164. W.M. van der Schans1 aan O. Noordmans
Gaast, 5 november 1902
Amice!
Laat mij even mijn hartelijke blijdschap uitspreken over je besluit en je er mee feliciteren. Ik ben blij om mijzelf want ik zal veel aan je kunnen hebben, maar ook om de gemeente en om de arbeid voor Gods Koninkrijk in deze streek. Vanmorgen ben ik te Skuzum2 wezen catechiseren. De gemeente is zeer ingenomen met je aanneming. Je bezoek heeft een goede indruk gemaakt, dat had ik verleden week ook al duidelijk gemerkt. Mochten we in deze tijden of later met iets van dienst kunnen zijn: je zult wel begrepen hebben dat we het gaarne zullen doen. En laat ik je nu nog herinneren aan het woord: ‘Mijn genade is u genoeg, mijn kracht wordt in zwakheid volbracht.’3 Ik ondervind zelf dat het geen ijdel woord is. Er ontbreekt zoveel aan onze persoon en ons werk, maar nochtans wil de Heer onze arbeid zegenen. Een kennis van me zei eens: Als we zien hoeveel wij verkeerd doen dan moeten we ons verwonderen dat er zo weinig kwaad van komt. Zo is het. De Heer verwacht niet van ons dat wij volmaakt werk zullen leveren. We denken dat soms eigenlijk wel. Laat je niet door het gevoel van eigen onbedrevenheid en door het zwakke van eigen geestelijk leven neerdrukken, maar zie op de Heer, die alles voor je heeft. Vele groeten van ons beiden, ook aan je familie, t.t.
W.M. van der Schans.
(AN)