247. H. Visser1 aan O. Noordmans
Zwolle, 10 december 1909
Amice,
Het behoeft geen betoog dat ik mij verheug over een engagement in het algemeen en over dat van de Skuster pastor in het bijzonder. Betogen wil ik dan ook niets en gaat ook niet bij zulk een heugelijk feit. Alleen wil ik mijn innige blijdschap uitspreken en mijn beste wensen daaraan toevoegen voor de toekomst. Waarde broeder, het leven wordt zoveel rijker, dat zult ge in deze dagen reeds gevoelen, en het gaat in dezen - als het goed is en het is goed, gij zijt een scherpziend man - crescendo. Zelfs een rijke geest als gij heeft aan zichzelf niet genoeg. Straffeloos onttrekt niemand zich aan de wet Gods, het is niet goed dat de mens alleen zij.2 Gij hebt vele capaciteiten om een ander gelukkig te maken, en als we daar nu bij voegen het geluk dat ge ontvangt, belooft dit veel voor de pastorie, waar voor mij zo vele en rijke herinneringen aan zijn verbonden. Ook terwille van het huis kan ik mij verheugen en de gemeente niet te vergeten. Skuzum is nu reeds twaalf jaar zonder pastoorse. Mijn vrouw3 was innig aan de mensen gehecht. Toen ze in maart 1897 voor een drietal weken uit logeren zou gaan, ging ze zonder dat ik het wist de meeste mensen opzoeken. Dat was de laatste keer dat ze haar zagen. Ze heeft daar niet tevergeefs geleefd. Gods wegen zijn wonderlijk, onbegrijpelijk, maar goed. Heb het in alles goed. Wees te allen tijde van mijn belangstelling verzekerd. Mijn vrouw deelt ook zeer in uw geluk. Met vriendelijke groet en de beste wensen ook voor mejuffrouw Oosterhuis.4 tt.
H. Visser.
(AN)