361. A. Eekhof1 aan O. Noordmans
Leiden-Oegstgeest, 13 september 1926
“Mayflower”
Hooggeachte ds. Noordmans,
Vergis ik mij niet dan hebt u mij na afloop van een lezing over de Pilgrim-fathers op de Predikantenvergadering te Utrecht2 eens hartelijk toegesproken en mij daarna ook geschreven. Ik heb steeds met belangstelling gevolgd wat u hebt geschreven en ook deze zomer gezien dat men u op een drietal voor kerkelijk hoogleraar heeft geplaatst. En nu komt een gedachte bij mij op, die mij niet wil loslaten en die ik wel vertrouwelijk wil uitspreken. Ik heb het Predikantenboek3 eens opgeslagen en nu meen ik daaruit te zien, dat u geen doctorandus in de theologie zijt. Heb ik het mis en is u dit wel, dan vervalt de strekking van dit schrijven, maar heb ik het goed, dan vraag ik: hebt u er wel eens over gedacht om doctoraalexamen te doen en alsnog te promoveren? Zoals ge weet is het thans anders dan vroeger. Men kan nu een hoofdvak kiezen en twee bijvakken en dus van meet af aan in een bepaalde richting studeren. Daar zijn verscheidene predikanten, die hierover hun licht bij mij al eens opgestoken hebben, en nu vol moed en ijver de weg naar het doctoraal-examen bewandelen. Vergis ik mij weder niet dan hebt u in Utrecht gestudeerd en zult u ook daar wel uw studiën willen voleindigen. Maar mocht u er over denken of gedacht hebben om doctoraal te doen en wilt u met mij eens praten of inlichtingen hebben dan kunt u gerust tot mij komen. Eerlijk gezegd vind ik het jammer dat een man van uw gaven en capaciteiten niet promoveren zou. Wil dit schrijven als vertrouwelijk beschouwen en mocht u reeds doctorandus zijn of misschien er dichtbij, dan weet ik dat u mij mijn belangstelling in uw persoon en weg wel niet kwalijk zult nemen. Met vriendelijke groeten steeds gaarne uw dienstwillige
A. Eekhof.
(AN)