Stichting dr. O. Noordmans
Verzamelde Werken Inhoud Bijbelregister Zoeken

Verzamelde Werken, deel 4 · p. 102–106

Weergave

Geloofsbelijdenis1

Een der moedgevende dingen op kerkelijk gebied is wel dat men ook van vrijzinnige zijde ernstig tracht tot geloofsformulering te komen. Ten onzent zijn daarvan verschillende voorbeelden aan te wijzen.a Enige tijd geleden heeft de Centrale Commissie van het Vrijzinnig Protestantisme2 zich op dit gebied uitgesproken.b En nu is onlangs een Geloofsbelijdenisc, gepubliceerd door een kring, die bestaat uit leerlingen en vrienden van wijlen prof. Roessingh, de vroeg ontslapen Leidse hoogleraar. Deze laatste was op z'n beurt weer een leerling van de jongere De la Saussaye, eveneens professor te Leiden en een van de meest bekende 'ethische' figuren uit het laatste kwartaal der vorige eeuw. De la Saussaye was geen systematicus of dogmaticus. In zoverre kan men hem niet als een der grootouders van deze geloofsbelijdenis beschouwen.

Wel heeft hij een boek geschreven over Het christelijk leven, waarin de christelijke ethiek in samenhang wordt besproken. Maar het leggen van verband was toch z'n grootste gave niet. Zoals hij zelf zegt lag z'n voorliefde bij het essay, waarvan hij er een paar bundels heeft gegeven over allerlei onderwerpen van godsdienstige en culturele aard.d Hij was een dergenen, die het individualisme van de negentiende eeuw ten einde hebben gedacht en het daardoor gebracht hebben aan de grens van een andere periode. Hij liet aan het ontledend verstand en het humanitaire bewustzijn hun grenzen zien, waar een plaats is voor de erkenning van hogere verbanden en meer-dan-menselijke waarden.

Roessingh is begonnen, waar De la Saussaye ophield. Het is daarbij niet toevallig, dat hij vrijzinnig was en De la Saussaye orthodox. Bij deze laatste was er eigenlijk voor een zoeken naar formulering van het christelijk geloof geen plaats. Hij was kritisch in deze materie en, indien niet kritisch, dan was hij niets. Roessingh kwam als vrijzinnige van de overzijde. Hij ontmoette De la Saussaye en bewoog zich in de tegenovergestelde richting. Hij accepteerde de kritiek op het criticisme en het humanisme, die door De la Saussaye op de grenzen daarvan werden aangewezen. En hij heeft met al de vroomheid van z'n hart en de hele scherpte van z'n geest gezocht naar een nieuwe belijdenis. En hij heeft, zoals dat in de kerk behoort, getracht de oude belijdenis daartoe zo dicht mogelijk te benaderen.

Daarbij komt de belijdenis van Jezus Christus in het middenpunt te staan. Dat is zeer begrijpelijk. De hele kritiek der negentiende eeuw had zich op dat punt gericht. Hier kon de wetenschap de theologie bereiken. Dit was het punt, waar God de geschiedenis raakt en waar de sterk-historisch en -literair ingestelde godgeleerdheid er bij kon. - Dat God onze Vader is, dat bleef voor het modernisme van omstreeks 1850 als een paal boven water staan. Het werd bijna een vanzelf-sprekende vooronderstelling. Een theologisch axioma. Historisch-kritisch was op dat stuk van onze belijdenis geen aanmerking te maken. En zo werd het een boven alle kritiek gelegen stelling. Zelfs een al te rustig bezit, zodat het geloofskarakter daarvan uit het oog werd verloren. - De leer van de Heilige Geest viel evenmin onder de moderne kritiek. Bij de opkomst van het modernisme werd zelfs bijzondere nadruk gelegd op de oude belijdenis van het getuigenis des Heiligen Geestes. Dit was een inwendig geloofsbezit, waarvan men zich zeker waande, en dat eveneens als iets min of meer vanzelfsprekends werd aangezien. Het werk des Heiligen Geestes werd verzedelijkt en het getuigenis des Heiligen Geestes opgevat als het bewustzijn van een rein hart. Het werd de kennis der waarheid, die alle goede mensen hebben. Een zedelijke evidentie.

