Stichting dr. O. Noordmans
Verzamelde Werken Inhoud Bijbelregister Zoeken

Verzamelde Werken, deel 9B · 7. Laren

Weergave

660. Repliek dr. C.J. de Vogel naar aanleiding van dr. Noordmans’ artikel ‘Newman en de reformatie’, Woord en Wereld, april 1940.

Naar aanleiding van het artikel van dr. Noordmans, getiteld ‘Newman en de reformatie’, verschenen in het aprilnummer van dit tijdschrift, zou ik ter wille van de zaak enkele opmerkingen willen maken.

1°. Dr. Noordmans verwijt mij, dat ik in mijn Newman-werk een pleidooi zou voeren voor de herziening van het reformatorisch dogma naar de maatstaf van een natuurlijk evenwicht.1 Ten onrechte. Immers wat ik betoogd heb is dit, dat de maatstaf ter toetsing van het dogma dient te zijn een zo evenwichtig mogelijke weergave van de inhoud der Schrift. Van ‘natuurlijk’ evenwicht moet men spreken, wanneer het gaat om een gelijk tegen elkaar afwegen van verschillende elementen, b.v. van rechtvaardigmaking en heiligmaking, van Gods genade en verantwoordelijkheid van de mens. Dat is niet wat ik heb verdedigd. Wel heb ik het woord evenwichtig gebruikt, maar waar het de vorm van het dogma betrof steeds met de toevoeging: een evenwichtig naspreken van, of weergeven van, de inhoud, of de boodschap, of de verkondiging der Schrift. Dat is iets anders. Nu kan men erover van mening verschillen of die inhoud der Schrift b.v. bij Luther, of ook bij Kohlbrugge, dan wel bij Newman, of ook door het concilie van Trente inderdaad evenwichtig is weergegeven; i.e. zó dat de verschillende elementen er de plaats hebben die zij hebben in het geheel der bijbelse verkondiging. En ik neem aan dat ik daarin met dr. Noordmans van mening verschil. Hij zal waarschijnlijk de overtuiging zijn toegedaan, dat Luther en Kohlbrugge de openbaring getrouwer, i.e. in mijn zin, ‘evenwichtiger’ hebben nagesproken dan b.v. Newman of ook het Tridentijns concilie.2 Ik heb het tegendeel verdedigd, mij zeer bewust daarmee tegen de bij ons overheersende opvatting in te gaan. Ik neem dat ook ten volle op mij. Maar ik moet het afwijzen wanneer men het zo voorstelt alsof het mij, bewust of onbewust, om een ‘natuurlijk evenwicht’ zou zijn gegaan. Een dergelijke interpretatie berust op een misbruik van woorden en gaat aan de eigenlijke vraag geheel voorbij. Men zal dat, welbeschouwd, toch een kwestie van exegese moeten noemen. En als nu dr. Noordmans zegt dat de exegese ‘kerkelijk’ moet zijn,3 juist dan kan men tot gegronde twijfel komen aangaande de interpretatie die dr. Noordmans vertegenwoordigt. Immers als de vraag moet zijn hoe de Kerk op het bedoelde punt de bijbelse verkondiging over het geheel verstaan heeft, dan - nu, dan heeft Newman een groter, een meer ‘classieke’ traditie achter zich dan wij. En hoe moet men kiezen, waar de traditie gedeeld is? Toch zeker niet op ‘nationale’ gronden? In ander verband intussen heb ik inderdaad van evenwicht gesproken zonder meer. Daar n.l. waar het getuigenis der Schrift ons in de steek laat: niet waar het de vorm van het dogma betreft, maar de vorm van de eredienst. Te protestant - wellicht ten onrechte - om hier (zoals Newman doet) naar de traditie te grijpen, bleef mij op dit punt geen andere maatstaf dan de rede (zo zal men dat dan toch immers moeten noemen). Wanneer dus dr. Noordmans hier van een natuurlijk evenwicht wil spreken, kan ik daar geen bezwaar tegen hebben. Maar in geen geval waar het het dogma betreft.

