Stichting dr. O. Noordmans
Verzamelde Werken Inhoud Bijbelregister Zoeken

Verzamelde Werken, deel 4 · p. 191–194

Weergave

Wat is theologie?1

Een Inleiding in de theologie, zoals prof. Van der Leeuw er hier een gaf, verschijnt er maar zelden. Wel bestaan er een aantal encyclopedieën, die een overzicht geven van de theologische stof, maar daarin wordt aan de formele vragen meestal weinig aandacht geschonken. Zoals: wat is weten schap? de betekenis van elk onderdeel? - Daarover gaat nu dit boek uitsluitend.

Voor de nieuwere tijd is in dit opzicht Schleiermacher baanbrekend geweest.a Van der Leeuw noemt diens werk over dit onderwerp een 'onovertroffen model van formele encyclopedie'.b - Ten onzent heeft Kuyper zijn bekend standaardwerk gegevenc waarnaast ook enige tijdschriftartikelen van Daubanton2 kunnen worden genoemd.d

Dat zulke Inleidingen witte raven zijn, is verklaarbaar. Men dient, om ze te schrijven, meer te zijn dan bekwaam vaktheoloog. Men moet algemeenwijsgerig en theologisch geschoold zijn en bovendien het hele veld min of meer kunnen overzien.

Veel moeite heeft de schrijver zich getroost om de theologie op haar wetenschappelijk gehalte te keuren- Dat is voor hem niet allereerst een kwestie van prestige, maar van invloed. Hij zoekt minstens evenveel de wetenschap haar theologisch karakter in herinnering te brengen, als voor de theologie wetenschappelijkheid te vindiceren.e op 'wetenschapsleer in het algemeen'f mikt deze encyclopedie, met de praktische bedoeling om kerk en school op elkaar aan te wijzen. En hij doet dat met bewonderenswaardige vaardigheid niet alleen, maar ook met streng-wetenschappelijke consequentie. De lijnen worden prachtig getrokken. De gedachten zijn goed volgehouden, tot het eind toe. Het is een gaaf boek.

Van der Leeuw heeft partij getrokken van de omstandigheid dat er, ongeveer in 't centrum van de hele cyclus der studie, een paar terreinen van wetenschap zijn ontstaan, die er veel toe hebben bijgedragen om de klove tussen de natuurwetenschap en de geesteswetenschappen minder diep te maken. Ik bedoel de structurele psychologie en de fenomenologie.3 Bekend is, hoezeer de schrijver ze beheerst. Zij hebben hun ontstaan te danken aan een ontmoeting tussen de zielkunde en de logica. Het kantianisme was een confrontatie van natuurkunde en logica. Sedert is de ziel meer naar voren gekomen, èn in de wetenschap èn in het leven. De wijze waarop zij zich in het leven gedraagt, maakt iemand onwillekeurig enigszins sceptisch tegenover de mogelijkheid, dat zij ons dichter bij God en de theologie zal brengen. Zij begint al vast met de geest voor zich uit te drijven, zoals Etzel de Goten.4 Zij zet kerk en school op zeer gespannen voet, meer dan ooit sedert de dagen van Julianus de Afvallige.5 Zal haar houding in de wetenschap een andere zijn?

In de dieptepsychologie is dat aanvankelijk niet bepaald het.geval geweest. Pas toen deze min of meer gechristianiseerd werd, ging ze zich beter gedragen. Maar Künkel6 blijft toch nog een soort concurrent van Paulus.

Voor ons is het nu de vraag of de logische zielkunde, die overgaat in een wetenschappelijke methode, de bedoelde toenadering tussen kerk en school, wetenschap en theologie, kan brengen. Het betreft hier fijnere logische onderzoekingen,7 die men in Duitsland ook nu nog helemaal vrij laat, omdat men meent dat ze in de verhouding van de werkelijke kerk en de werkelijke school niet ingrijpen. Iemand als Karl Heim,8 die zich vroeger met voorliefde op dit terrein bewoog, heeft zich juist daarom de lust daartoe voelen ontgaan. Men heeft behoefte de beitel scherper op het materiaal te zetten.

