Stichting dr. O. Noordmans
Verzamelde Werken Inhoud Bijbelregister Zoeken

Verzamelde Werken, deel 9A, Suameer 1910-1923

Weergave
Passages naar Readwise sturen

285. O. Noordmans aan G.A. Wumkes1

Suameer, 19 mei 1914

Geachte collega,

Mijn antwoord2 liet reeds te lang op zich wachten. Ik was in april een paar weken uit, en zo bleef uw brief liggen. Met dankbaarheid heb ik kennis genomen van uw belangstelling ten opzichte van mijn overleden vader en van uw voornemen een kort levensbericht van hem te plaatsen. Het is een voorrecht aan de vergetelheid ontrukt te worden.3 Mijn vader, Durk Piers Noordmans, werd geboren te Spannum, 29 december 1828, en overleed te Scharnegoutum 12 december 1907. Zijn ouders oefenden het boerenbedrijf uit te Spannum. Hun namen waren Pier Noordmans, gestorven 1834 en Antje Rispens, gestorven 1857. Mijn vader genoot het lager onderwijs slechts zeer intermitterend, daar hij niet aan de inenting werd onderworpen. Bij gebrekkige leiding waren z’n vorderingen vergeleken bij de resultaten van het tegenwoordige streng classicale onderwijs bijzonder voldoende. De spelling van De Vries en Te Winkel4 is hij weliswaar, met vele anderen, nooit geheel machtig geworden, maar in het oplossen van rekenkunstige vraagstukken vonden de knapste schooljongens van 50 jaar later in hem hun meester. Het huisgezin zijner ouders behoorde tot de toentijds weinige, bijna uitgestorven ‘fijnen’, die er nog iets van merkten, dat een christen in deze wereld verdrukking heeft. Uit ‘Fruytier’5 las m’n vader als jongmens iets over de kerkgeschiedenis en enige ‘oude schrijvers’ werden ook toen reeds door hem gelezen. Zo machtig veel als sommige andere ouden heb ik echter nooit de indruk gekregen dat hij in hen heeft gestudeerd. Hij was van aanleg geen scholasticus. Streng puriteins was de levensopvatting waarin hij werd opgevoed en die hem ook, vooral in de kracht van z’n leven, kenmerkte. Sommige ‘volkstümliche’ dingen werden daardoor uit z’n huis gebannen, zo b.v. de ‘boerenjongens’ (brandewijn en rozijnen). Zonder dat daarin de latere geheelonthouderssentimenten werkzaam waren, betrof het hier een meer direct conflict tussen religie en alcohol. De uitbanning van de gemoedelijke rozijnen had plaats naar aanleiding van een huiselijk voorval, waarbij een dienstbare bij vergissing te veel had ontvangen, maar ze werd volgehouden tot het einde toe. Die zelfde puriteinse levensopvatting en religieuze tucht hield uit z’n leven geweerd alle meer uitgelaten vrolijkheid, elk ruw woord, zelfs elk sterk woord. Ik herinner mij niet ooit iets, wat hierop leek, bij hem gezien of gehoord te hebben. Waarbij kwam dat hij een sterk geconcentreerd gedachtenleven bezat; daarentegen niet nauwkeurig en scherp waarnam. Een ‘wijze’ is hij dan ook nooit geworden, voorzover daarin een gecondenseerde ervaring wordt aangeduid. Hij was een naïef, kinderlijk en vrolijk denker, wiens geest onder strenge logische en religieuze tucht stond. De zedelijke sfeer daartussen gelegen, waarin men, ouder geworden, rijpt tot spreukendichter, was niet de zijne. Tot het laatst van z’n leven was het hem een behoefte zich te verdiepen in de natuur en in de gedachtenwereld. Met de mensenwereld, waarmee hij, op verschillend levensterrein, voldoende aanraking heeft gehad, stond hij toch niet in zulk een direct en spontaan contact. Mijn vader verliet het huis zijner moeder alleen, in mei 1853, toen hij een boerderij begon te Tzum. Enige tijd heeft z’n moeder hier nog met hem samengewoond. Hij huwde in mei 1856 met Sjoerdje Ypma, uit welk huwelijk vier kinderen geboren werden. Een daarvan stierf heel jong; de oudste zoon op zeventienjarige leeftijd in 1875. De oudste dochter is nog in leven; is gehuwd geweest met ds. H.C. Lambers te Lunteren. De andere dochter is overleden en gehuwd geweest met ds. H. van Dijk, gereformeerd predikant, thans te Oosternijkerk. Te Tzum werkte m’n vader mee aan de oprichting ener christelijke school. In 1867 verhuisde hij naar Oosterend (Fr.). Hij hertrouwde 15 mei 1870 met Gerbrig Oepkes de Roos, uit welk huwelijk drie zoons geboren werden, alle drie nog levende. Ook hier werkte hij mee aan de oprichting ener christelijke school. Jaarlijks hield hij op de jaarvergadering als voorzitter een schoolrede, welke toespraken in m’n bezit zijn. In de school werd geëvangeliseerd. De verhouding tot de moderne predikant6 was vriendschappelijk. Jaren later is nog eens een enkele keer een brief gewisseld en het doodsbericht werd hem toegezonden. Hier is m’n vader, voorzover dat bij hem mogelijk was, ’t meest