2°. Ik heb preken vergeleken van Newman en van Barth. Dr. Noordmans acht dit ongeoorloofd, daar het ongelijksoortige grootheden zou betreffen, en meent bij gevolg, dat de reformatorische beginselen hier door mij naar een vreemde maatstaf geoordeeld worden.4 Hij vergist zich. Immers zou men Newman en Barth beiden vragen naar het wezen van een preek, dan zouden wij hetzelfde antwoord krijgen: een preek is Schriftverklaring, en moet dit zijn naar haar aard. De preken van Barth en de preken van Newman, zij willen beiden Schriftverklaring zijn, en zij zijn dat ook werkelijk. In zoverre kan men ze vergelijken, en is zulk een vergelijking ook niet alleen niet misplaatst, maar geeft zij inderdaad een juist beeld van datgene waar het ons om te doen was: de vertolking van het Evangelie, van het bijbelse getuigenis, bij de één en bij de ander. Het is er ver vanaf, dat hiermee de reformatorische prediking of haar beginselen aan een haar vreemde maatstaf zouden zijn gemeten. Integendeel, boven beide vergeleken objecten staat die maatstaf, waarnaar zijzelf naar hun aard geoordeeld willen zijn.

3°. Newman was (als Barth) een groot en streng bestrijder van wat ten onzent is genoemd ‘de geest der eeuw’. Voortdurend vind men bij hem een fel protest tegen de makkelijke zelfvoldaanheid van het optimisme der z.g. ‘Aufklärung’. Onze tijd, zegt hij, begrijpt niet meer de strengheid en de toorn van God over de zonde; men meent daarom het Oude Testament als ‘verouderd’ te kunnen ter zijde schuiven, en men bemerkt niet eens dat ook aan het Nieuwe Testament dezelfde hardheid volstrekt niet vreemd is. Men spreekt niet meer over gerechtigheid, maar enkel van ‘liefde’. En met het geweten, dat immers ‘een streng en somber beginsel’5 is, kan men niets beginnen. Dr. Noordmans meent hierin de grond te vinden van de andersoortigheid der prediking van Newman en die welke wij in onze kerken kennen: voor Newman was het geweten een ‘somber principe’; bij ons kent men het niet in deze zin.6 Ik zou willen vragen: En is dat dan helemaal in orde? Kende Luther b.v. het geweten ook niet in deze zin? Of kende hij het juist maar al te goed? Zo verschrikkelijk goed, dat hij het er niet bij uithield en juichte over de genade Gods, die hem hiervan vrij maakte? Het komt mij voor, dat dr. Noordmans Newmans woord over het geweten te veel uit zijn verband heeft losgemaakt. Wij moeten niet vergeten, dat Luther het geweten in deze zin terdege kende, ja dat zijn hele theologie ondenkbaar, en dus ook onbegrijpelijk is zonder dit. Hij heeft het geweten vóór het Evangelie gesteld; principieel niet in het leven van de christen. Maar het behoort er dan toch vóór. Wánt het Evangelie der genade is eerst van daaruit te verstaan. Dat kunnen wij anders nog wel van Melanchthon leren. Aan dr. Noordmans is het natuurlijk heel goed bekend welke plaats het ‘verschrokken geweten’ (i.e. het geweten als ‘stern and gloomy principle’) bij de eerste systematicus der reformatie heeft: een volstrekt noodzakelijke plaats. Men zal dan echter, dit wetende, ook goed doen er niet tegen te protesteren, wanneer Newman tegenover de ‘geest der eeuw’ het geweten stelt in deze zin, als noodzakelijke vooronderstelling zonder welke men van de bijbelse boodschap niets begrijpen kan. Newman staat hierin niet tegenover de reformatoren, maar naast hen.

