250. A.W. Bronsveld1 aan O. Noordmans
Utrecht, 17 december 1909
Geachte collega!
Uw cahiers2 heb ik meegenomen naar Zeeland met het voornemen, om ze te lezen. Helaas, het kwam er niet toe. Ik had nog andere arbeid en uw kopie bleef rusten. Teruggekeerd te Utrecht, is mij een stortvloed van allerlei werkzaamheden over ’t hoofd gegaan. Van ogenblik tot ogenblik was ik bezet. Duid mij dat oponthoud niet al te kwalijk. Nu moet gij niet boos worden, als ik u zeg, dat uw schrift niet heel duidelijk is, en al die nieuwe regels gaven mij de indruk van gejaagdheid. Ook wil ik u bekennen, dat dr. de Hartog3 niet behoort tot de figuren, die mij aantrekken. Hij is voor mij een der incarnaties van de fameuze gezangen-regel: “o sterveling, gevoel uw waarde!”4 Hij weet het; hij zal “nieuwe banen”5 wijzen en inslaan. Ik heb niet meegedaan aan “de klopjacht”6 tegen hem, maar ik heb ook geen sympathie voor hem. Zijn gemeente heeft hij geheel verwaarloosd. Gedurig laat hij alleen psalmen zingen. Hij preekte onlangs bij een dankzegging na het Avondmaal over: “Ik zal u brengen in het wijnhuis.”7 Hij geeft de indruk van zich eigenlijk te goed te achten voor ons ambt. Vermoedelijk zal hij ’t in hoofdzaak wel eens wezen met hetgeen zijn vrouw8 schrijft, welnu, daarin vind ik meer roomse dan protestantse gedachten. In één woord: ik heb geen sympathie voor het echtpaar, dat de pastorie van Heemstede bewoont. Ik heb ook wel waargenomen, dat studenten, die onder de invloed van De Hartog kwamen, er niet beter, en vooral niet nederiger op werden. Toch ben ik niet blind voor de bekwaamheden en talenten van deze veelschrijvende collega. Zijn reageren tegen verstandelijke orthodoxie verdient waardering, en meer dan eens zegt hij treffende dingen. Maar hij is een ketter, en op de duur kan hij onder ’t orthodoxe vaandel niet strijden, tenzij dan dat hij van inzicht verandert. Ik ben dus niet tegen een bespreking van zijn optreden en denkbeelden waaruit waardering spreekt en verschil van inzicht. Nu komt het mij voor, dat uw stuk te breed is. ’k Zou het tot de helft willen zien inkorten en tegelijk klaarder en krachtiger willen zien. Bedrieg ik mij niet, dan gaat zulk een taak uw krachten niet te boven. Gij kunt dadelijk terzake komen, en de inleiding doen vervallen. Wat dr. de Hartog zegt dáár en dáár komt hierop neer; dat is het goede erin; en dit het bedenkelijke. Gij kunt dat veel beknopter en meer pakkend zeggen dan gij deedt en gij geeft dan een stuk dat door lengte niet afschrikt en door zijn inhoud de lezers interesseren zal. Dit nu is mijn mening. Met heilbede noem ik mij, uw dw. collega,
A.W. Bronsveld.
(AN)