295. H.W.G. Briedé1 aan O. Noordmans
Franeker, 19 oktober 1915
Amice frater,
Gij hebt gelijk, dat ik mij in mijn schrijven2 beperkt heb tot de jongste polemiek van Groot Enzerink3 met de evangelischen. Zelf voelt ge ook, dat Groot Enzerink daarin zo sterk staat, dat ge tenslotte aan het einde van uw brief schrijft: als ik mij nu reeds uit de redactie terugtrek, zal dat de indruk geven, dat de gaande polemiek met de evangelischen de reden was; daarom zal ik er nog wat mee wachten. Ik verheug me erin, dat ge gevoelt, dat het niet aan zou gaan Groot Enzerink om deze polemiek met de Evangelischen lastig te vallen. Maar ondertussen scheen de zaak bij u toch aanvankelijk anders te liggen, immers, uw eerste schrijven maakt op mij geen andere indruk dan dat die polemiek met de evangelischen zo erg was, dat nu de beker bij u overgelopen was. Daartegen heb ik met mijn schrijven gereageerd, en blijkbaar niet zonder resultaat. Daarom heb ik dan ook geen spijt van mijn brief, die zo duidelijk wezen moest, om u, zonder enig gevaar van misverstand, te doen gevoelen, dat er bij mij geen steun te vinden was om in verband met de eindredacteurs toon nu, in verband met de polemiek tegen de evangelischen, als redactie aanmerkingen te gaan maken. Ik heb mij, om dit te laten gevoelen, sterk uitgedrukt. (Dat is iets anders dan ‘dikke woorden’). Zulks op gevaar af van een enigszins onvriendelijke indruk te maken, wat intussen helemaal mijn bedoeling niet was. Ik verheug er me integendeel in, dat ge die brief om u uit de redactie terug te trekken, nog niet geschreven hebt, en ik zou zeggen, wacht er nog mee, totdat we eens op een redactievergadering allen tezamen zijn geweest en deze dingen (ik bedoel de punten die ge noemt in uw schrijven) met Groot Enzerink kunnen bespreken. Ge meent toch niet, dat ik zijn stijl en toon bewonder? Hij is een houwdegen en die eigenschap werkt vaak in bonam,4 maar ook wel eens in malam partem.5 Het zal voor hemzelf waarlijk geen kwaad doen, dat op een redactievergadering te horen te krijgen. Ik schrijf dezer dagen aan Van Eyck6 om hem te wijzen op de wenselijkheid van een redactievergadering tot een broederlijke bespreking van deze dingen. Daar kan dan gezegd worden wat ieder op zijn hart heeft. Inmiddels met vriendelijke groeten tt.
H.W.G. Briedé.
(AN)