De hele theologische kritiek werd ingezet op de belijdenis van Jezus Christus. Hier botsten de kerkleer en het moderne bewustzijn op elkaar. Hier kwam men God in de historie, zo meende men, tegen. En hier werd nu alles onzeker. De ontheologische, natuurlijke zekerheid bij het geloof in de Vader en de eveneens ontheologische, morele zekerheid bij het geloof in de Heilige Geest, wreekten zich hier in een alles verwoestend scepticisme bij de belijdenis van Jezus Christus. Niets kan ons zo duidelijk maken, hoezeer de hele theologie door het modernisme uit haar voegen was gerukt. Van de Jezus der evangeliën, de Machthebbende, de Zondenvergever, de Komende bleef zo goed als niets over. En voor de Christus van de Handelingen en de Brieven had deze theologie geen begrip. En met Hem verdween al het ontzaglijke en problematische uit de belijdenis van de Vader, zoals het Oude Testament die kent en tegelijk het verborgene en oordelende in de kennis van de Heilige Geest, zoals die na Pinksteren openbaar wordt.

Hier nu, waar de grenzen van het moderne humanisme zo duidelijk blijken, heeft Roessingh ingezet. Tegenover de evangeliën-kritiek heeft hij er de nadruk op gelegd, dat achter de teksten de 'majestueuze', de 'niet-wereldse' Christus staat. En dat de Christus in het Nieuwe Testament een realiteit is, meer realiteit dan iets anders in de geschiedenis. Hij wil op de vraag, wat hem dan waarborgt, dat aan dit 'beeld' een historische werkelijkheid beantwoordt, antwoorden: niets. Van de nieuwtestamentische Christus tot de werkelijkheid blijft het een sprong. Maar toch meent hij, dat men vaak mag antwoorden: alles.e Roessingh staat hier aan de grens van de historische kritiek, waar ze overziet naar een ander land en het geloof laat spreken.

Nog van een andere zijde heeft Roessingh de belijdenis van Jezus Christus benaderd. Tegenover de zinneloosheid, die het wereldbeeld vaak aan ons opdringt, klemt hij zich vast aan de Geest van Christus, die uit de eeuwen spreekt, of de openbaring van Christus in zijn lichaam, de gemeente.f Deze troostende zekerheid achter het wereldgebeuren wil hij niet loslaten. Weer staan we hier aan een grens. Nu meer een wijsgerige grens, en Roessingh wil ook hier de sprong over de kloof wagen.

Dit is voldoende om er een indruk van te geven, dat we bij hem op een keerpunt in de moderne theologie staan. Hier blijkt een sterke begeerte naar synthese; een verlangen om bevrijd te worden uit wat prof. Van Dijk eens noemde 'het gruis van allerlei mening'.g De wil en het besluit om weer contact te krijgen met Gods gestaltelijke en geestelijke openbaring, om langs die weg Gods oordeel en liefde te leren kennen en ervaren.

Dit is ook het middenpunt van de Geloofsbelijdenis waarover ik boven sprak. Ze bestaat uit vijf artikelen. Het middelste luidt als volgt:

Wij geloven in Jezus Christus.

Wij kennen Hem uit de bijbel en uit het christelijk geloofsleven van verleden en heden, waarbij wij de methode en de resultaten van het wetenschappelijk onderzoek ten volle aanvaarden.

Jezus Christus is voor ons:

de gestalte, in wie wij de heerlijkheid des Vaders aanschouwen, het licht der wereld, waarin wij de waarheid Gods ontvangen, de heilige macht, die mens en mensheid voert op de weg van de goddelijke wil.

God openbaart ons de diepten van zijn oordeel en de rijkdom zijner liefde nergens zo klaar als in het Evangelie van Hem, wiens leven en prediking, wiens kruis en overwinning verlossende kracht zijn voor mens en gemeenschap.

Aan dit artikel gaat vooraf een eerste waar over God als de Schepper en Onderhouder, de Almachtige, de Heilige en de Vader wordt gesproken; en een tweede over de Openbaring Gods aan alle tijden en volken, door het innerlijk licht, de natuur, de mens, de geschiedenis - maar in haar volheid door Jezus Christus.

En op artikel 3 volgt een vierde over de nieuwe mens die schuldig de vergevende liefde ervaart en daarin het nieuwe of eeuwige leven ontvangt; en een vijfde over het koninkrijk Gods, dat in Jezus Christus geopenbaard is, door mensen moet voorbereid, in de dienst der kerk en de arbeid aan de samenleving en dat God aan het einde der tijden zal verwerkelijken.