4°. Dr. Noordmans acht het van belang Neoplatonische invloeden bij Newman aan te wijzen. Hij gaat daarbij uit van die passage waar Newman, sprekende over de zielen van pas gedoopte kindertjes, zegt dat, als ze ons zichtbaar waren, wij ze zouden zien te hemel stijgen ‘als vlammen vuur.’7 Ik acht het niet waarschijnlijk dat hier Neoplatonische invloed is. Vindt men b.v. een dergelijke voorstelling bij Origenes? Deze denker heeft toch waarschijnlijk het meest van alle christelijke theologen een invloed van het Neoplatonisme ondergaan. Maar juist bij hem zien wij ook de scherpe afgrenzing; en wie Origenes zelf leest (zoals schrijfster dezes gedurende het laatste halfjaar vrijwel voortdurend heeft gedaan), zal Tixeront gelijk geven, wanneer hij zegt dat Origenes in de inhoud van zijn theologisch denken nauwlijks iets aan het Neoplatonisme heeft ontleend.8 In veel sterkere mate geldt dit van Newman. Mag men nu een passage als de bovenstaande aanhalen ten bewijze van een materialisering van het geestelijke, die Newmans denken zou doortrekken?9 Men zou zich daarmee wel zeer kunnen vergissen. Wat feitelijk in de aangehaalde plaats van belang is, is niet zozeer het aanschouwelijke beeld (waarvan men zelfs kan abstraheren), maar de persoonswaarde die hier aan pas geborenen wordt toegekend. Dit dan in tegenstelling tot ons eigen protestants intellectualisme, dat de persoonsbetekenis zeer veel meer dan Newman aan een zekeren trap van intellectuele ontwikkeling bindt. Daarin is Newman katholiek, niet Neoplatonisch. Een theologisch bezwaar kan men hierin niet tegen zijn denkwijze vinden, tenzij dan tegen zijn geloof aan de reële werking van het sacrament. Maar daarin heb ik zelf tenslotte de vraag opengelaten; en zelfs (voorlopig) voor de reformatorische opvatting gekozen, wetende dat het niet mogelijk is over zo grote vragen tot een zo ingrijpende beslissing te komen in een betrekkelijk korte tijd. Wil men echter, met dr. Noordmans, ook hier naar de kerkelijke traditie verwijzen, dan komt men tenslotte voor dit zeer ernstige punt te staan, dat Newman zich in het gezelschap bevindt van - eigenlijk heel de Kerk van het begin af aan, - en dat wijzelf geïsoleerd staan. Van dit feit heb ik in mijn Newman-werk niet eens gesproken, menende dat de tijd daartoe voor mij nog niet gekomen was. Maar we hebben er tenslotte mee te rekenen, dat we ernstig en eerlijk onze weg moeten zoeken. Het is een argument van geen geringe waarde.

5°. Volgens dr. Noordmans zegt Newman of zeg ik, dat wij de Bijbel ‘plechtig’ moeten lezen; een term, die hij dan als volgt commentarieert: plechtig, i.e. liturgisch.10 Waaruit dan weer gemakkelijk valt af te leiden, dat onze wijze van bijbellezen waarbij het erom gaat dat de mens persoonlijk aangesproken wordt, veel geestelijker is dan die van Newman.11 Dat schijnt heel overtuigend. Maar het berust toch op een vergissing. Newman zegt n.l. niet dat wij de Bijbel ‘plechtig’ moeten lezen. Wel spreekt hij van ‘plechtige waarheden’ van de Schrift, waarheden, die ons in de Schrift plechtig en herhaaldelijk worden gezegd. Zo de leer van de vergelding na werken. Hierover is het dat wij bij Newman, na een opsomming van vijf verschillende getuigenissen uit het Nieuwe Testament, de uitspraak vinden: ‘Whatever else may be true, these declarations, so solemny, so repeatedly made, must be hold good in their plain and obvious sense and may not be infringed or superseded.’ Wil men het woord ‘plechtig’ hier door andere omschrijven, dan zou het moeten zijn met meer dan menselijke autoriteit tot ons gesproken. En dat is het wat Newman voortdurend van de ‘waarheden der Schrift’ zegt. In overeenstemming daarmee vermaant hij zijn hoorders (of lezers) de Bijbel te lezen - en te bestuderen - steeds als een boek waarin met meer dan menselijke autoriteit tot ons gesproken wordt, ook in het Oude Testament, ook in de historische boeken; te lezen dus in de houding van gehoorzaamheid, van vragen naar Gods wil en bereidheid die te doen. In deze houding moet men volgens Newman de Bijbel lezen ‘ernstig, nederig en als in Gods tegenwoordigheid’, zegt hij elders. Wij kunnen daar geen enkel bezwaar tegen hebben. Integendeel.

