Stichting dr. O. Noordmans
Verzamelde Werken Inhoud Jaren Bijbelregister Zoeken

Verzamelde Werken, deel 5, p. 407–409

Weergave
Passages naar Readwise sturen

Het vierde ambt in de Hervormde Kerk1

Als onderdeel van onze discussie over het beroep op de Schrift voor de kerkorde geeft prof. Brouwer in het septembernummer een uitvoerig historisch exposé over het vierde ambt in de Hervormde Kerk. Het stuk loopt uit op een advies inzake het nieuwe reorganisatie-ontwerp. De schrijver zou de vergaderingsleertucht daaruit willen elimineren en daarvoor, onder zekere voorwaarden, het advies van de kerkelijke hoogleraren in de plaats stellen.2 Nu lijkt mij, nog afgezien van de inhoud, de tijd voor dit amendement op het ontwerp niet gelukkig gekozen. De leertucht behoort tot het akkoord met Kerkherstel3 dat onder presidium van prof. Brouwer werd getroffen.4 Ik vermoed dat hij zich deze situatie, toen hij zijn artikel schreef, niet voldoende gerealiseerd heeft en meen in zijn geest te handelen als ik het als een lapsus calamia beschouw en het daarom niet opzettelijk ga bestrijden.

Blijft dan over de meer academische kwestie omtrent het vierde ambt in onze kerk. En daarbij moet dan weer onderscheiden tussen de meer theologisch-wetenschappelijke vraag naar de mogelijkheid van een herleving van een zuiver-kerkelijk doctoraat en de praktische wending die prof. Brouwer daaraan geeft, door de zes kerkelijke hoogleraren daarvoor kandidaat te stellen. Deze wending blijft een particuliere gedachte en wordt niet gesteund door enige hogere klaarblijkelijkheid of noodzakelijkheid. Want als prof. Brouwer in zijn artikel uitstippelt dat een paar stukjes van de in 18765 verbrokkelde theologische faculteit aan de kerk, in onderscheiding van de school, zijn toegevallen, is daarmee niet meer dan een chronologische volgorde van enige feiten aangewezen. Op de waardering van die feiten komt het aan. Prof. Brouwer ziet het als providentieel en wil het herstel van het vierde ambt daaruit afleiden. Ik noem dat een toevalligheid, gevolg van een fout van de wetgever die hersteld zou moeten worden en niet geëxploiteerd.

In de dagen der hervormers en nog wel later ook lieten kerk en staat samen zich nog bezien als een 'corpus christianum' en het kwam de mensen voor alsof van dit 'christelijk lichaam' een christelijke wetenschap kon bestaan, de koningin der wetenschappen, de theologie. Ook wanneer de theologie niet streng kerkelijk werd beoefend dan kon ze toch als christelijke wetenschap over elk onderdeel van het christelijk lichaam adviseren. Kerk en school waren nog zo verwant dat Calvijn het doctorenambt min of meer dorst te seculariseren. Sedert is alles geweldig verschoven. Van het 'corpus christianum' is de bouw niet meer te onderscheiden. En de christelijke wetenschap, ontslagen van haar praktische taak, ging schoolse vragen na die de kerkelijke wijding ook in wijdere zin misten. Zo moest de breuk in de theologie wel komen. Voor de theologie als wetenschap werden die vakken gereserveerd die een breed-theoretische allure hadden, terwijl aan de kerk de 'praktische' vakken werden toegeworpen, afgesneden van hun algemene basis. 'Praktische' vakken, die hun naam hadden te danken aan het niet meer praktiseren over het grote lichaam der christenheid.

Daarom doet het zo zonderling aan wanneer iemand u nu komt vertellen dat deze praktizijns voortaan weer zullen doen wat men vroeger soms van de doctoren verwachtte, toen de theologie in haar geheel in zekere zin de theorie van de christenheid kon heten. De staat werd heidens, de kerk ligt kapot, maar er zijn dan nog zes oude doctoren overgebleven bij wie men adviezen kan halen in voorkomende gevallen als men wil weten hoe men heeft te oordelen in geval van de laatste praktijk, van kerk en staat, van hemel en hel.

