Stichting dr. O. Noordmans
Verzamelde Werken Inhoud Bijbelregister Zoeken

Verzamelde Werken, deel 9B · 7. Laren

Weergave

604. J. Koopmans1 aan O. Noordmans

’s Heer Hendrikskinderen, 1 september 1938

Hooggeachte dr. Noordmans,

Ten vervolge op ons gesprek nu bijna een maand geleden over de reorganisatie-perikelen en hun gevolgen, zou ik nog graag eens willen terugkomen op de vraag voor laat ik nu maar zeggen ‘ons’ persoonlijk. U sprak van de mogelijkheid als lid van Kerkopbouw te bedanken, waarvan u naar het mij voorkwam vrijwel alleen nog weerhouden werd door het ethische familiebloed, dat kruipt waar het niet gaan kan. Ik vertelde u toen, dat Tromp2 en ik er ongeveer op zaten te wachten, om dan uw voorbeeld schielijk te volgen. Hoe prof. Scholten in deze materie denkt, weet ik niet. Langzamerhand ben ik mij echter gaan afvragen: mogen wij - vergeef de gemeenzaamheid! - dat wel doen, er nu zomaar uit lopen? Ik weet wel, dat het waarlijk niet ‘zomaar’ zou zijn, als wij afscheid van de ethische heren namen, om van de vrijzinnige heren nog maar te zwijgen. Maar er zijn vooral twee overwegingen, die mij daarvan weerhouden. De ene betreft onszelf, de andere Kerkopbouw. Wanneer wij uittreden, houden wij zo niemand meer over om eens mee te praten. Immers nu door de synodale beslissing de situatie is zoals zij is, nu wordt ook de befaamde ‘toon’ van het gesprek weer anders, om zo te zeggen: bescheidener. Wij richten ons niet meer zo sterk, als in onze werkzaamheid voor het Reorganisatie-comité,3 tot het gehele kerkvolk. Om in uw taaleigen te blijven: de kwestie keert weer min of meer tot de schoolbanken terug. En ik heb zo’n vermoeden, dat u dit toch ook nog altijd eerder van Kerkopbouw dan van Kerkherstel verwacht. Het laatste is wat erg gesloten van formatie. De tweede reden betreft Kerkopbouw. Is het wel recht als wij, die van meet af lid zijn geweest, die ondanks de inderdaad vele zuurheden welke wij daar hebben ontmoet toch altijd weer voor het een of andere werk zijn gevraagd, nu de vereniging zonder meer overlaten aan hen, die ons altijd verweten hebben, dat wij een clique vormden, maar die het zelf in werkelijkheid altijd hebben gedaan? Moeten wij - het zij zonder enige zelfoverschatting maar met gepaste vrijmoedigheid opgemerkt - aan Kerkopbouw niet nog een kans geven om aan haar eigen doelstellingen te beantwoorden? Misschien zou dat het best kunnen in deze vorm, dat wij aan het moderamen de vraag voorleggen, of zij ons liever kwijt of rijk zijn. Dus dat wij van onze kant verklaren opnieuw serieus te willen meedoen, wanneer tenminste het huidig bewind ons verzekert, dat het dit op prijs stelt.4 Ik schrijf hierover ook aan prof. Scholten en aan Tromp. En ik zou heel graag willen, dat u uw mening hierover eens wilde kenbaar maken. Met vriendelijke groet en hoogachting, uw

J. Koopmans.

(AN)

Noten

  1. 1

    J. Koopmans, zie brief nr. 456 (22.5.1934), n. 16.↩

  2. 2

    D. Tromp, zie brief nr. 393 (feb. 1931), n. 1.↩

  3. 3

    ON en Koopmans waren beiden lid van de synodale reorganisatiecie., die onder voorzitterschap stond van P. Scholten.↩

  4. 4

    De problemen, ontstaan door verschillen in inzicht, kwamen aan de orde op de moderamenvergadering van 11.11.1938.↩

Verantwoording

Deze pagina is automatisch opgebouwd uit het zetbestand van het boek; de noten zijn aan hun verwijzing gekoppeld. Dat bestand heeft geen paginanummers: een brief wordt aangehaald met zijn nummer. Zet onder Weergave de correcties aan om de herstelde en de onzekere plaatsen (⚑) in de tekst te zien. De tekst is niet met het gedrukte boek vergeleken.

← 603. UM Holland aan O. Noordmans7. Laren605. A. van Deth aan O. Noordmans →