Stichting dr. O. Noordmans
Verzamelde Werken Inhoud Bijbelregister Zoeken

Verzamelde Werken, deel 9B · 7. Laren

Weergave

606. O. Noordmans aan P. Scholten1

Laren (G.), 16 september 1938

Hooggeachte professor,

Van verschillende kanten werd ik gepolst over de affaire-Kerkopbouw. Gisteren was Zeydner2 hier en ook met Koopmans3 besprak ik enige tijd geleden deze dingen. Koopmans kwam daarop enige tijd later schriftelijk terug4 en sprak de vrees uit dat we geïsoleerd zouden komen te staan. Hij deelde daarbij mee, dat hij u eveneens in die geest zou schrijven. Voor het goede contact meen ik er ’t beste aan te doen u te zeggen, hoe ik er thans ongeveer onder sta. Voor een op-nieuw-in-zee-gaan onder de leiding Obbink-Brouwer voel ik hoe langer hoe minder. Brouwer heeft zich vastgewerkt in een positie, waaruit hij niet meer loskomt. Hij is gestrand op een theologische klip, omdat hij, geen stuurman zijnde , toch het roer in handen nam. De steun, die hij aanvankelijk in Kerkopbouw had en die hem in betere sporen hield, is hem ontvallen en nu is hij hulpeloos. Hij heeft stellingen verdedigd, die een Nederlands theoloog als zodanig onmogelijk maken. Ik hoor dat hij wil abdiceren, maar dat was doorlopend zijn plan, doch Obbink laat hem niet gaan.5 In Kerkopbouw doen wij, als ik goed zie, ’t beste met nog even te wachten. Wij hebben daar geen haast te maken. De leiding zelf zit vast en dat zal op korte termijn nog wel duidelijker worden. Ik ben overtuigd dat een hergroepering moet plaats hebben in verband met de reorganisatiebeweging. In ’t oktober-nummer van Onder eigen Vaandel6 geef ik op verzoek van Haitjema een artikel over die materie, waarin ik heb gezegd hoe ik mij dat denk. In Kerkopbouw zouden wij op de rand komen te wonen. En we moeten, met de reorganisatie, in ’t centrum zitten. Wij zullen dezelfde mensen voor een deel, maar ook anderen, onder andere voorwaarden moeten samenbrengen. Daartoe moet - zo zie ik het - de nieuwe fase van de reorganisatie de gelegenheid schenken. De synodale commissie, die een opdracht kreeg, die alleen te rechtvaardigen valt met art. 58 van ons Ontwerp en niet met de synodale reglementen,7 kan daarbij behulpzaam zijn. Daartoe hebben we een adempauze nodig om even tijd te hebben - ook geestelijk - om ons op de veranderde omstandigheden in te stellen. Een herhaling van het gesprek onder gelijke omstandigheden en in gelijke formatie lijkt mij uitgesloten. Degenen, die zich hopeloos vastgewerkt hebben, moeten voortaan een plaats hebben op de buitenkant van de beweging. De consideratiën van de 1427 tegenstemmers8 kunnen slechts dan effect sorteren als ze, in plaats van negatief - zoals nu - positief geladen worden.9 Dat is mogelijk wanneer degenen die zulke adviezen gaven, de gelegenheid krijgen zich uit te spreken onder omstandigheden, die in onze kerkelijke vergaderingen niet aanwezig zijn. Het zou alleen mogelijk zijn, als de Synodale Commissie, die opdracht kreeg om een werk te doen volgens een artikel uit ons Ontwerp, nu op haar beurt aan de synode vroeg om bij wijze van proef de hele kerk in een Brede Algemene Synode volgens ons art. 63 Alg.Regl. bijeen te brengen, voor een keer; een soort kerkelijk congres.10 Daar zou de kerk dan functioneel en niet bestuurlijk vertegenwoordigd zijn. Dat ware een eerlijke kans aan het Ontwerp geven en de consideratiën beproeven aan een breed en kleurig staal van de nieuwe kerkorde.11 Parool zou kunnen zijn: de kerk op de tweesprong.12 En ieder zou mogen beginnen dat op zijn eigen wijze op te vatten. Het congres zou goed voorbereid moeten worden. De voorstanders van reorganisatie of liever de nieuwe kerk kan daar aanschouwelijk onderwijs geven. En de gevers van negatieve consideratiën zouden, of ze wilden of niet, tot positiviteit gedwongen zijn. Voor degenen die vastgeraakt zijn, zoals prof. Brouwer en anderen, ware dit een weldaad. Ook de vrijzinnigen zouden, zonder vrees dat hun een haar gekrenkt zou worden, zich op de voordeligste wijze kunnen tonen. Dit zou ‘fair play’ zijn naar alle zijden. Wanneer de Synodale Commissie de consideratiën van 1427 tegenstemmers moet aanpassen aan de dode letter van het Ontwerp zal daar niet veel van terecht komen. De aanpassing zal moeten plaats hebben ‘al doende’ onder het toepassen van art. 63, waarin de kerk op haar breedst uitkomt. Deze gedachten heb ik in mijn artikel voor Onder eigen Vaandel uitgewerkt. Ik geef ze u reeds hier, omdat u als voorzitter van het Reorganisatie-Comité daarmee op de hoogte blijft van wat in onze kring plaats heeft. Met hoogachting, uw dw.

