226. H. van Eyck van Heslinga1 aan O. Noordmans
Berlikum, 25 januari 1909
Amice frater!
Ben je nou dwaas, man, dat het vloeien van je humor-ader in staat zou zijn je prestige in mijn oog te verminderen? Kun je begrijpen! Eer is ’t tegendeel waar.2 ’k Heb, ondanks al wat ik al doormaakte, een oog en een hart gehad en gehouden voor de humoristische zijde der dingen, zelfs in die mate, dat ik soms grote moeite had mijn ernst te bewaren, als ’t toch dringend nodig was. En misschien is ’t daarom, dat ik veel houd van mensen, die nog lachen kunnen. Wat nu de bewuste zaak aangaat - natuurlijk moeten de voorschotten der medewerkers worden vergoed. Dat kan ook wel, mettertijd moet ’t zelfs daarheen, dunkt mij, dat wij per kolom f 1,- betalen. Zoals ’t nu gaat, zal dat ook wel mogelijk worden. Nu ik je toch schrijf, merk ik even op, dat ’t misschien van belang was, een beetje ’t oog te houden op het al of niet lopen van een rode draad door v.d. Pl’s schrijven.3 ’t Is niet gemakkelijk voor je, maar al meer dan één vond zijn beschouwing over ’t onderdrukken der staking in ’034 zo dan al niet rood, toch rose. Nou, denk er even om. ’k Geloof dat ’t ook goed zal zijn, dat we mettertijd eens wat polemiek gaan voeren èn om de noodzakelijkheid zekere beginselen en praktijken b.v. van de Gereformeerde Bond te bestrijden èn omdat het de inhoud van ons blad levendiger maakt. De lezing van Van Grieken5 te Utrecht over de Vrije Gereformeerde Kerk deed mij daaraan denken. Je hebt zeker ’t verslag ervan in de Nederlander6 gelezen! Intussen is Roukema als administrateur7 afgezet. ’t Kon niet meer. Geen plaats in Friesland of er was verwarring. Voorlopig doet de uitgever8 ’t nu. Houd je taai. Met hartelijke groeten tt.
H. van Eyck van Heslinga.
(AN)