Het vierde ambt in de Hervormde Kerk1
Als onderdeel van onze discussie over het beroep op de Schrift voor de kerkorde geeft prof. Brouwer in het septembernummer een uitvoerig historisch exposé over het vierde ambt in de Hervormde Kerk. Het stuk loopt uit op een advies inzake het nieuwe reorganisatie-ontwerp. De schrijver zou de vergaderingsleertucht daaruit willen elimineren en daarvoor, onder zekere voorwaarden, het advies van de kerkelijke hoogleraren in de plaats stellen.2 Nu lijkt mij, nog afgezien van de inhoud, de tijd voor dit amendement op het ontwerp niet gelukkig gekozen. De leertucht behoort tot het akkoord met Kerkherstel3 dat onder presidium van prof. Brouwer werd getroffen.4 Ik vermoed dat hij zich deze situatie, toen hij zijn artikel schreef, niet voldoende gerealiseerd heeft en meen in zijn geest te handelen als ik het als een lapsus calamia beschouw en het daarom niet opzettelijk ga bestrijden.
Blijft dan over de meer academische kwestie omtrent het vierde ambt in onze kerk. En daarbij moet dan weer onderscheiden tussen de meer theologisch-wetenschappelijke vraag naar de mogelijkheid van een herleving van een zuiver-kerkelijk doctoraat en de praktische wending die prof. Brouwer daaraan geeft, door de zes kerkelijke hoogleraren daarvoor kandidaat te stellen. Deze wending blijft een particuliere gedachte en wordt niet gesteund door enige hogere klaarblijkelijkheid of noodzakelijkheid. Want als prof. Brouwer in zijn artikel uitstippelt dat een paar stukjes van de in 18765 verbrokkelde theologische faculteit aan de kerk, in onderscheiding van de school, zijn toegevallen, is daarmee niet meer dan een chronologische volgorde van enige feiten aangewezen. Op de waardering van die feiten komt het aan. Prof. Brouwer ziet het als providentieel en wil het herstel van het vierde ambt daaruit afleiden. Ik noem dat een toevalligheid, gevolg van een fout van de wetgever die hersteld zou moeten worden en niet geëxploiteerd.
In de dagen der hervormers en nog wel later ook lieten kerk en staat samen zich nog bezien als een 'corpus christianum' en het kwam de mensen voor alsof van dit 'christelijk lichaam' een christelijke wetenschap kon bestaan, de koningin der wetenschappen, de theologie. Ook wanneer de theologie niet streng kerkelijk werd beoefend dan kon ze toch als christelijke wetenschap over elk onderdeel van het christelijk lichaam adviseren. Kerk en school waren nog zo verwant dat Calvijn het doctorenambt min of meer dorst te seculariseren. Sedert is alles geweldig verschoven. Van het 'corpus christianum' is de bouw niet meer te onderscheiden. En de christelijke wetenschap, ontslagen van haar praktische taak, ging schoolse vragen na die de kerkelijke wijding ook in wijdere zin misten. Zo moest de breuk in de theologie wel komen. Voor de theologie als wetenschap werden die vakken gereserveerd die een breed-theoretische allure hadden, terwijl aan de kerk de 'praktische' vakken werden toegeworpen, afgesneden van hun algemene basis. 'Praktische' vakken, die hun naam hadden te danken aan het niet meer praktiseren over het grote lichaam der christenheid.
Daarom doet het zo zonderling aan wanneer iemand u nu komt vertellen dat deze praktizijns voortaan weer zullen doen wat men vroeger soms van de doctoren verwachtte, toen de theologie in haar geheel in zekere zin de theorie van de christenheid kon heten. De staat werd heidens, de kerk ligt kapot, maar er zijn dan nog zes oude doctoren overgebleven bij wie men adviezen kan halen in voorkomende gevallen als men wil weten hoe men heeft te oordelen in geval van de laatste praktijk, van kerk en staat, van hemel en hel.
Prof. Brouwer beroept zich bij dit voorstel op zijn veertienjarige praktijk als kerkelijk hoogleraar. Ik wil voor dat beroep gaarne zoveel mogelijk ruimte maken. Ik zou mij er op kunnen beroepen dat ik als predikant ook met de leer in aanraking kom. Ik zal dat niet doen. Ik zal ook niet inbrengen dat ik belijdend lid van de kerk ben. Ik zal nog verder teruggaan en enkel als dooplid op zijn gedachte reageren. Maar dan mag ik in die kwaliteit misschien ook wel een opmerking maken. En dan zou het deze zijn dat mijn ouders mij niet in de wieg gelegd hebben om, op welke datum dan ook, onder zes pausen in de Hervormde Kerk wakker te worden.
Er is nu eenmaal niets aan te doen. Dat doctoraat of leraarschap heeft in de christelijke kerk altijd een zware dobber gehad. Het is eigenlijk nooit volledig geaccepteerd. Sedert de Reformatie stond het een tijdlang tussen kerk en staat in. Doctor Philippus6 (Melanchton) kweekte met dit instituut eeuwenlang de ambtenarij voor kerk en staat in Duitsland. Calvijn stond, blijkens de Institutie en zijn Kerkorde, op het punt hem dit na te doen.7 Maar hij vertrouwde de zaak toch niet recht. Hij voelde beter dan Melanchton de klove die er gaapt tussen humanisme en christendom, school en kerk. Dit voorgevoel is gebleken maar al te gerechtvaardigd te zijn geweest. De zaak is op een debácle uitgelopen. En als wij nu de wereld en de theologie tegenover elkaar zien staan, merken wij dat de kwestie van het doctoraat, van de theorie van het koninkrijk Gods op aarde, moeilijkheden oplevert van kosmische grootte.
Daartegenover baat het niets als we enige jaartallen uit de geschiedenis naast elkaar plaatsen om te laten zien dat een paar van het geheel gescheiden vakken bij de kerk terechtkwamen. Prof. Brouwer doet alsof men met een stoot over de band het balletje van het doctoraat weer in de kerkzak kan laten terechtkomen. Dit lijkt mij wel heel naïef. Zulke ambten bewegen zich niet netjes op het groene laken in een vlak van twee afmetingen, maar ze hebben kosmische ruimten tot hun beschikking. En het doctoraat staat nu in oppositie met het pastoraat. Een theorie van christenheid is ver te zoeken. Wij hebben nog kans dat uit de ziel van pastoraat en kudde zelf waarheidsbesef zal wakker worden door Gods Geest, genoeg om aan de kerk tucht terug te geven. Maar een kunstmatige pausjeskweek zou onvruchtbaar zijn.