163. J.H. Gunning JHzn1 aan O. Noordmans
Workum,2 22 oktober 1902
Beste Noordmans!
Morgen ga ik naar Utrecht terug, en ik wil je nog even zeggen dat ik het zo erg prettig vond je nog even gezien te hebben. Ik volg met de grootste belangstelling je besluit, maar ik durf toch generlei aandrang te gebruiken om je tot “bedanken” te nopen. Als je eens helemaal zonder beroep bleeft! ... Ik denk dit wel niet, maar ’t kon toch eens zijn! Kerel, weet je wat je doet? Ik zou in jouw geval zien dat ik die oudste nicht van me, die Mimi Gunning,3 tot m’n vrouw kreeg. Je lacht hier misschien om, maar ik ben eenvoudig verrukt van dit meisje. Welk een klaar verstand, welk een warmte van hart, welk een hartelijkheid! Ze heeft geen geld helaas, maar jij hebt immers wat, en zulk een vrouw maakt van één gulden er drie! Je bent nu op een leeftijd dat je niet gauw tot een decisie komt in zulke zaken, en veel beschaafde meisjes zul je ook al niet ontmoeten; tracht deze schat te krijgen eer een ander ze wegpakt! En je zult een zegen ontvangen - gelijk ik hem ontving van een lieve, gezonde, vrolijke, godvreezende vrouw te krijgen. Dáár! Lach nu maar om deze brief. Antwoord wacht ik er vast niet op. Maar wees verzekerd dat enkel en alleen oprechte vriendschap en belangstelling voor jou hem mij in de pen gaf. God zij met U in elk opzicht! Uw vriend en broeder,
Gunning.
(AN)