Nu weet Van der Leeuw deze dingen ook wel. Zijn boek is juist een poging om op de formele lijnen zoveel materiaal te dragen, dat we ons dichter bij de werkelijkheid voelen. De logische zielkunde is in de buurt van Kant en van de natuur begonnen, maar ze heeft zich langzamerhand van hem verwijderd. De structuur als zodanig is een logisch geraamte, een mager ding. Een echte ziet kan er een oneindig aantal van bevatten, zonder er vet van te worden, evenmin als de koeien uit farao's droom. Maar men kan het leven en de geschiedenis er in betrekken en anderzijds de eigen existentie. Men houdt dan formeel dezelfde figuur, maar er komt veel stof langs de lijnen te liggen.

Theologie wordt dat nog niet en mag het niet worden. Het begrip van het leven komt hier niet van boven en van buiten tot ons, zoals in de bijbel, maar wordt uit de verschijnselen zelf afgeleid. Maar men slaagt er toch in, met behulp van de logische zielkunde, de fenomenologie en de nieuwere existentie-leer, om wetenschappelijke cirkels te trekken, waarin natuur en geest beide een plaats krijgen, zodat ze meer overeenkomen met de com piete schepping, die de bijbel ons leert kennen. Anders dan bij Spinoza met loof tussen denking en uitgebreidheid; of Kant met zijn theoretische en praktische rede. 'Verstaanbaarheidskringen' (Duits: 'Verstehenskreis') noemt Van der Leeuw zulke cirkels.g Naarmate ze meer met historie en leven worden gevuld, kan de school dan op een kerk gaan lijken. Bovenal op haar grens, waar de wetenschap niet verder kan, schijnt ze dan over de theologie te profeteren.

Dat het in deze Inleiding vooral om deze aaneensluiting van kerk en school te doen is, blijkt reeds als men het Register inziet. Men zal er theologen als Augustinus, Thomas en Calvijn niet of nauwelijks aangehaald vinden. Zoveel te meer echter de virtuozen der logische zielkunde en der moderne existentie-leer. Men moet eerbied hebben voor de arbeid die op dit gebied is verricht en voor de wijze waarop prof. Van der Leeuw zijn constructie daaruit heeft opgebouwd.

Nu is de schrijver te goed theoloog om de wetenschap in de theologie te laten overgaan. Hij wil, met Spranger, 'het recht van de eeuwige tegenspraak der theologie' erkend zien.h En op die tegenspraak is het boek eigenlijk van 't begin af aangelegd. Waar hij met een zekere ophef - met name tegenover Kuyper, maar wezenlijk ook tegenover Schleiermacher - het spreken als derde lid naast zien en doen in de wetenschappelijke methode opneemt.i Dat is een moderne geste, die aan de dialectische theologie herinnert en daarbij bewust aansluit. Maar hier stelt het boek nu teleur. Het spreken groeit in de theologie niet uit tot tegenspraak, maar de tegenspraak tussen kerk en school wordt slechts genoemd om ze te reduceren tot samenspraak.j Zien, doen en spreken krijgen te weinig differentiatie op de verschillende terreinen van wetenschap. Ze worden gemoduleerd naar de middelste kring der studie, de logische zielkunde. Spreken komt dan niet uit boven verstaanbaarheid. Wanneer, zoals hier geschiedt, de school de teksten opgeeft waarover in de kerk gepreekt moet worden,k dan is dat geen vrij-uit spreken. Het recht en de plicht van tegenspraak, die aan de theologie eigen zijn, worden dan verkort. ⚑Daarom meen ik dat kerk en school, theologie en wetenschap nooit zo zullen harmoniëren als ze dat doen in deze Inleiding. De ziel moet tegengesproken worden, niet alleen wanneer ze op het oorlogspad is tegen de geest of als ze haar aan de zondige natuur verwante diepten bloot legt, Maar ook om haar logische structuur. Zelfs wanneer men meer wetenschapsleer bedrijft dan eigenlijke theologie, mag men dit niet vergeten.