Ik acht deze korte geloofsbelijdenis, waarvan ik overigens alleen artikel 3 geheel uitschreef, van groot gewicht met het oog op de ontwikkeling der vrijzinnige theologie. De meeste aandacht trekt hier de behandeling der belijdenis van Jezus Christus, de christologie. Dit is het punt, waarop de wending voltrokken wordt. De leer over Jezus is de invalspoort geweest, waardoor het moderne humanisme in de theologie binnenstroomde. Het is begrijpelijk dat hier ook het nieuwe geluid het duidelijkst gehoord wordt. Maar tevens blijft het geheel daardoor heel sterk staan in het licht van een vroegere, meer intellectualistische periode. De strijd is intussen reeds veel ernstiger ten opzichte van wat men het eerste en het derde artikel van onze geloofsbelijdenis noemt: de belijdenis van de Vader en de Heilige Geest. De kritiek is in onze dagen niet langer uitsluitend historisch. De tijden dat de modernen het vaderschap Gods als een bijna natuurlijk axioma en het getuigenis des Heiligen Geestes als een zedelijk grondbeginsel konden aanzien, zijn wel voorgoed voorbij. Het gaat er nu over of er zulk een heilig Vader is, die toch God van deze wereld is, Schepper des hemels en der aarde. Wanneer de mensen van onze tijd dat middenin de nood des levens kunnen geloven, dan zullen ze het niet laten om een paar tegenstrijdige verhalen in de evangeliën. Ze zullen er ook niet op staan, dat Jezus een gewoon mens moet geweest zijn. De wereld vraagt een Heiland.

Zo is het ook met het getuigenis van de Heilige Geest. Ik geloof niet dat velen er op gesteld zijn daarin een bevestiging van hun eigen braafheid te horen. Men wil wel graag wat troost hebben in dit moeilijke en schuldige leven.

Hier ligt een der grote moeilijkheden van onze tijd.

Men durft niet te geloven tegen de werkelijkheid in, die men rondom en binnen in zich ziet. Men gelooft niet in een woord, dat alleen maar gehoord en niet gezien wordt.

Deze dingen hangen natuurlijk nauw samen met de belijdenis van Jezus Christus. Ze kunnen er niet van afgescheiden worden. Maar ze stellen toch de christologie in een nieuw licht. 't Gaat nu veel minder over natuurkundige en historische kwesties, of Jezus wonderen kon doen en wat hij precies gezegd heeft of niet gezegd heeft. De veldslag om de theologie is uit de studeerkamer verlegd naar het wereldtoneel en naar de binnenkamer.

Voetnoten

  1. a

    Zo bijv. C. E. Hooykaas, Tien hoofdpunten van ons geloof, Lochem 1929 en M. C. van Mourik Broekman, Vrijzinnig christelijk geloofsleven, Leiden 1925.↩

  2. b

    D. Bakker e.a., Wij gelooven ... De vrijzinnig-protestantsche beginselverklaring opgesteld door de Centrale Commissie van het Vrijzinnig Protestantisme nader beschouwd, Assen 1932. De verklaring op p. 5-9.↩

  3. c

    L. J. van Holk, C. J. Bleeker e.a., Geloofsbelijdenis van het Werkverband-Roessingh. Theologische verantwoording, Assen 1937, p. 2-6. Zie in dit deel, p. 95-101. .↩

  4. d

    Zie de voorrede van P. D. Chantepie de la Saussaye, Het christelijk leven, 2 dln., Haarlem 1910-1912, dl. 1, p - VII, waar de auteur zegt meer talent te hebben voor het schrijven van 'études littéraires et morales' dan voor het uitwerken van een samenhangend geheel. De la S. bundelde zijn essays in o.a. Tijd en eeuwigheid, Haarlem 1908 (stichtelijke overdenkingen) en Portretten en kritieken, Haarlem 1909 (literair-kritische opstellen).↩

  5. e

    Zie voor deze alinea K. H. Roessingh, De uitgangspunten eener christologie op den grondslag der kritische theologie, in Verzamelde werken van dr. K. H. Roessingh, G. J. Heering ed., dl. 2, Arnhem 1926, p. 332 vv.↩

  6. f

    Vgl. a. w., p. 336 vv.↩

  7. g

    Is. van Dijk, Vota academica. Overwegingen en wenschen op het gebied van het hooger onderwijs, in Gezamenlijke geschriften van dr. Is. van Dijk, J. J. Bleeker e.a. eds., dl. - 2, Groningen z.j.2,p. 45.↩

Eindnoten

  1. 1

    Geloofsbelijdenis verscheen in het Indisch Protestantsch Kerkblad 3 (juli 1933) nr. 1 Zie voor het IPK. VW., dl. 5, p. 134, noot 1.↩

  2. 2

    Zie voor de Centrale Commissie en haar beginselverklaring p. 101, noot 6.↩

Verantwoording

Deze pagina is automatisch opgebouwd uit de OCR-tekst van het boek. Paginagrenzen zijn hersteld, afgebroken woorden samengevoegd en voet- en eindnoten aan hun verwijzing gekoppeld. Zet onder Weergave de correcties aan om de verbeterde OCR-fouten en de onzekere plaatsen (⚑) in de tekst te zien. De tekst is niet met het gedrukte boek vergeleken.

← De geloofsbelijdenis van het Werkverband-RoessinghInhoudKritieke spanningen in de gereformeerde theologie →