208. A.H. de Hartog1 aan O. Noordmans
Hengelo (Gld.), 17 maart 1908
Amice,
Het verwondere je niet, het volgend schrijven van mij te ontvangen. Met al mijn bijwerk is Heemstede mij op den duur te druk. Daarom zou ik gaarne naar een kleine gemeente gaan. Nu vernam ik, dat Gaast en Ferwoude vacant is en gij consulent bent.2 De gedachte kwam bij mij op: zou dat ook iets voor mij kunnen wezen? Zo ja, wil mij dan eens inlichten aangaande geest der gemeente als anderszins, ook de stoffelijke zijde. Kan het even, dan zou de laatste geen groot beletsel zijn. Onder de aantrekkelijkheden reken ik deze, dat wij elkander dan eens weder zouden benaderen. Denk je nog wel eens aan het ‘hondje’ en het ‘boompje’, alsook aan de gesprekken met betrekking tot het onzienlijke, die wij vroeger op onze wandelingen, enz., hielden? Op het ogenblik ben ik voor enkele dagen gelogeerd bij: burgemeester M.A. Meijes, Hengelo (bij Zutphen).3 Misschien wil je daarheen wel even schrijven. Met hartelijke groet, tt.
A.H. de Hartog.
(AN)