282. K. Straatsma1 aan O. Noordmans
Ferwerd, 14 maart 1914
Amice frater,
Het is zaterdag en wij weten op zulk een dag best wat wij te doen hebben. Toch heb ik er tijd af genomen om aan collega Groot Enzerink2 te schrijven en wil het ook nog aan u doen. Ik betreur het zeer dat in ons Hervormd Zondagsblad tussen twee medemensen op zulk een toon wordt gedisscussieerd.3 Mij dunkt, dat kan en mag zo niet langer. Steek uw zwaard in de schede. Onze vriend Groot Enzerink prikkelt u, en dat is niet zo’n wonder. Maar prik hem niet weerom. En toch, hoewel ik wel aanneem, dat hij het eerst uit de toon viel, het komt mij toch voor, dat gij ook niet vrijuit gaat. Groot Enzerink is wat ruw, gij doet het wat fijner. En als uw laatste schrijvensrepliek hem zulk een dupliek4 in de pen geeft, dan houd ik mijn hart vast, wat er komen zal als gij daarop weer antwoordt. Ik kan niet uitmaken wie van u beiden de beste kijk op de dingen heeft. Het schemert voor mij, als ik naar al de verschillende wegen zie die ons gewezen worden. Maar dit weet ik wel, dat ik mij hoe langer hoe meer bedroef over al de verdeeldheden van de rechtse broeders onderling, en dat in een tijd waarin onze moderne collegas als een enig man steeds meer front beginnen te maken. Kunt ge de zaak niet persoonlijk uitmaken met Groot Enzerink? Als dat niet gelukt, dan zult ge er met een openbaar twistgesprek zeker niet komen. De Kanaänieten hebben van allerlei zijden genoeg aanleiding om zich vrolijk te maken over de twist tussen Abrahams en Lots herders.5 Laat ons vreedzaam blaadje en ook onze predikantenvereniging die aanleidingen niet talrijker maken. Laat ons liever ongelijk en schade lijden en ons best doen op de wijze van Abraham de zaak te beëindigen. Gij kent mij hoop ik genoeg om niet te denken dat het mij te doen is mij met eens anders doen te bemoeien. Ik denk aan het Psalmwoord, dat ik ook Groot Enzerink heb toegeroepen: Bidt om de vrede voor Jeruzalem. Wel moeten zij varen, die haar beminnen.6 Geloof mij met vele groeten, tt.
K. Straatsma.
(AN)