Prof. Brouwer beroept zich bij dit voorstel op zijn veertienjarige praktijk als kerkelijk hoogleraar. Ik wil voor dat beroep gaarne zoveel mogelijk ruimte maken. Ik zou mij er op kunnen beroepen dat ik als predikant ook met de leer in aanraking kom. Ik zal dat niet doen. Ik zal ook niet inbrengen dat ik belijdend lid van de kerk ben. Ik zal nog verder teruggaan en enkel als dooplid op zijn gedachte reageren. Maar dan mag ik in die kwaliteit misschien ook wel een opmerking maken. En dan zou het deze zijn dat mijn ouders mij niet in de wieg gelegd hebben om, op welke datum dan ook, onder zes pausen in de Hervormde Kerk wakker te worden.

Er is nu eenmaal niets aan te doen. Dat doctoraat of leraarschap heeft in de christelijke kerk altijd een zware dobber gehad. Het is eigenlijk nooit volledig geaccepteerd. Sedert de Reformatie stond het een tijdlang tussen kerk en staat in. Doctor Philippus6 (Melanchton) kweekte met dit instituut eeuwenlang de ambtenarij voor kerk en staat in Duitsland. Calvijn stond, blijkens de Institutie en zijn Kerkorde, op het punt hem dit na te doen.7 Maar hij vertrouwde de zaak toch niet recht. Hij voelde beter dan Melanchton de klove die er gaapt tussen humanisme en christendom, school en kerk. Dit voorgevoel is gebleken maar al te gerechtvaardigd te zijn geweest. De zaak is op een debácle uitgelopen. En als wij nu de wereld en de theologie tegenover elkaar zien staan, merken wij dat de kwestie van het doctoraat, van de theorie van het koninkrijk Gods op aarde, moeilijkheden oplevert van kosmische grootte.

Daartegenover baat het niets als we enige jaartallen uit de geschiedenis naast elkaar plaatsen om te laten zien dat een paar van het geheel gescheiden vakken bij de kerk terechtkwamen. Prof. Brouwer doet alsof men met een stoot over de band het balletje van het doctoraat weer in de kerkzak kan laten terechtkomen. Dit lijkt mij wel heel naïef. Zulke ambten bewegen zich niet netjes op het groene laken in een vlak van twee afmetingen, maar ze hebben kosmische ruimten tot hun beschikking. En het doctoraat staat nu in oppositie met het pastoraat. Een theorie van christenheid is ver te zoeken. Wij hebben nog kans dat uit de ziel van pastoraat en kudde zelf waarheidsbesef zal wakker worden door Gods Geest, genoeg om aan de kerk tucht terug te geven. Maar een kunstmatige pausjeskweek zou onvruchtbaar zijn.

Voetnoten

  1. a

    Uitglijden van de pen.↩

Eindnoten

  1. 1

    KO. 6 (oktober 1937) nr. 6. Voor verband zie n. 561.1. A. M. Brouwer schreef een Naschrift, waarin hij betoogde: 1. Bij het ontwerp-Kerkorde der Duitse kerken, waarbij Barth hielp, is wel degelijk aan zo'n functie van professoren gedacht.2. Nu al worden ze veel geraadpleegd bijvoorbeeld in verband met te beroepen predikanten. In hetzelfde oktobernummer verschenen ook de artikelen getiteld Gewijzigde leertucht en Kerkorde en beroep op de Schrift.↩

  2. 2

    Dit artikel is een antwoord op een KO.-artikel van A. M. Brouwer getiteld: De kerk en de hoogleraren, 6 (september 1937) nr. 5: "Bij leergeschillen zou het advies van de gezamenlijke kerkelijke hoogleraren gevraagd moeten worden, een advies waarvan het betreffend kerkelijk college slechts met opgaaf van deugdelijke redenen zou mogen afwijken. Als dit in de kerkorde werd vastgelegd, was de kans op onverkwikkelijke leerprocedures aanmerkelijk minder gemaakt." - Noordmans was op de synode van 8.1.1935 opnieuw gepasseerd voor het kerkelijk hoogleraarschap te Utrecht, toen dr. S.F.H. J. Berkelbach van der Sprenkel gekozen werd. Het was een publiek geheim, dat de ethische hoogleraren aan die faculteit Noordmans' kandidatuur niet hebben ondersteund. Misschien verklaart dit feit iets van de toon van dit artikel.↩

