Stichting dr. O. Noordmans
Verzamelde Werken Inhoud Bijbelregister Zoeken

Verzamelde Werken, deel 4 · p. 196–198

Weergave

Gemeenschap - Gezag - Geloof1

Dit zijn drie lezingen, die prof. Van der Leeuw 't vorige jaar te Leiden hield, op uitnodiging van het Universiteitsfonds. Zoals alles van deze schrijver, getuigen ze van een rijke, weelderige belezenheid en een sterk combinatievermogen. De stof maakt de indruk van onuitputtelijkheid bij het uitzoeken daarvan gelden niet alleen wetenschappelijke, maar - En ook esthetische overwegingen. De redenering wordt verlucht door fraaie citaten uit Ovidius, Horatius, Sophocles, Vondel, Revius, die aan het betoog een liturgische pracht bijzetten. Het moet een genot geweest zijn deze lezingen te horen.

Die weelde staat een geregelde gang der gedachten echter niet in de weg. De bouw van het betoog is niet streng, wat bij deze architectuur uitgesloten is, maar wel regelmatig. In de eerste lezing wordt fenomenologisch de gemeenschap in 't algemeen beschreven; in de tweede wordt een religionsfilosofische beschouwing over de staat gegeven en de derde bevat een dogmatische omlijning van het kerkbegrip.

Men ziet dat de bezinning in de drie achtereenvolgende stukken telkens een ander karakter krijgt. Dit hangt samen met de denkwijze van prof. Van der Leeuw, zoals hij die in zijn Inleiding tot de theologie heeft geschetst. aToch behandelt de redenaar tenslotte slechts één onderwerp, dat hij het heilige gemeenschappelijke noemt.b In de eerste lezing, over de primitieve gemeenschap, ziet hij het heilige ten opzichte van de gemeenschap als identiek, tenminste nagenoeg. In de beschouwing van de staat is het immanent. En in de derde lezing, over de kerk, geldt het als transcendent. Vandaar dan ook de verschillende graden in de elevatie van de gedachte: fenomenologisch, wijsgerig, dogmatisch.

De behandeling van de primitieve gemeenschap wordt bepaald door de tegenstelling van het gegevene en het gewilde; van groei en daad; cel en verbond.c Deze dialectiek brengt de moeilijkheden, die ons vooral op staatkundig en kerkelijk gebied zoveel te doen geven.d

De moeilijkheden in de staat geven dr. Van der Leeuw aanleiding om, in aansluiting aan rnr. Paul Scholten, de koningsgedachte naar voren te brengen.e

Daarmee zou een middenweg gevonden zijn tussen theocratie en dictatuur. In dit instituut zou het heilige historisch, levend, meewerkend in de gemeenschap tegenwoordig zijn.f

Terwijl de schrijver op politiek gebied de taal der anglicanen voert2 -zijn stem klinkt anders dan die van Scholten3 - laat hij voor het kerkelijke, in de derde lezing, het timbre van de dialectische theologie vernemen. In Christus 'regeert God van het kruishout af'.g Het koninkrijk is niet in de kerk, maar het komt in de wereld en het snijpunt heet kerk.h

Als ik bij deze mooie lezingen verder nog een paar kanttekeningen mag maken, zou ik met de laatste willen beginnen. Ik vind het belangrijk dat de redenaar daar zijn idee van een levende kerk, die in zijn Inleiding tot de theologie nog aanwezig is,i heeft laten varen. Hij is hier zuiver dialectisch theoloog. De Engelse leer van de meelevende Godheid4 wordt enkel nog voor de politiek gebruikt. Het merkwaardige resultaat daarvan is de beschouwing over het koningschap in de tweede lezing.

Geheel voldoet mij dit nog niet. Ik zie het koningschap liever op historische en juridische gronden verdedigd, met politieke argumenten, dan met religionsfilosofie. Een 'Auseinandersetzung' met Groen van Prinsterer, zoals Scholten die gaf,j bevredigt mij meer dan die met Nietzsche.k

Dit brengt mij tot mijn laatste kritische noot. Ik heb er eigenlijk over de hele lijn van deze lezingen bezwaar tegen, dat de maatstaven tweemaal veranderd worden. Ik weet wel dat het samenhangt met de methode die Van der Leeuw in zijn Inleiding tot de theologie gaf, maar juist daartegen heb ik gravamina. Ik heb die vroeger in een artikel in dit blad geformuleerd.l Door die wisseling in gezichtspunten verandert de lichtval op dezelfde figuren zo geweldig, dat men er moeite mee heeft het te verdragen.

