Stichting dr. O. Noordmans
Verzamelde Werken Inhoud Bijbelregister Zoeken

Verzamelde Werken, deel 4 · p. 211–214

Weergave

De religieuze toekomstverwachting. In het bijzonder in de Amerikaanse theologie

door dr. H. J. Heering1

Dr. Heering is op deze studie gepromoveerd. Het is zeker geen alledaags onderwerp dat hij zich had gekozen. Voor velen onzer is de Amerikaanse theologie een onbekend gebied. Daarom is iedere bijdrage tot onze kennis daarvan dubbel welkom. Ruim tien jaar geleden schreef dr. W. A. Visser 't Hooft2 zijn dissertatie over The Background of the Social Gospel in America,a waarin hij een historische studie gaf. Dr. Heering heeft deze dingen wijsgerig willen behandelen, wat nog niet zo gemakkelijk is. In zijn Inleiding wijst hij er op dat de Amerikaanse theologie jong is en dateert van het einde der vorige eeuw. William James3 was haar voortrekkerb Begonnen als fysicus en bioloog, wil deze ook op het gebied van de geest het experiment, de proef, voor de waarheid (werkelijkheid) laten beslissen.c Het verschil van de nu nog levende theologen met James stond in verband met de veranderingen in de natuurwetenschap, waardoor de Amerikaanse thelogie sterk werd bepaald.d James zocht de doorbreking van de natuurnoodwendigheid in de geest. De nieuweren, met Bergson, in de natuur zelve.e Ter vergelijking kan men hier denken aan wat prof. Kohnstamm ons in 1926 gaf in Het waarheidsprobleemf.

Heering schrijft dat de Amerikaanse theologie de geloofsgemeenschap als moederbodem mist.g Zij moet worden behandeld 'in verband met de cultuurbeweging'.h Naast sociale en pedagogische problemen spreken echter bij velen de vragen die uit de 'science', in 't bijzonder die welke uit de biologie komen, heel sterk mee. De titel 'naturalisme' reserveert Heering echter voor die systemen, die God als een kosmisch wordingsproces zien.i De schrijver geeft dan een overzicht in verband met de idee der toekomst. Eerst komen de realistische theologen, wier toekomstverwachting eindig heet, omdat zij tot op zekere hoogte zeker menen te zijn van een uit de ervaring afgeleid doel, hetzij om religieuze, hetzij om ethische, hetzij om metafysische redenen. - Dan volgen degenen die, op grond van nieuwe natuurwetenschappelijke theorieën, een oneindige voortgang leren. Zo zal de een, meer algemeen wijsgerig, zijn hope stellen op de verwachting dat de idee tenslotte vervuld moet worden in het goede,j min of meer zoals Heymans en De Graaf dat ook ten onzent leerden. Anderen zullen, meer naturalistisch, de functie huldigen als de religieuze categorie bij uitnemendheid; de functie, waarin het individu zijn onsterfelijkheid moet bevechten.k Weer anderen hangen aan de praktische gerichtheid van het denken, en vragen om een theologie, die er op uit is, niet om de wereld te verklaren, maar om haar te veranderen (pragmatisme).l Dit laatste heeft geruime tijd lang ook bij ons sterk de aandacht getrokken. De namen Schiller en Dewey zijn ons welbekend. Ook het humanisme, dat daarmee zo nauw verbonden is.m Daarnaast komt dan het Social Gospel te staan. Heering schrijft dat het meer geneigd is 'te staan in de christelijke traditie'.n En Visser 't Hooft heeft er vroeger de historische achtergronden, ook de puriteinse, van aangewezen.o

Heering laat dan tenslotte zien, dat er ook in de Amerikaanse theologie op het stuk van toekomstverwachting een kentering is gekomen.

Op dit overzicht laat dr. Heering dan enkele beschouwingen volgen over Tijd en eeuwigheid, over Het hoogste Goed en over Het koninkrijk Gods.