  3. 3

    in feite had het Akkoord (zie nr. 52 en 53) de belangrijkste gegevens van de leertuchtregeling van KO. overgenomen, zijnde de figuren van visitatoren en moderator. Modificaties (op grond van compromissen) waren: 1. laatstgenoemden krijgen preadviserende stem in provinciale en algemene synoden; 2. ook de ouderling mag tot visitator worden benoemd; 3. ook de classis mag tucht oefenen. KHe. krijgt gedaan dat artikelen 1 en 2 AR. van KO. verdwijnen om plaats te maken voor een gewijzigd art. 9 AR. van KHe. dat bijna gelijk is aan art. 8 AR. van ontwerp- 1938 (zie bijlage 2d). KO. handhaaft dat niet de classes maar de prov. kerkvergaderingen de alg. synode samenstellen. Voor de tekst van het Akkoord zie H. Bartels, a.w., p. 114-119; NKL. sept. 1936; KO. sept. 1936; Bijlage Hand. Syn. 1936, p. 200-207.↩

  4. 4

    Brouwer was voorzitter van KO. Hij presideerde dus de vergadering van het hoofdbestuur van KO. op 14.4.1936, waarin het Akkoord werd aanvaard. Dit besluit werd uiterst summier gepubliceerd in KO. 5 (mei 1936) nr. 1. In de ledenvergadering van 15.6.1936 maakte B. pas officieel bekend (blijkens het verslag in KO. juli/augustus 1936) dat de samenstemming was bereikt, waarmee volgens hem tevens de hinderpaal was weggenomen tot samenwerking tussen KHe. en KO. Deze laatste woog B. persoonlijk kennelijk veel meer dan de kerkrechtelijke overeenstemming. Zijn prognose m.b.t. de aanneming der voorstellen was ongunstig. Verklaard tegenstander van leertucht als hij was, verdrong hij daarom - bij het vooruitzicht op gezamenlijke arbeid op de levensterreinen, genoemd in de 15 punten van het beginselprogram van KO. (zie n. 15.2; vgl. H. Bartels, a.w., p. 42 V.)- het eigenlijke Akkoord enigermate uit zijn bewustzijn? Denkt N. aan zoiets met zijn oordeel: lapsus calami (= verschrijving)?↩

  5. 5

    Zie n. 56II. 11.↩

  6. 6

    Zo noemde Luther (in bewondering en vriendschap) Philippus Melanchton (1497-1560), hoogleraar Grieks te Wittenberg, humanist, schrijver Loci Communes (1521, eerste reform. geloofsleer), leidinggevend in godsdienstgesprekken, kerkordevragen en de organisatie van het schoolwezen; vandaar de bijnaam: praeceptor Germaniae. Vgl. R. Stupperich, Der unbekannte Melanchthon. Wirken und Denken des Praeceptor Germaniae, Stuttgart 1961.↩

  7. 7

    In verband met het doctorenambt verwijst Calvijn naar 'lordre des escolles'. Hij verstaat onder deze scholen allereerst de opleiding van de predikanten (pasteurs), maar van daaruit denkt hij aan de noodzaak van een veel bredere instructie: "aussi est besoin de susciter de la semence pour le temps advenir, affin de ne laisser leglise deserte a nous enfans, il faudra dresser college pour instruire les enfans, affin de les preparer tant au ministere que gouvernement civil." Zie n. 55.79, Vgl. Ordonnances ecclésiastiques ed. Barth. Schleuner, dl. 2, p. 338; CR. 101, 21; vgl. voorts J. Bohatec, Calvins Lehre von Staatund Kirche, Breslau 1937, p. 466vv.; vgl. met name W. F. Dankbaar, Hetdoctorenambt bij Calvijn, NTT. 19 (1964-1965), p. 135-165, welk ari. opgenomen in W. F. Dankbaar, Hervormers en humanisten, Amsterdam 1978, p. 153-183. Voor Calvijns opvatting van humanisme vgl. a.w., p. 16 vv.↩

Verantwoording

Deze pagina is automatisch opgebouwd uit de OCR-tekst van het boek. Paginagrenzen zijn hersteld, afgebroken woorden samengevoegd en voet- en eindnoten aan hun verwijzing gekoppeld. Zet onder Weergave de correcties aan om de verbeterde OCR-fouten en de onzekere plaatsen (⚑) in de tekst te zien. De tekst is niet met het gedrukte boek vergeleken.

← Gewijzigde leertuchtDeel 5Het reorganisatie-ontwerp (de noodzakelijkheid) →