meespreken.

Maar tussen dat begin en dat einde, waarheen zijn revolutionaire angst hem telkens heendrijft, bleef hij met pastorale trouw zijn ambt vervullen in iedere omstandigheid des levens. Op de kansel en op de katheder, op de studeerkamer in kleine kring of op publieke vergaderingen in het volle leven, in persoonlijk gesprek en in geschrift, altijd was hij krachtens zijn herderlijke opdracht bezig om te hoeden en te helen wat God hem had toevertrouwd.

Maar het zeer bijzondere van zijn pastoraat was dat begin en einde daarin merkbaar waren. De hele kerk was in hem. Hij wist zich van Christus geroepen en dat gaf aan zijn woord gezag als van een apostel. En tegelijk stond hij, mede door die roeping, het diepst onder het oordeel en was de minste en geringste onder de broederen.

Het is deze verbinding van gezag en dienende liefde, van apostolische leer en spannende eindverwachting, van ridderlijke opstandigheid en buigende nederigheid, die Gunning als prediker van Opstanding en Kruis heeft gekenmerkt. ⚑Daarbij heeft hij de angsten van Christus, die de kerk op haar weg door de eeuwen vergezellen, leren kennen. Zijn oog bleef echter vast op de toekomst van Christus gericht. Zo blijft hij een leidsman ook en vooral voor onze tijd.

Voetnoten

  1. a

    A. Beugnot, Histoire de la destruction du paganisme en Occident, dl. 1, Parijs 1835, p. 1.↩

  2. b

    Vindplaats onbekend.↩

  3. c

    J. H. Gunning Jr., Spinoza en de idee der persoonlijkheid. Utrecht 1876, Baarn 1919 2.↩

  4. d

    Vindplaats onbekend.↩

  5. e

    Zinspeling op de titel van de boekbespreking, die Gunning gaf in Stemmen voor Waarheid en Vrede 7 (1870), p. 1077-1100. De titel luidt: Een ridder in het leeraarskleed. Life and letters of F. W. Robertson. Brighton 1847-1853, edited by S. A. Brooke, Londen 1868.↩

  6. f

    J. H. Gunning Jr. in een brief aan de redactie van Ernst en Vrede, E V. 2 (1854), p. 470.↩

Eindnoten

  1. 1

    De eerste druk van de brochure, die N. schreef voor Adoremus over Johannes Hermanus Gunning, verscheen zj. (1937) te Baarn. De tweede druk verscheen zj. (1940) te s-Gravenhage (pag.). De serie, waarin deze brochure van N. verscheen. heette Met alle de heiligen, naar Ef. 3 : 18 (zie het motto).↩

  2. 2

    A. Schweitzer (1875-1965), Duits, later Frans theoloog, cultuurfilosoof en musicoloog. Vanaf 1902 was S. privaatdocent N.T. te Straatsburg. In 1913 vertrok hij naar Lambarene in Frans Kongo (het huidige Gabon) om zich te wijden aan medische hulpverlening aan de inlandse bevolking.↩

Verantwoording

Deze pagina is automatisch opgebouwd uit de OCR-tekst van het boek. Paginagrenzen zijn hersteld, afgebroken woorden samengevoegd en voet- en eindnoten aan hun verwijzing gekoppeld. Zet onder Weergave de correcties aan om de verbeterde OCR-fouten en de onzekere plaatsen (⚑) in de tekst te zien. De tekst is niet met het gedrukte boek vergeleken.

← Professor Gunning te LeidenInhoudGunning en de kerk →