Van der Leeuw heeft elders - ook in dit Weekblad - wel eens Op treffende wijze aangewezen, dat wij in onze tijd het ongeloof weer als geloof, als heidendom - tegenover het christendom - zien optreden.l Voor de wetenschap Ziet hij echter de verhouding veel vrediger dan voor het volle leven. Wel verruilt hij ook hier - met Kuyper - de geldigheid voor geloof.m Maar het algemeen geloof, dat hij als theologische onderstelling van alle wetenschap aanneemtn staat bij hem op goede voet met het christelijk geloof.

De terugslag daarvan op de theologie is zeer merkbaar. Er ontstaat sterke overeenkomst. Op analoge wijze als waarop bij Dilthey de mens met zijn algemeen geloof in de levende samenhang der geschiedenis staat, gebeurt dat nu ook bij het christelijk geloof. De theologie wordt zaak van een kring, die Van der Leeuw gaarne de levende kerkp noemt en waarin al de factoren voorkomen, die de theologie tot produkt kunnen hebben. De bijbel als vrijuit sprekende en tegensprekende instantie wordt ietwat achteruit gezet. De kring wordt zichzelf verstaanbaar. "Orthodoxe theologie" - zo wordt Otto Piper9 met instemming geciteerd - "is het wetenschappelijk zelfbewustzijn der kerk."q Van der Leeuw speurt hier 'hoogkerkelijke frisse lucht'.r

Inderdaad waait deze hoogkerkelijke wind overal waar, zoals bij roomsen en anglicanen, tussen de stratosfeer van het dogma en de stormachtige atmosfeer van het leven te veel analogie wordt aangenomen. Als de verhouding tussen kerk en school te goed is.

Voetnoten

  1. a

    F. E. D. Schleiermacher, Kurze Darstellung des theologischen Studiums. Zum Behuf einleitender Vorlesungen, Berlijn 1811, Darmstadt 19825.↩

  2. b

    G. van der Leeuw, Inleiding tot de theologie, Amsterdam 1935, P. 12.↩

  3. c

    A. Kuyper, Encyclopaedie der heilige godgeleerdheid, 3 dln., Amsterdam 1893-1894, Kampen 1908-19091.↩

  4. d

    N. doelt hier op de artikelen die F. E. Daubanton schreef over dit onderwerp in Theologische Studiën: Ter inleiding tot de encyclopaedie der theologie, in ThS. 2 (1883), p. 1-44, 65-114. De inrichting der wijsgerige godgeleerdheid, in ThS. 3 (1884), P, 1-66, 93-146, 177-220. Oratio pro domo. Schrijven aan dr. J. M. S. Baljon, naar aanleiding van zijne studie. De inrichting van de encyclopaedie der christelijke theologie, in ThS. 7 (1889), p. 89-127. Kuyper's Encyclopaedie uiteengezet en beoordeeld, in ThS. 13 (1895), p. 100-144, 163-227, 263-286,435-477, in ThS. 14 (1896), p. 55-72,155-186, gebundeld in Kuyper's Encyclopaedie uiteengezet en beoordeeld, Utrecht 1896.↩

  5. e

    Van der Leeuw, a. w., p. 113.↩

  6. f

    'Ibid.'↩

  7. g

    'A. w., p. 61. * Het Duitse woord noemt Van der L. op p. 67, zonder aan te geven aan wie hij dit ontleent.↩

  8. h

    'A. w., p. 114. * Vgl. E. Spranger, Der Kampf gegen den Idealismus, in Sitzungsberichte der Preussischen Akademie der Wissenschaften. Philosophisch-historische Klasse (1931) nr. 17, P. 421.↩

  9. i

    Van der Leeuw, a. w., p. 16 vv. en 36.↩

  10. j

    *A.w., p. 115.*↩

  11. k

    'A. w., p - 84 vv.↩

  12. l

    Vgl. G. van der Leeuw, Heidendom, in A WCC. 10 (1933/34), nr. 42, p. 1 v.↩

  13. m

    Inleiding tot de theologie, p. 113,↩

  14. n

    *Ibid. *↩

  15. o

    *A. w., p. 61 en 75.⚑

  16. p

    A.w., P. 111 v.↩

  17. q

    Cit. naar *a. w., p. 112. * O. Piper, Theologie und reine Lehre. Eine dogmatische Grundiegung von Wesen und Aufgabe protestantischer Theologie, Tübingen 1926, p. 35.↩

  18. r

    Van der Leeuw, ibid.↩

Eindnoten

  1. 1

    In Wat is theologie?, verschenen in AWCC. 12 (1935/36) nr. 23, p. 177 v., gaf N. een bespreking van G. van der Leeuw, Inleiding tot de theologie, Amsterdam 1935.