populair geweest. Hij woonde hier tussen geestverwanten, onder een moderne predikant, waardoor de activiteit werd opgewekt. Staat, kerk en school genoten levendige belangstelling. En de namen van Groen,7 Keuchenius,8 Capadose,9 Da Costa10 waren even ‘geläufig’ als die van later, wanneer hij iets las, geschreven door Groen, Wormser,11 Da Costa. Met bijzonder veel genoegen las hij het dagboek van Willem de Clercq, toen dat werd uitgegeven.12 In deze ruimere dogmatische sfeer gevoelde hij zich dunkt mij aangenamer nog dan in de strengere lijnen der gereformeerde dogmatiek, waarvoor hij nooit een bepaalde hartstocht heeft betoond. Neiging tot afwijking ervan had hij echter evenmin. Toen dr. Hoedemaker na de doleantie te Nijland De Gereformeerde Kerk begon te schrijven verblijdde hij zich hartelijk in de meer religieus-ethische richting van deze denker tegenover de scholastische opvattingen van Kuyper, die hem steeds meer tegen de borst stuitten. Een korte aardige briefwisseling voerde hij eens met dr. Kuyper13 die ergens in De Heraut beweerde, dat deze of die stelling doortrokken was met arminiaans gif. M’n vader schreef hem dat de stelling te vinden was bij Wormsers Kinderdoop. Hij vroeg voorzichtig of die brochure doortrokken was van arminiaans gif. Dr. Kuyper stelde een leerstellige wedervraag. M’n vader beantwoordde dat hij gaarne z’n mening zou zeggen, maar meende dat zijn vraag de prioriteit had. Dr. Kuyper antwoordde dat hij geen tijd had de brochure van Wormser te lezen!! Wanneer ik terugdenk aan de belangstelling waarmee in m’n ouderlijk huis de contemporaine historie werd gevolgd en daarin werd meegeleefd, dan moet ik mij daarover verbazen. Hoe dicht was de lijn der volkshistorie bij deze huisgezinnen. Hun gebed greep erin, hun lied zong er in mede. Sedert is de afstand groter geworden. De beschaving is gedaald. De toon des levens zakte. Welk een weelde was het voor zulke mannen Groen z’n Nederlandsche Gedachten14 te horen ontwikkelen of Wormser over de natie15 te horen. Het zou een apart onderwerp van studie moeten vormen, na te gaan, welke de verhouding bij hen was tussen het Réveil en de gereformeerde dogmatiek. De gereformeerde doopsbeschouwing zat m’n vader dwars. Hij wist er geen weg mee, sedert hij Wormser gelezen had. Over de doop was Wormser z’n autoriteit. Bij gelegenheid van een veertiendaags vacantieverblijf van de latere prof. H.H. Kuyper, toen student, werd over dit punt druk gediscussieerd, wat later nog tot een aardige briefwisseling aanleiding gaf.16 Na de toenemende Kuyper-obsessie was na de doleantie het optreden van Hoedemaker een ware verademing voor m’n vader. Hij sloot zich geheel bij hem aan en was persoonlijk met hem bevriend. Ik herinner me nog zeer goed dat mij De Gereformeerde Kerk op het gymnasium te Zetten werd toegezonden en dat ds. Van Lingen die van mij eens te lezen vroeg.17 In de doleantiedagen waren we allemaal wat vroegrijp kerkelijk. Lid van ’t provinciaal kerkbestuur werd m’n vader in 1884; ik meen dat Campen van Sneek18 toen ook lid was. Die leeft toch nog? Naar aanleiding van de zaak van Kasteel te Kollum heeft hij toen bedankt,19 naar ik wel meen te weten. In moeilijke crises was hij geneigd zich terug te trekken. Hij was geen man van de daad in engere zin. Zo viel het hem niet zwaar zich langzamerhand terug te trekken toen de ouderdom kwam. Lange tijd was hij wethouder van Wymbritseradeel. Ik meen vanaf 1886 of ’87. Hij vond het niet erg toen hij om redenen van leeftijd genoodzaakt was zich terug te trekken uit deze en andere werkzaamheden. Beschouwend als hij van nature was had hij wel een talent voor het otium cum dignitate.20 De rustige oude dag maakte hem steeds milder in z’n oordeelvellingen. Hij trok zich uit de boerderij terug, 12 mei 1902. En stierf 12 december 1907. Hij werd begraven te Oosterend. Hiermee heb ik, meen ik, uw vragen beantwoord en iets van een karakteristiek gegeven. Ik heb stapels brieven, waaruit ik misschien nog wel eens een meer uitgewerkte schets zou kunnen geven. Ik mocht echter thans u niet langer doen wachten. Ik hoop, dat ik hiermee aan uw bedoeling heb voldaan. Gaarne blijf ik bereid tot inlichtingen, wanneer u die wenst en ik ze geven kan. Wanneer u nog enige tijd hebt voor uw artikeltje in ’t Woordenboek behoort verzonden te worden, wil ik nog wel eens proberen enige gegevens te verzamelen uit de correspondentie. Laat mij echter niet eindigen zonder nogmaals m’n dank betuigd te hebben voor uw belangstelling in de persoon van m’n overleden vader, met de meeste hoogachting, uw collega