Zo brengt de fenomenologische beschouwing van het begin de redenaar ertoe, David een 'Palestijns bendehoofd' te noemen. Van der Leeuw voelt het pijnlijke. Hij voegt er in parenthese bij: 'niettemin straks de typische koning'.m Inderdaad, iets verder in lezing 2 zou David de koning 'bij de gratie Gods' moeten heten, in wie het heilige met Israël meeleeft. En in lezing 3 zou men zich moeten herinneren dat Jezus de 'Zone Davids' genoemd is.

Ik vraag mij af of dit telkens verschieten van het licht geen schade doet en of de dogmatische beschouwing van Augustinus, die van het einde af naar het begin toe consequent doorgetrokken is en de twee rijken geheel uit elkaar houdt, niet vruchtbaarder is voor de theologie.

Deze opmerkingen mogen ten bewijze strekken, dat ik mij met veel belangstelling in deze rijke beschouwingen van Van der Leeuw heb verdiept.

Voetnoten

  1. a

    G. van der Leeuw, Inleiding tot de theologie, Amsterdam 1935, passim.↩

  2. b

    G. van der Leeuw, Gemeenschap - Gezag - Geloof. Drie voordrachten, op uitnoodiging van het Leidsch Universiteitsfonds gehouden op 12, 19 en 26 februari 1937, Groningen 1937, p. 10. Vgl. ook p. 29 en 60 v.↩

  3. c

    Vgl. a. w., p. 12 vv.↩

  4. d

    Vgl. a. w., p. 17 vv. en 23 v,↩

  5. e

    Vgl. a.w., p. 28-49. P. Scholten, Er staat geschreven, er is geschied, in P. Schotten e.a., Christen en burger. Opstellen over de verhouding van christendom en staat, Zwolle 1937, p. 3 vv.↩

  6. f

    A.w., P. 43. Van der L. citeert hier O. Spann, Gesellschaftsphilosophie, in Handbuch der Philosophie, afd. IV (Staat und Geschichte) B, München enz. 1934, p. 57. Letterlijk staat daar (over de tegenwoordigheid van het heilige in de gemeenschap): 'im Lebensgange der Gemeinschaft lebendig, schöpferisch, mitwirkend, mitdabeiseiend'.↩

  7. g

    * A. w., p. 55.* Regnavit a ligno Deus (Venantius Fortunatus).↩

  8. h

    Vgl. a, w., p. 56.↩

  9. i

    Van der Leeuw, Inleiding tot de theologie, p. 111 v.↩

  10. j

    Schotten, Er staat geschreven, er is geschied, passim.↩

  11. k

    Vgl. Van der Leeuw, Gemeenschap - Gezag - Geloof, p. 28 v.↩

  12. l

    Zie p. 191-195.↩

  13. m

    *Van der Leeuw, a. w., p. 33. *↩

Eindnoten

  1. 1

    N. publiceerde Gemeenschap - Gezag - Geloof in AWCC. 14 (1937/38) nr. 25, p. 195 v. Hij besprak daarin het gelijknamig werk van G. van der Leeuw, uitgegeven Groningen 1937, waarin drie voordrachten gebundeld waren die Van der L. hield op 12, 19 en 26 februari 1937 te Leiden.↩

  2. 2

    Zo bijv. spreekt Van der L. in a. w., p. 42 over zijn zoeken naar een via media tussen theocratie en dictatuur, een 'derde weg ... waarbij het gezag niet direct goddelijk, noch direct menselijk is, doch van God, door de mens, een gezag Dei gratia'(a.w., p. 40). Van dit gezag achtte hij de koning het symbool.↩

  3. 3

    Zie in dit verband p. 199-204.↩

  4. 4

    De gedachte van een 'suffering God' of een 'suffering of God' is karakteristiek voor de Engelse theologie (m.n. de anglicaanse) van eind vorige eeuw tot aan de Tweede Wereldoorlog. Ze veronderstelt een samengaan van de ideeën van immanentie en transcendentie in het Godsbegrip.↩

Verantwoording

Deze pagina is automatisch opgebouwd uit de OCR-tekst van het boek. Paginagrenzen zijn hersteld, afgebroken woorden samengevoegd en voet- en eindnoten aan hun verwijzing gekoppeld. Zet onder Weergave de correcties aan om de verbeterde OCR-fouten en de onzekere plaatsen (⚑) in de tekst te zien. De tekst is niet met het gedrukte boek vergeleken.

← Wat is theologie?InhoudVoorheen en thans →