Stichting dr. O. Noordmans
Verzamelde Werken Inhoud Bijbelregister Zoeken

Verzamelde Werken, deel 9A, Idsegahuizum en Piaam 1903-1910

Weergave
Passages naar Readwise sturen

263. J.P. Eringa1 aan O. Noordmans en familie

Amsterdam, 19 mei 1910

Geliefde neven en nichten,

Ofschoon wij kort geleden in Friesland zijnde wel gehoord hadden, dat de gezondheid van uw geliefde moeder achteruit ging, zo kwam toch het bericht van haar overlijden voor ons enigszins onverwacht. En dat zal zeker ook voor velen uwer het geval zijn geweest, want wij stellen ons voor, dat gij niet allen te Scharnegoutum aan haar sterfbed waart, toen zij heenging. Het was reeds een tijdlang te verwachten, dat zij oom wel niet vele jaren overleven zou, en nu is ook zij in de eeuwige rust ingegaan.2 Gij hebt het voorrecht gehad ook uw geliefde overledene lang voor u gespaard te mogen zien, maar daarom te meer zal nu het overlijden van de laatste uwer ouders uw harten met droefheid vervullen. Gij zult door de ledige plaats, die nu in uw familiekring ontstaan is, nog menigmaal er aan herinnerd worden, welk een liefderijke zorgvolle moeder gij in haar verloren hebt. Ook wij herinneren ons zo gaarne, dat wij zo vaak van haar vriendelijke gastvrijheid genoten hebben in de dagen, toen zij nog zo flink was en de gebreken des ouderdoms zich nog niet deden gelden. Naar wij telkens weder hoorden, zijn haar laatste levensjaren ietwat somber geweest. Zij had in oom teveel verloren, en het was dan ook geen wonder, dat de oude opgewektheid bij haar voor altijd verdwenen was. Daarbij kwam, dat de last der jaren zich ook deed gevoelen, en de vroegere gezondheid voor een slepend lichamelijk lijden had plaats gemaakt. Doch nu is dat alles voorbij, en gij kunt van haar getuigen, dat zij in de hope des eeuwigen levens ontslapen is. Gelukkig, dat zij in haar leven de enige troost in leven en in sterven had leren kennen en dat zij daarom ook haar hoofd kon neerleggen steunende op het volbrachte werk van onze Here Jezus Christus. “Zalig zijn de doden, die in de Here sterven, ja, zegt de Geest, want zij rusten van hun arbeid en hun werken volgen met hen.”3 Die gedachte zal u het meest troosten bij de droefheid, die uw hart vervult, ook wanneer gij op de dag van morgen haar stoffelijk overschot naast dat van uw geliefde vader ter ruste zult leggen. Zeer gaarne zouden wij haar mede de laatste eer willen bewijzen maar nu wij pas in Friesland geweest zijn, gaat dat al heel moeilijk. Bovendien zijn Geé en Aagje beide niet recht gezond, zware verkoudheid, zodat wij de dokter moesten raadplegen, die echter geen langdurige ongesteldheid voorspelt. Wilt u desniettemin wel overtuigd houden van onze oprechte deelneming in uw verlies en in uw rouw. De God aller vertroosting vertrooste zelf uw bedroefde harten! Ontvangt allen vele hartelijke groeten van uw toegenegen neef en nichten,

J.P. Eringa, v.d.m., G. Eringa-Noordmans, Aagje Noordmans; mw. Eringa en Aagje waren zusters.

(AN)

Noten

  1. 1

    J.P. Eringa, zie brief nr. 26 (12.3.1887), n. 6.↩

  2. 2

    G.O. Noordmans-de Roos overleed op 16 mei 1910.↩

  3. 3

    Openb. 14:13↩

Verantwoording

Deze pagina is automatisch opgebouwd uit het zetbestand van het boek; de noten zijn aan hun verwijzing gekoppeld. Dat bestand heeft geen paginanummers: een brief wordt aangehaald met zijn nummer. Zet onder Weergave de correcties aan om de herstelde en de onzekere plaatsen (⚑) in de tekst te zien. De tekst is niet met het gedrukte boek vergeleken.

← 262. G.A. Wumkes aan O. NoordmansIdsegahuizum en Piaam 1903-1910264. A.H. de Hartog aan O. Noordmans →