O. Noordmans.

(PAL)

Noten

  1. 1

    G.A. Wumkes, zie brief nr. 259 (15.4.1910), n. 1.↩

  2. 2

    Zie brief nr. 284 (11.4.1914).↩

  3. 3

    De door ON verstrekte informatie over DPN werd door Wumkes vrijwel letterlijk overgenomen.↩

  4. 4

    M. de Vries en L.A. te Winkel Grondbeginselen der Nederlandsche spelling (Leiden 1863).↩

  5. 5

    J. Fruytier (1659-1731), theoloog der ‘Nadere Reformatie’, Voetiaan, schrijver van Sions Worstelingen: een Nederlandsche Kerkgeschiedenis alsmede van Gerichtshandelingen van de Allerhoogste God met zijn volk in Nederland en Salomons raedt aen de jeugd.↩

  6. 6

    J.J. van der Weyde (1836-1906), herv. pred. te Abcoude 1864, Wolsum 1870, Bergambacht 1874, Balk 1878 en Oosterend 1882.↩

  7. 7

    Mr. G. Groen van Prinsterer (1801-1876), historicus en Nederlands staatsman.↩

  8. 8

    L.W.C. Keuchenius (1822-1893), vooraanstaand lid der Tweede Kamer, minister van Koloniën in het kabinet Mackay 1888-1890. Zie A. Kuyper Mr. L.W.C. Keuchenius (Haarlem 1895).↩

