De geloofsbelijdenis van het Werkverband-Roessingh1
1. God
Wij geloven in God: ⚑de Schepper en Onderhouder van alle dingen, zienlijke en onzienlijke, die in en door zichzelf bestaat, eeuwig en alomtegenwoordig;
de Almachtige, wiens heerschappij gaat over alles, zodat buiten zijn wil niets geschiedt of bestaat, die alles doet naar zijn ondoorgrondelijk welbehagen; de Heilige, voor wiens oordeel niets, wat onheilig is, stand kan houden; de Vader, wiens wezen liefde is, waarin ook wij door genade zijn opgenomen.
2. Openbaring
Wij geloven, dat God verborgen is, zodat uit eigen kracht geen mens Hem vermag te kennen, maar tevens, dat Hij zich openbaart.
Hij openbaart zich aan alle tijden en alle volken; zodat zijn Openbaring nimmer aan enig heilig schriftuur, enige leer of enig ambt zodanig mag worden verbonden geacht, dat iemand verhinderd zou worden zijn levend Woord te verstaan.
Wij geloven, dat God zich openbaart zowel door het innerlijke licht, alsook in de Natuur door het wonder der schepping, bovenal in het geheimenis van het leven; in de Mens door het wonder der persoonlijkheid, bovenal in het geheimenis der ziel, in de Geschiedenis, bovenal in de opbouw der cultuur, waarvan het godsdienstig-zedelijk leven de kern is.
Maar de volheid zijner Openbaring, die elke andere openbaring vervult en te boven gaat, schenkt God in Jezus Christus.
3. Jezus Christus
Wij geloven in Jezus Christus. Wij kennen Hem uit de bijbel en uit het christelijk geloofsleven van verleden en heden, waarbij wij de methode en de resultaten van het wetenschappelijk onderzoek ten volle aanvaarden.
Jezus Christus is voor ons: de gestalte, in wie wij de heerlijkheid des Vaders aanschouwen, het licht der wereld, waarin wij de waarheid Gods ontvangen, de heilige macht, die mens en mensheid voert op de weg van de goddelijke wil.
God openbaart ons de diepten van zijn oordeel en de rijkdom zijner liefde nergens zo klaar als in het Evangelie van Hem, wiens leven en prediking, wiens kruis en overwinning verlossende kracht zijn voor mens en gemeenschap.
4. De nieuwe mens
Wij geloven, dat God door de kracht van zijn Heilige Geest de mens vernieuwt.
Wij belijden dat wij allen, zelfs bij ons beste streven, deze vernieuwing van node hebben en zonder haar het leven, waartoe God ons roept, niet vinden.
Wanneer wij het goddelijk oordeel over ons leven aanvaarden, onze zonde als schuld tegenover God erkennen, zijn vergevende liefde ervaren en de richting van ons leven in gehoorzaamheid en vertrouwen willen zoeken, dan hebben wij het nieuwe leven in beginsel ontvangen.
Dit nieuwe leven is het eeuwige leven; het is de vrijheid, de blijdschap en de liefde van het kindschap Gods, het is de kracht, de arbeid en het getuigenis in de wereld, het is het leven, het sterven en de toekomst in God.
5. Het koninkrijk Gods
Wij geloven in de komst van een heilige orde en gemeenschap: het koninkrijk Gods, dat in Jezus Christus is geopenbaard.
Wij weten dat dit rijk niet door mensen zal worden verwerkelijkt, maar wij geloven, dat God hen roept om het voor te bereiden.
Dit houdt in: het dienen van zijn Kerk, die de gemeenschap der gelovigen is en de draagster en verkondigster van het Godswoord in leven en wereld; en de arbeid aan de samenleving, waarin de doorwerking der christelijke waarheid de vernieuwing zal brengen, waar de mensheid naar hongert en dorst.
Wij geloven en verwachten dat God aan het einde der tijden zijn oordeel zal voleinden en zijn koninkrijk zal doen komen als laatste en hoogste verwerkelijking van zijn heiligheid en liefde.
Dan zal Hij zijn alles in allen.a
Bovenstaande geloofsbelijdenis is opgesteld door een kring van vrienden en leerlingen van wijlen prof. Roessingh. Achter haar tekst schuilt de dankbare nagedachtenis van deze vroeg ontslapen Leidse theoloog. Wat veel meer is, uit haar artikelen spreekt een diepe eerbied voor Gods Openbarin in Jezus Christus. En eindelijk, haar uitspraken zijn gegeven in de cadans van een liturgische beweging, die iets verraadt van de geestelijke spanning, waaruit ze geboren zijn.
Daarom is het een uiterst kiese taak, enkele gedachten uit te spreken, die de lezing van het stuk bij ons wakker maakt. Men vreest te zullen beduimelen, wat anderen ter ere Gods uit de verborgen schat huns harten hebben uitgedragen.
Maar toch, een geloofsbelijdenis draagt nu eenmaal boven alles een publiek karakter. Ze wil voor engelen en mensen de waarheid Gods uitspreken. Ze zoekt de gemeenschap, maar ook het conflict; ze bevestigt en ontkent; ze bouwt en breekt af; ze vergadert en bant uit; ze sticht en verkettert. - Het is onbroederlijk te zwijgen als anderen spreken van hun geloof. .
