439. O. Noordmans aan A.M. Brouwer
Laren (G.), 3 october 1933
Amice,
We hebben dus gisteren in ‘Contact’ met Kerkherstel vergaderd.1 Wij deden mededeling van onze laatste wijzigingen en van onze indrukken op de conferentie met hun HB2 ’t Begin van de bespreking liep weinig vlot. Wij spraken onze teleurstelling uit over de weinig conciliante houding hunnerzijds en daarop reageerden3 zij weer tamelijk scherp. Hun bezwaren bleken ook door onze laatste concessies niet weggenomen. Wij waren het er over eens dat het geen zin zou hebben thans een nieuwe conferentie te houden als die van 12 september l.l. De publicatie van het Rapport kan dus nu voortgang hebben.4 Een uitgesproken consensus met Kerkherstel is niet bereikt. Maar er is toch wel iets bereikt. Gedurende de tweede helft van ons onderhoud bleek, dat er toch wel een klankbodem ontstaan is. Men verstaat elkaar beter en er komt begrip van de bedoelingen. Het bleek dat er in Kerkherstel en zijn H.B. leden zijn, die als het tot een kerkelijke stemming komt, voor ons Rapport zouden stemmen, ook zoals het daar nu ligt. Zij zouden de verantwoordelijkheid van een afwijzing van deze oplossing niet op zich willen nemen. En zo bleek hen en dat werd ook uitgesproken, dat de grote kwestie vooral ook deze is: hoe krijgt Kerkherstel zijn mensen mee, wanneer het zou willen ingaan op een Ontwerp, dat op een aantal punten afwijkt van wat in die kringen als reçu geldt. Anders, zo zei men terecht, geeft het nog niets. Men meende b.v. dat, als het Classicaal bestuur te Amsterdam huisgemeenten zou moeten leiden, dit oorlog en geen vrede zou worden. Dit zou na de aanneming zich openbaren. Maar ook voor de aanneming zelf is het nodig dat hun mensen hen volgen. Dit zijn zakelijke argumenten, die wij moesten honoreren Waar het nu zo stond, dat duidelijk bleek dat er hunnerzijds een groeiende erkenning komt van de positieve betekenis van ons Ontwerp, leek het ons de aangegeven weg tot publicatie over te gaan. De leden van Contact, Oorthuys5 en Evenhuis,6 zouden doen wat ze konden om in hun kring op te wekken tot een zakelijke, niet apodictisch afwijzende bespreking in hun vergadering en pas wanneer dan over en weer in de volle publiciteit van alle kanten, niet alleen in de beide verenigingen, de stemmen gehoord zouden zijn, dan, meende men, zou een ogenblik kunnen aanbreken, b.v. na 2 of 3 maanden, dat het zijn nut zou kunnen hebben, als wij ‘Contact’ of misschien ook een grote argumenten en situatie opnieuw onder ogen zagen, met het oog op de mogelijkheid van aanneming van ’t Ontwerp. Intussen werden van hun kant reeds nu enkele punten genoemd, waarop volgens hun inzicht verder compromis van te voren niet uitgesloten behoefde te worden geacht. 1. Zou de visitator op de een of andere wijze, zover als dat mogelijk zou blijken, iets meer van een deputaat7 kunnen hebben, een gedachte, door Haitjema genoemd en door ons niet opzettelijk besproken op 28 september.8 Daar zit, met behoud van onze positie nog wel enige rek in. 2. Ten opzichte van de huisgemeente9 zou meer tot uitdrukking kunnen worden gebracht, dat het een overgangsbepaling is, die de kerk in haar ideale gestalte niet nodig zou hebben. Hier ligt tussen tijdelijk of permanent, ten opzichte van een overgangsbepaling, ook nog een gebied van meer of minder. Ook in Kerkherstel zijn de meningen verdeeld over de vraag of de richtingvraag tijdelijk of permanent is. Je ziet dat wij de dingen nog eens van nabij hebben bekeken en ook zakelijk hebben behandeld. Wij waren tenslotte over het onderhoud niet ontevreden. Het kan tegenvallen, maar ik geef de moed niet op. Ik ga nu de brochure schrijven tot toelichting.10 Met vriend. groet, tt.
O. Noordmans.
(AKO)