  9. 9

    A. Capadose (1795-1874), arts te Amsterdam, vooraanstaande figuur uit het Réveil, van Portugees-joodse geboorte, ging o.i.v. Da Costa over tot de hervormde kerk. Capadose wijdde zich vooral aan zending onder de joden, inwendige zending en streven naar eenheid onder de protestanten. In 1836 stelde hij zijn bekeringsgeschiedenis te boek: La conversion de dr. A. Capadose. In 1866 trad hij uit de NHK., teleurgesteld over de heersende liberale geest. Hij sloot zich niet aan bij een ander kerkgenootschap.↩

  10. 10

    I. da Costa (1798-1860), Nederlands litterator van Portugees-joodse komaf, promoveerde in 1822 in de letteren en in de bespiegelende wijsbegeerte. Da Costa ging in 1822 o.i.v. van Bilderdijk over tot het christendom en werd een van de voorvechters van het Réveil. Hij schreef o.a. Bezwaren tegen den geest der eeuw (Leyden 1823) waarmee hij velen tegen zich in het harnas joeg.↩

  11. 11

    Jan Adam Wormser (1807-1862), deurwaarder te Amsterdam, vertegenwoordiger van het Réveil, auteur van De Kinderdoop beschouwd met betrekking tot het bijzondere, kerkelijke en maatschappelijke leven (Amsterdam 1885).↩

  12. 12

    Willem de Clercq naar zijn dagboek door dr. A. Pierson, vgl. brief nr. 118 (22.6.1897).↩

  13. 13

    Zie W. Balke, “Durk Piers Noordmans” in Heel het Woord en heel de Kerk (Kampen 1992), 129v.↩

  14. 14

    Nederlandsche Gedachten (1e Reeks, 3 dln (1829-1832; 2e Reeks, 6 dln (1869-1876), periodiek onder redactie van G. Groen van Prinsterer.↩

  15. 15

    Zie het eerste hoofdstuk: “Een gedoopte natie - een christelijke natie” van J.A. Wormser De Kinderdoop, zie n. 11.↩

  16. 16

    Deze briefwisseling bevindt zich in het archief Noordmans.↩

  17. 17

    Vgl. brief nr. 51 (7.10. 1888), n. 2.↩

  18. 18

    J. Campen, boekhandelaar en uitgever te Sneek (sinds 1848).↩

  19. 19

    In Kollum speelde de zog. ‘attestatiekwestie’. Wanneer iemand met attestatie van een andere gemeente overkwam, afgegeven door een moderne kerkeraad, eiste de kerkeraard van Kollum o.l.v. van ds. G.H. van Kasteel ondertekening van de Twaalf Artikelen des Geloofs. Deze zaak escaleerde toen de kerkeraad de dochter van de burgemeester vroeg drie belijdenisvragen bevestigend te beantwoorden. Zij was daartoe bereid, maar haar vader onthield zijn goedkeuring. Het Provinciaal Kerkbestuur zag in een en ander aanleiding om de kerkeraad van Kollum te schorsen. Daarop trad Kollum uit en werd zo de tweede dolerende gemeente in Friesland. DPN trok zich wegens deze zaak terug uit het Provinciaal Kerkbestuur.↩

  20. 20

    Lat.: een eervolle rust na een welbesteed leven.↩

Verantwoording

Deze pagina is automatisch opgebouwd uit het zetbestand van het boek; de noten zijn aan hun verwijzing gekoppeld. Dat bestand heeft geen paginanummers: een brief wordt aangehaald met zijn nummer. Zet onder Weergave de correcties aan om de herstelde en de onzekere plaatsen (⚑) in de tekst te zien. De tekst is niet met het gedrukte boek vergeleken.

← 284. G.A. Wumkes aan O. NoordmansSuameer 1910-1923286. O. Noordmans aan G.A. Wumkes →