Een der eerste voorwaarden daarbij is, dat men de wil er op zet om elkaar te verstaan. Dat is geen geringe eis. Wanneer ik zou moeten duidelijk maken, welke moeilijkheden zich daarbij voordoen, dan zouden de vijf artikelen van deze korte geloofsbelijdenis bij uitstek kunnen dienen. Want de uitdrukkingen, die hier gekozen werden, zijn niet stichtelijk bedoeld, al mogen ze onder bepaalde omstandigheden zo wel gelezen worden. Achter elk daarvan zit een stuk godgeleerde en wijsgerige bezinning. En de naam van Roessingh staat er borg voor, dat in beide opzichten, theologisch en filosofisch, de hele stof in beweging komt.
Wanneer vrijzinnige protestanten hun geloof gaan formuleren, dan is men er van te voren heel weinig zeker van, welke houding ze tegenover het christelijk dogma zullen aannemen. In dit geval zijn er echter omstandigheden, waardoor ons scepticisme sterk gematigd wordt. Ik denk aan drie vrijzinnige figuren, alle drie Groningers, die ik het voorrecht had op ringvergadering en conferentie enkele malen te ontmoeten. Frits Reitsma, De Graaf en Roessingh. Alle drie zijn vroeg gestorven. Reitsma de mysticus, bewerker van Jan Luykens boekje over Jezus en de ziel.2 De Graaf de psycholoog, nooit geheel los geworden van Heymans' psychisch monisme.3 Roessingh de theoloog, de dogmaticus; zonder enige reserve moet dat gezegd worden.
Dat is het eerste. Maar nog een andere doorsnede kan men maken door de vrijzinnige wereld, die deze eerste snijdt.
Wanneer Van Senden4 het rad der geboorte draait, weet men van te voren nooit van welke structuur de geest zal zijn, die hij oproept. Er zijn er bij als Melchizedek, zonder vader en zonder moeder. Bileams, geboren ver buiten de christelijke erve. - Anders is De Haas,5 de modern-religieuze Zwolse predikant. Zijn gedachte blijft veel dichter bij honk; hij is kerkelijker in taal en zegging. Maar tenslotte gaat hem de vrijzinnigheid boven 't historisch christendom. Heel de opbouw der kerk is hem de ziel van één vrijzinnige niet waard. - Met Lindeboom komen we heel wat nader in de buurt. Hij is lid van het moderamen van 'Kerkopbouw'. Hij gelooft en denkt christocentrisch. Maar als hij de beginselverklaring van de Centrale Commissie der vrijzinnig protestanten6 verdedigt, is er een sterke zweving tussen humanisme en christendom. Hij meent dat de kerk intuïtief altijd gelijk gehad heeft. En zoekt toch z'n geestelijke voorouders soms bij degenen, wier ongelijk de kerk heeft uitgesproken.b - Roessingh was geen humanist. Hij meende dat er 'een dringende roep' is om 'het anti-humanistische, het eschatologische element in de godsdienst'. Hij geloofde 'dat daarvoor 's zondags de meesten in de kerk komen'.c Wel blijft er bij hem ook een achtergrond van menselijkheid over, als hij er op wijst dat Erasmus onze vader is en dat wij hem niet kunnen uitdrijven.d Maar dat heeft bij hem niet, zoals bij De Graaf en Lindeboom, theologische, doch etnologische betekenis en als zodanig sluit ik mij daar graag bij aan.
Wanneer we de lijn in het oog vatten, waarlangs onze beide doorsneden van het vrijzinnig protestantisme elkaar kruisen, dan hebben we 't criterium, waarmee bovenstaande geloofsbelijdenis moet worden beoordeeld. Roessingh was theoloog, dogmaticus; en hij was anti-humanist; kerkelijk denker. De publikatie van het Werkverband-Roessingh moet gezien worden als een poging tot reconstructie van het kerkelijk dogma.
Als we het stuk nog eens overlezen, blijkt dat ook zeer duidelijk het geval te zijn. De indeling is trinitarisch, maar ze wordt doorbroken door een afzonderlijke behandeling van Openbaring en Kerk. Uit dat laatste blijkt haar protestants karakter. Met hun liturgische verheffing grijpen deze artikelen echter over de hervorming op de oude christenheid terug.
Met eerbied en grote belangstelling ben ik daarom getuige van deze toenadering van de vrijzinnigheid tot de christelijke belijdenis aller eeuwen. Natuurlijk meen noch wens ik, dat daarmee alles weer bij het oude blijft. We staan hier op de bodem van de kritische theologie. Kritisch tegenover het bestand van het bijbelwoord; kritisch tegenover de historische overlevering; kritisch tegenover de begrippen van het dogma. Dat is te zien aan het opschrift van artikel 2. Daar staat niet meer De heilige Schrift, maar Openbaring. - Dat betekent hier echter geen nieuw humanisme. Het omgekeerde is het geval. Alles is eschatologisch verschoven. Men merkt dat aan de titel van 't vijfde artikel. Daar leest men niet De Kerk maar Het koninkrijk Gods.