Ook daarvoor ben ik de schrijver dankbaar, maar toch minder dan voor zijn overzicht. De vraag van tijd en eeuwigheid met name is zo moeilijk, dat zij mij te zwaar lijkt voor een dissertatie. Zij vereist een mensenleven. Sympathiek is de wijze waarop hij uit de oneindige, voor ons zinledige uitgestrektheid des tijds als fragmenten die mensen- en zinsverbanden uitheft, die 'wij niet alleen berekenen, maar ook geestelijk bereiken en verstaan kunnen'.p Laat ik zeggen: de zesduizend jaren van de bijbel uit de miljoenen van de geologie en de astronomie. De intensieve tijd van James, uit de extensieve van de astronomie.q De tijd als kwalitatieve categorie uit de kwantitatieve.r- Tenslotte het godsdienstig gebruik van het woord 'eeuwigheid'.s

Dit alles staat in verband met zijn beschouwingen over Het hoogste Goed, waarvoor hij zoveel aan De Graaf te danken heeft.t Hier is de schrijver - voor zover het zijn eigen uiteenzettingen betreft - op zijn best. Hij weigert om in de storm der oneindige toekomst alles los te laten. Hij wil iets vasthouden van wat hij heeft. Hij wil het geloof behouden. Gemakkelijk valt hem dat niet . "Doch de kring waaruit dit boek voortkomt weet zich ook verantwoordelijk voor de vorm, waarin het Westen het Evangelie vermocht te verstaan en te ontvangen."u "Waartoe de geschiedenis geroepen wordt moge méér zijn dan christelijke humaniteit, het is niet minder dan deze, het is op zijn minst deze."v Maar dan deinst hij terug voor het geweld van de toe komst. "Toch hadden wij" - zo gaat bij voort -" elk woord wel zachter en behoedzamer willen uitdrukken." "(En) achter zulke termen strekken zich nog gebieden uit, waar het zwijgen heerst van het ontzag ... er is beaming van het méér, andere dan menselijke."w

Hier spreekt de behoefte aan een laatste vervulling.x Daarbij komt nu de vraag aan de orde of het koninkrijk Gods moet worden genomen in bijbelse of in Amerikaanse zin. Heering erkent dat de Amerikaanse theologie aan het 'meer', dat hij zoekt, zelden is toegekomen.y Het blijft te veel postulaat en wordt te weinig vervulling. Maar de eschatologie van het Nieuwe Testament is hem te historisch; te weinig futuristisch. Hij wil de theodicee geheel openhouden en de theologie alleen pistidicee noemen.z "Het laatste woord van geloof en theologie is getuigend, niet rechtvaardigend. Boven het getuigen is enkel het zwijgen."a - Zo is er ook wel een kerk. Ook deze moet men vasthouden. Maar zij moge liever een gemeenschap van geroepenen, dan van gelovigen hetenb. Wel een christelijke oorkonde, de bijbel en de prediking als haar voortzetting. Maar steeds voorwaarts gericht, nooit stilhoudend in een belijdenis. Zo moet ook de opstanding niet te historisch, maar futuristisch worden verstaan. Wel wordt zij vastgehouden tegenover de Amerikaanse theologie, die meestal met de onsterfelijkheid tevreden is. Maar opstanding kan niet meer zijn dan 'het beslissende keerpunt binnen de onsterfelijkheid'.c

Over de hele lijn dus bij Heering een verlangen om de vervulling vast te houden. Maar tegelijk een - wat ik zou willen noemen - Amerikaans offeren op het altaar van de Toekomst (met een hoofdletter) alsof deze God ware. Eeuwigheid, zoals de bijbel die verstaat, heeft toch wel meer met God te maken. Het 'meer', dat Heering zoekt, moet, als hoogste Goed, toch ook meer goed zijn, in de zin van meer nabij. En het getuigen kan toch niet alleen het zwijgen boven zich hebben als in het Griekse drama. Is er niet ergens een berg, die een echo opwekt? En is er geen Woord Gods?

Woord en Geest, zoals de bijbel daarvan spreekt, hebben toch nog een andere eeuwigheid en een andere goedheid aan zich, dan die ik gevonden heb in de laatste hoofdstukken van deze sympathieke dissertatie, die ik gaarne eerder had besproken. De actualiteit van deze dingen is tenslotte echter niet verminderd; eer het tegendeel.

