421. J.L.G. Gregory1 aan O. Noordmans
Wageningen, 15 maart 1933
Amice Noordmans,
Het doet me buitengewoon veel genoegen, dat ik een exemplaar ‘v.d.Schr.’ ontvangen mocht van je boekje over Augustinus.2 Ik heb er een paar bladzijden van doorgelezen, wat mij nog geen recht geeft er iets over te zeggen. Al dadelijk was ik blij, dat je het eens niet over zijn leven hebben zult, maar voor een groot deel over de Civitate. Ik wil niet zeggen, dat ik zijn leven wel dromen kan, maar iets als de Civitate is voor mij nooit meer geweest dan een woord; ik wist zelfs niet, dat er mensen zijn, die zoiets wel eens lezen, laat staan er over schrijven; hoewel dat laatste geen logische gedachtenorde is, want men kan toch wel over iets schrijven zonder het gelezen te hebben! Nu - ik hoop mij de ontvangst van dit boekske waardig te betonen, door het ook te lezen. ’t Speet me laatst niet ter Regenboog te kunnen komen. Ik kreeg een verzoek voor een begrafenis. Kamsteeg was er natuurlijk ook niet, want die is immers ziek. Valeton3 waarschijnlijk ook afwezig, zodat ’t een dun bevolkte vergadering zal geweest zijn. Wanneer de volgende? Groet je vrouw, ook van de mijne. Steeds gaarne tt.
J.L.G. Gregory.
(AN)