175. A.M. Brouwer aan O. Noordmans
Haamstede, 27 oktober 1903
Waarde vriend en broeder,
Het gaat mij als iemand die in lang niet in de kerk is geweest en er toch wel heen wil en er toch niet toe komt en zich ontevreden voelt - totdat hij zichzelf overwint. Van die vergelijking zoek alleen ’t tertium comparationis1 (we hadden een illuster hoogleraar,2 die ons dit leerde; hij werd in Leiden benoemd, welk een armoede van keuze moet er dan zijn! En hij bedankte - er hangt een noodlot over Utrecht. Deze illustrissimus professor heeft zijn leerlingen gemoedelijk verklaard, dat hij maar niet kon vatten, waarom zijn commentaren toch niet zoveel gelezen werden als die van Valeton op de Psalmen;3 de zijne waren in verhouding van dikte en papier toch goedkoper. O sancta, sancta simplicitas!!4 (We hadden ’t over ’t tertium comparationis. ’t Is mij geen zelfoverwinning om een ogenblik in gedachten te toeven in ’t vriendelijk Skuzum. Ik hoor nog de orgeltonen in de schemeravond ruisen; buiten maneglans, in de kamer donkere schaduwen en het huis vol van klanken. Ik zie nog ’t vreedzaam jachtavontuur aan de zeekust bij Makkum; zacht schijnt de maan op ’t effen vlak en de schaapjes dromen. Nog wandel ik ereis door de groene velden langs ’t landelijk Allingawier... Frieslân, Frieslân, dy forgitte seil ik yn it tsjustere gref...5 Maar trots dat alles zie ik ’t vergrimde grimmig gelaat van de Skuzumer pastor en hij zeit: Waarom tot nu toe nooit een brief? Er zijn zovele raadsels. Er is wel enige verklaring: Eerst logies toen ik thuis kwam, toen huisbezoek en daar zit ik nog in, en daarbij de traagheid van de mens, waarlijk al zoveel verklaring, dat ik de grondig grübelnde Piamer filosoof al hoor roepen: waarom nu dan toch wel een brief? Ja, mijn waarde, dat is des harten drang. Dat is de draadloze aantrekking, die de vlakke velden van Skuzum verbindt met de bosrijke heuvels van Haamstede. En zo zie ik de grauwe grim veranderen in de bezadigde glimlach, die de Friese denker betaamt. En de belangstelling ontdooit: hoe wij het hier nog hebben? Nu, ’t gaat nog altijd goed. Inwendige huiselijke omstandigheden geheel naar wens (op dit ogenblik speelt mijn gade ‘Una Sera a Bellaggio’ - ziedaar de huisstemming) - in de gemeente zuur en zoet; kritiek, onverschilligheid, waardering en belangstelling zowat door elkaar, net zowat om in evenwicht te blijven. Studie een vrome wens, want ik ben niet erg helder en daarbij is er van allerlei in de gemeente te doen. We denken nu over het Chr. Nat. Werkmans-verbond,6 maar ’t zal niet heel goed gaan, denk ik. Omdat er ook al een onderling ziekenfonds is. De vorige week hadden we een dag Ringvergadering met dames hier aan huis: koffie drinken. Meijer uit Noordgouwe7 op de fiets. ’s Middags begon het te stortregenen, weshalve Meijer bleef. We hebben tot ’s avonds aan literatuur gedaan. Meijer heeft enige sonnetten van Kloos8 gezegd enz., en we hebben gezongen. Hij heeft een bizonder mooie stem. Hij wou je ook nog graag eens in Noordgouwe zien. Je zult dus ’t volgend jaar wel weer de schreden naar Schouwen moeten richten. l.l. Zondag hebben we met ons beiden de intree van Onnes te Renesse9 bijgewoond: een ultra-moderne preek en wel vriendelijke mensen. Nu is de ring weer voltallig. Met Piet Vis10 gaat het nog altijd heel best. Zijn vrouw is voor een dag of tien voorover op haar gezicht gevallen en heeft nu nog een paar groenblauwe wangen, maar is er overigens goed afgekomen. De jonker11 gaat dit jaar niet uit jagen, omdat hij last van zijn ogen heeft; ook mag hij geen borreltjes drinken, wat hem niks geen moeite kost, zegt ie. Anthonie Dartig12 doet nog altijd dwaas en is het schelden en razen nog niet verleerd. We doen moeite hem hier vandaan te krijgen. Of het baten zal? Zo is er altijd wat aan de hand. Binnenkort beginnen de wintercatechisaties weer. Ik hoop in onze drukte door een Skuzumer schrijven verkwikt te worden. Just de Visser13 gaat naar Middelburg, hè? Hoe gaat ’t met jullie studie? Groet de broeders van mij. En ontvang zelf ons beider hartelijke groeten, tt.
Nus.
(AN)