Dat we hier op modern-theologische grond staan, blijkt op andere wijze ook heel duidelijk uit artikel 3. Jezus Christus wordt daar genoemd gestalte, licht der wereld en heilige macht. Hier staat iets voor ons van de resultaten der kritische methode. Men moet die uitdrukkingen niet stichtelijk nemen. Men verstaat ze pas goed na de lezing van een opstel van Roessingh over De uitgangspunten eener christologie.e De gestalte is de onvernietigbare eenheid, die er voor de gelovige achter de evangeliën, niettegenstaande alle verschillen van overlevering en kritisch onderzoek, overblijft.f Ze is een rest, maar geen rest volgens een aftrekmethode. Ze is persoonlijk-overweldigend. Het is Jezus.
Het licht der wereld is het Woord, de Logos, de 'naar de wereld toege-keerde zijde van God',g de sfeer der Waarheid, waarin al de heiligen het leven hunner ziel en elkaar vinden. Het is een kosmische Geest: het is Christus.h En de heilige macht, dat is Jezus Christus, zoals Hij regelrecht, buiten alle historische reflectie of dogmatische en wijsgerige bespiegeling om, door zijn 'demonische'i verschijning de moderne mens tot zijn discipel maakt. - Althans zo lees ik het tweede lid van artikel 3 bij het licht van Roessinghs geschriften.
Over dit kritisch standpunt en de van daaruit in de richting van het christelijk dogma gewonnen resultaten zou veel te zeggen zijn. Daarvoor heb ik hier geen ruimte .
Een drietal opmerkingen wil ik echter niet achterhouden.
1. De trinitarische ontplooiing komt in deze artikelen niet zuiver tot haar recht. Een rest van oud modernisme blijkt m.i. uit de vooropstelling van de Vader, eer nog over Openbaring gesproken is. Alsof het Vader-zijn min of meer vanzelf sprak en tot de natuur van God behoorde, meer dan z'n Openbaring in Christus. Dit lijkt mij vierkant in strijd met het wezen van een kritische theologie. De literarische, historische en wijsgerige kritiek moge ontbindend hebben gewerkt ten opzichte van de overlevering en de leer omtrent Christus, ze heeft weinig te betekenen, vergeleken bij de twijfel, die het moderne leven wakker roept omtrent het vaderschap Gods. Het dogma van de Vader staat in veel groter nood dan de christologie.
Sedert de dood van Roessingh is dat nog wel duidelijker geworden en hij zou die nood zeker diep hebben doorleefd.
2. Hoofdstuk 4 draagt niet de titel De Heilige Geest, maar De nieuwe mens. Dat is voor mij, zo mogelijk, een nog ernstiger trinitarisch tekort.
Alweer bovenal op kritisch standpunt. Want dan blijkt, dat we zonder het goddelijk getuigenis des Heiligen Geestes geen theologie overhouden. Roessingh heeft dit 'subjectieve' standpunt, van z'n dissertatie af, ook wel ingenomen. Er is bij hem wel ruimte voor de belijdenis van de Heilige Geest. Toch gaat die ook bij hem schuil achter de alles beheersende christologie.j - Ik ben er van overtuigd, dat de verstandelijk-schiftende, aan de natuur georiënteerde of angstvallig in de historie zoekende manier van theologiseren bezig is voorbij te gaan. Als er een kerk zal blijven, zal het Evangelie met meer elementair geweld beslag moeten leggen op de harten. De tijd voor de belijdenis van de godheid des Heiligen Geestes komt. In verband hiermee en met de nood ten opzichte van het Vader-geloof, zal het karakter der kritische theologie sterk gewijzigd worden. De exclusief-christocentrische belangstelling met haar intellectualistische methoden en noden zal voorbij gaan.
3. Wanneer dit zo is, bestaat er ook geen reden om, zoals in artikel 4 gebeurt, bijbelse termen als verzoening en rechtvaardiging te vermijden en enkel van vernieuwing te spreken. daarmee is hier weliswaar niet bedoeld, op de manier van Schleiermacher, op de verlossing eenzijdig de nadruk te leggen. 't Is enkel voorzichtigheid met 't oog op het verschil in betekenis en opvatting van de nieuwtestamentische woordenschat. Wat er achter schuilt kan men lezen in een brochure van dr. P.D. Tjalsma7 over Vergeving.k Ik vind het een typisch voorbeeld van de neiging om in de theologie de stempel en de nadruk van de Heilige Geest van de woorden af te nemen. Men speurt dan historisch-literarisch na, wat ze in de christologie kunnen betekenen, en raakt zo de directe en krachtige toepassing kwijt, die ze bevatten in de bedeling der vertroosting.
Wanneer ik m'n bedenkingen mag samenvatten, dan zou ik willen vragen of het Werkverband niet te veel op het standpunt van Roessingh is blijven staan. Ik waag het, het vermoeden uit te spreken, dat hij zelf een sterkere theologische reactie op de geestelijke revoluties van onze tijd te zien zou hebben gegeven.