O. Noordmans.

(APS)

Noten

  1. 1

    P. Scholten, zie brief nr. 410 (5.3.1932), n. 2.↩

  2. 2

    W.A. Zeydner, zie brief nr. 595 (3.4.1938), n. 1.↩

  3. 3

    J. Koopmans, zie brief nr. 456 (22.5.1934), n. 16.↩

  4. 4

    Zie brief nr. 604 (1.9.1938).↩

  5. 5

    Brouwer heeft verschillende malen laten weten dat hij liever van het presidiaat af wilde. Dat was b.v. het geval in 1935, nadat hij de kandidatuur van ON voor een leerstoel niet had ondersteund (zie brief nr. 494 (14.1.1935), n. 1). In oktober 1936 bedankte hij om gezondheidsredenen (notulen moderamen 13.10.36). Een jaar later nam hij het voorzitterschap met tegenzin weer op, nadat sterke druk op hem was uitgeoefend door o.m. Obbink. Op het moment van onderhavige brief overwoog Brouwer inderdaad weer af te treden. Uit zijn verslag komt onmiskenbaar naar voren dat het optreden van ON hier niet vreemd aan was. Op de vergadering van de Uitvoerende Cie. van 21.9.38 stelde Brouwer de volgende vragen aan de orde: ‘1) heeft KO nog wel recht v. bestaan; 2) zal ik voorzitter blijven.’ Men was van oordeel dat KO moest blijven voortbestaan, maar dat eerst de persoonlijke kwesties uit de weg geruimd dienden te worden om een hernieuwde vertrouwensbasis te creëren. Op de eerstvolgende moderamenvergadering (1.11.1938) werd de plaats van Brouwer ingenomen door H. Kraemer (zie brief nr. 609 (19.10.1938), n. 3). ON verklaarde zich daar bereid ‘de misverstanden uit de weg te ruimen.’ Een gesprek hierover zou worden gevoerd in aanwezigheid van Obbink. ON zou met hem contact opnemen. Volgens Brouwer heeft een dergelijk gesprek echter niet plaatsgevonden. Hij vertelt ook dat Kraemer niet door een ieder een alternatief werd geacht voor zijn persoon. Zonder tot een oplossing gekomen te zijn zette men KO voort met Brouwer als voorzitter. Uiteindelijk trad hij pas in 1941 definitief af.↩

  6. 6

    ‘De reorganisatie in een nieuwe fase’ in: Onder Eigen Vaandel 13 (1938) nr. 4; VW 5, 490-504. Hierin geeft ON zijn opinie over de toekomst van de reorganisatie-beweging, nadat het Ontwerp 1938 was verworpen (10.8.38).↩

  7. 7

    De reorganisatiekwestie was doorverwezen naar de Algemene Synodale Commissie, die hierover met de kerkelijke hoogleraren in overleg zou treden. Zie ook brief nr. 622 (30.4.1939) n. 8. ON stelt dat deze procedure niet in overeenstemming is met het Alg.Reglement der NHK art. 66, maar wel volgens art. 58 van het ontwerp 1938 (VW 5, 493). Art. 66 Alg.Regl.: ‘Tussen de gewone jaarlijkse vergaderingen der synode worden in haar naam de belangen der NHK behartigd en waargenomen door een college, onmiddellijk uitgaande van en in betrekking staande tot de synode onder de naam van Algemene synodale commissie.’ Art. 58 (Alg. Regl. Ontw. 1938): ‘Wanneer de algemene synode niet vergaderd is, berust de leiding der zaken welke de kerk in haar geheel aangaan bij de alg. synodale cie...’ Zie VW 5, 503 n. 9.↩

  8. 8

    In de klassikale vergaderingen waren volgens ON 902 voor- en 1427 tegenstemmers; zie VW 5, 491vv.↩

  9. 9

    Uit de uitslag van de stemming valt slechts bij wijze van indicatie op te maken dat de reorganisatie volgens het Ontwerp 1938 door 1427 personen negatief wordt beoordeeld. De kritiek zou ten goede kunnen worden aangewend, door deze te verwerken in het Ontwerp 1938. Zie VW 5, 491v.↩

  10. 10

    Art. 63 (Alg. Regl. Ontwerp 1938): ‘Eens in de drie jaar, en wel in het tweede zittingsjaar der leden, wordt in de plaats van de gewone vergadering der Synode een bijzondere samenkomst gehouden, voortaan Breede Algemeene Synode genoemd, waarbij met adviserende stem als buitengewone leden bovendien aanwezig zijn: een lid voor de vraagstukken van belijdenis en liturgie, een voor de belangen van de uitwendige en een voor de belangen van de inwendige zending, een voor de diaconale belangen, een voor de sociale vraagstukken, een voor het godsdienstonderwijs, een voor het jeugdwerk, twee voor de zaken, die de eenheid en de verscheidenheid der kerk raken, een voor de belangen van het beheer, en een die de oecumenische beweging vertegenwoordigt...’ Voor ON’s voorstel zie VW 5, 49 7vv.↩

  11. 11

    Vgl. VW 5, 499.↩

  12. 12

    Hier verwijst ON naar de brochure van W.A. Zeydner De Hervormde kerk op de tweesprong. Kerk of genootschap? (Rotterdam z.j.). Vgl. VW 5, 499.↩

Verantwoording

Deze pagina is automatisch opgebouwd uit het zetbestand van het boek; de noten zijn aan hun verwijzing gekoppeld. Dat bestand heeft geen paginanummers: een brief wordt aangehaald met zijn nummer. Zet onder Weergave de correcties aan om de herstelde en de onzekere plaatsen (⚑) in de tekst te zien. De tekst is niet met het gedrukte boek vergeleken.

← 605. A. van Deth aan O. Noordmans7. Laren607. C.J. de Vogel aan O. Noordmans →