Voetnoten

  1. a

    W. A. Visser 't Hooft, The Background of the Social Gospel in America, Haarlem 1928.↩

  2. b

    *H. J. Heering, De religieuze toekormtverwachting. In het bijzonder in de Amerikaanse theologie, Amsterdam 1937, p. 18.*↩

  3. c

    *A. w., P. 19. *↩

  4. d

    *A. w., p. 25.*↩

  5. e

    *A.w., P. 25 v.*↩

  6. f

    Ph. Kohnstamm, Schepper en schepping. Een stelsel van personalistische wijsbegeerte op bijbelschen grondslag, dl. 1, Het waarheidsprobleem. Grondleggende kritiek van het christelijk waarheidsbewustzijn, Haarlem 1926.↩

  7. g

    Vgl. *Heering, a.w., p. 16.*↩

  8. h

    *A. w., p. 27. * Zie ook p. 14.↩

  9. i

    A. w., p. 27.↩

  10. j

    *A. w., p. 58.↩

  11. k

    Vgl. a. w., p. 72.↩

  12. l

    Vgl. a. w., p. 78. Heering signaleert hier een verband tussen pragmatisme en marxisme: Vgl. de elfde these van Karl Marx' Thesen über Feuerbach, opgenomen in Karl Marx, Friedrich Engels, Ausgewählte Werke, 6 dln., Berlijn 19798, dl. 1, p. 200.↩

  13. m

    Vgl. a. w" p. 86-94. Zie voorts voor Schiller en Dewey VW., dl. 1, p. 253, noot 10.↩

  14. n

    *A. w., p. 94. *↩

  15. o

    Vgl. Visser 't Hooft, The Background, p. 66-l01.↩

  16. p

    *Heering, a. w., p. 152. *↩

  17. q

    Vgl. *a.w., p. 140-145*, m.n. p. 144.↩

  18. r

    Vgl. *a. w., p. 150 vv.↩

  19. s

    * Vgl. *a. w., p. 160 vv. *↩

  20. t

    *A. w., p. 175, noot 19.↩

  21. u

    *A. w., p. 185. *↩

  22. v

    *A. w., p. 186. *↩

  23. w

    *Ibid. *↩

  24. x

    *A. w., p. 186 vv.↩

  25. y

    'A. w., p. 191.*↩

  26. z

    Vgl. a. w., p. 198 v.↩

  27. a

    *A. w., p. 198. *↩

  28. b

    *A. w., P -200.* De term 'gemeenschap van geroepenen' (coetus vocatorum) stamt van Melanchton.↩

  29. c

    A. w., p. 206.↩

Eindnoten

  1. 1

    N. Publiceerde zijn bespreking van H. J. Heering, De religieuze toekomstverwachting. In het bijzonder in de Amerikaanse theologie, Amsterdam 1937, in Woord en Wereld 3 (1941), nr. 1, p. 66-68. Zie voor Woord en Wereld in dit deel, p. 300, noot 1.

    H.J. Heering (1912), remonstrants predikant o.a. te Den Haag, volgde in 1964 zijn promotor L. J. van Holk op als hoogleraar te Leiden. H. schreef werken van ethische en godsdienstwijsgerige aard. Zijn in 1946 verschenen werk De opstanding van Christus wordt door N. besproken in de lezing De opstanding, VW., dl. 2, p. 94 v.↩

  2. 2

    W. A. Visser 't Hooft (1900-1985), oorspronkelijk remonstrants, vanaf 1949 hervormd theoloog, leider in de oecumenische beweging. Visser 't Hooft was o.a. de eerste secretaris-generaal van de Wereldraad van Kerken (1948). in zijn dissertatie The Background of the Social Gospel in America (1928) schetste hij de achtergronden van de Social gospeltheologie en -praktijk in het puritanisme, de Verlichting, de Revival-beweging en het moderne wetenschappelijke denken. Vgl. W. A. Visser 't Hooft, Memoires. Een leven in de oecumene, Kampen 1971, p. 29 v.↩

  3. 3

    Zie voor James VW., dl. 1, p. 240-254.↩

Verantwoording

Deze pagina is automatisch opgebouwd uit de OCR-tekst van het boek. Paginagrenzen zijn hersteld, afgebroken woorden samengevoegd en voet- en eindnoten aan hun verwijzing gekoppeld. Zet onder Weergave de correcties aan om de verbeterde OCR-fouten en de onzekere plaatsen (⚑) in de tekst te zien. De tekst is niet met het gedrukte boek vergeleken.

← Reformatie of Humanisme?InhoudEenheid of innerlijkheid →