    G. van der Leeuw (1890-1950), hervormd theoloog en godsdiensthistoricus, vanaf 1918 hoogleraar te Groningen voor de fenomenologie van de godsdienst, godsdienstgeschiedenis, encyclopedie der theologie, Egyptische taal- en letterkunde en liturgiek. Zeer veelzijdig geleerde met internationale bekendheid. Van der L.s theologie wil incarnatietheologie zijn: in het perspectief van incarnatie en eschaton zag hij de mogelijkheid tot herstel van de eenheid des levens als een zaak des geloofs. Alle wetenschap kenmerkte zich z.i. door een eschatologisch karakter: verwijzend naar een totaalsamenhang die in de theologie voorwerp van geloof is.↩

  2. 2

    F.E. Daubanton (1853-1920), hervormd theoloog, vanaf 1903 hoogleraar vanwege de Ned. Herv. Kerk te Utrecht. D. werkte mee aan het in 1883 opgerichte tijdschrift Theologische Studiën (zie VW" dl. 1, p. 76, noot 20). Hij behoorde tot de ethische richting.↩

  3. 3

    Over psychologie spreekt Van der L. als 'grenswetenschap' (Inleiding, p. 51 vv.), over fenomenologie als 'tussenwetenschap' (a. w., p. 67 vv.) tussen natuur- en geesteswetenschappen. Zie ook in dit deel, p. 442, noot 17.↩

  4. 4

    Etzel of Attila (gest. 453), vorst van de Hunnen, bijgenaamd 'de gesel Gods' vanwege zijn wreedheid. Attila leverde met succes slag tegen het Oostromeinse rijk. Zijn beroemde veldtocht naar het Westromeinse rijk is in veel legenden verwerkt (zie bijv. H. de Boer, Das Attila-Bild in der Geschichte, Legende und heroischerDichtung, 1932). Na zijn dood viel het Hunnenrijk uit elkaar.↩

  5. 5

    Zie VW., dl. 5, p- 534, noot 9.↩

  6. 6

    Zie voor F. Künkel VW., di. 5, p. 323, noot 38.↩

  7. 7

    Te denken valt aan E. Spranger, Lebensformen. Geisteswissenschaftliche Psychologie und ethik der Persönlichkeit, Halle 19307.↩

  8. 8

    Aanvankelijk vertrouwde Heim op de kritische kracht van het Evangelie en trachtte hij deze met het moderne door relativiteit gestempelde wereldbeeld te verzoenen. Vgl. zijn Das Weltbild der Zukunft, 1904. Na publikatie van dit boek schrok hij voor de consequenties van deze poging terug en bewoog hij zich daarna in een van deze kritiek gevrijwaarde orthodoxe lutherse positie, zonder zijn apologetische drijfveren geheel op te geven.↩

  9. 9

    O. Piper (1891), Duits evangelisch theoloog, o.a. hoogleraar te Göttingen (1929), Münster (1930) en Princeton N.J. (1941). In Theologie und.reine Lehre (1926) verdedigde hij theologie als kerkelijke wetenschap tegenover haar afleiding uit de humaniteitsidee enerzijds en de eisen van kerkleiding anderzijds.↩

Verantwoording

Deze pagina is automatisch opgebouwd uit de OCR-tekst van het boek. Paginagrenzen zijn hersteld, afgebroken woorden samengevoegd en voet- en eindnoten aan hun verwijzing gekoppeld. Zet onder Weergave de correcties aan om de verbeterde OCR-fouten en de onzekere plaatsen (⚑) in de tekst te zien. De tekst is niet met het gedrukte boek vergeleken.

← Mysterie of boodschapInhoudGemeenschap - Gezag - Geloof →