6°. Dr. Noordmans oppert, dat er veeleer een refererend werk over Newmans gedachten over de rechtvaardiging had moeten worden geschreven dan een boek waarin zozeer om de inhoud van die gedachten naar hun waarheidsgehalte gestreden is.12 Ook op dit punt moet men zich over dr. Noordmans verwonderen. Immers zulk een boek behoefde niet meer geschreven te worden: Newman heeft dat zelf gedaan. De titel is Lectures on Justification. En wil men een samenvatting van de inhoud daarvan, welnu, die is gegeven in de eerste 52 bladzijden van mijn boek. Maar wil men, dat de protestantse lezer iets anders doen zal dan die Lectures on justification van Newman ongeschokt naast zich neerleggen en overgaan tot de orde van de dag, wil men dat hij de inhoud ervan terdege zal verwerken, zó dat het hem wordt tot een zelfcritiek van zijn eigen protestantse denken, zie, dan moet men de weg gaan die het mij heeft goed geschenen af te leggen.

Tenslotte. Dr. Noordmans zegt met ijver over mijn werk geschreven te hebben.13 Maar een zaak van groot belang is hem hierbij toch ontgaan. Er zijn boeken, die niet geschreven worden op zulk een wijze, dat zij ook niet, of later, geschreven hadden kunnen zijn. Het schrijven van een boek is een daad, die ons soms kan worden opgelegd, zó dat er geen sprake van is dat men er zich aan zou kunnen of mogen onttrekken. Men kan b.v. op een dag het voornemen vormen na een voorbereidingstijd van een jaar of tien zich te zullen zetten tot het schrijven van een boek over dit of dat zeer belangrijke onderwerp. Dan kunnen er b.v. vier jaar later redenen zijn, die ons dwingen die zaak direkt ter hand te nemen. En als men daar dan aan begonnen is, kan men opeens, geheel tegen de eigen keuze in, geworpen worden op een weg die men zelf waarlijk niet zou hebben uitgezocht.14 En als men dan die weg toch gaat - God weet of dat dan zoiets is als die ‘gehoorzaamheid’, waarvan onze theologen zo goed weten te spreken, of enkel maar wat menselijke onbeheerstheid. Hoe dit zij, van buiten af zal men dit niet kunnen beoordelen, en het zou dan ook juister zijn, wanneer een derde zich op dit punt van critiek onthield, tenminste een derde die persoonlijk toch op enige afstand staat.

Den Haag, C.J. de Vogel.

(AKDC)

Noten

  1. 1

    Vgl. brief nr. 662 (7.12.1940).↩

  2. 2

    Nl.: Concilie van Trente (1545-1563).↩

  3. 3

    In aansluiting bij het citaat in brief nr. 662 (7.12.1940), zie: VW 6, 379v.: ‘De duiding van de openbaring Gods moet een profetisch, geestelijk, kerkelijk karakter dragen.’↩

  4. 4

    ON wijst er op hoezeer bij De Vogel de ‘leer van het evenwicht’ en ‘de opvatting van de natuur der genade’ met elkaar samenhangen (VW 6, 378v.). Juist wanneer zij Barth heresie verwijt, als deelwaarheid t.o. katholiek als evenwicht in de leer, heeft zij daarvoor ‘geen voldoende oog gehad.’ Dat voert hij aan als zijn grootste bezwaar: ‘Want door dit gebrek wordt de vergelijking en ook de overbrugging tussen de wederzijdse posities totaal vervalst. Zo wanneer zij achtereenvolgens preken van Barth en Newman de revue laat passeren. Maar deze zijn eenvoudig niet naast elkaar te leggen. De preek in een gereformeerde kerk oefent een heel andere functie uit dan die in een katholiserende kerk in de zin van Newman, waar van de incarnatie uit gesproken wordt.’↩

  5. 5

    VW 6, 379 (VW 6, 381).↩

  6. 6

    Idem: ‘Tot zulk een principe richt zich de preek in onze kerken niet.’↩

  7. 7

    VW 6, 386.↩

  8. 8

    Joseph Tixeront (1856-1925), Précis de Patrologie (Paris 1920).↩

  9. 9

    VW 6, 387.↩

  10. 10

    VW 6, 382.↩

  11. 11

    ON schrijft over de noodzakelijkheid van de onevenwichtigheid in de denkvorm der pastorale dogmatiek (VW 6, 382v.): ‘Onder de werken, vooral de rituele werken, kan de denkvorm rusten; onder een gereformeerde of lutherse preek niet. Hij is het middel voor de toepassing van het Evangelie; het geestelijk licht rondom de vinger Gods, die op ons wordt gericht.’↩

  12. 12

    ON stelt de vraag (VW 6, 371): ‘Is hier ook teveel een waarheid zoeken?’ Hij komt uiteindelijk tot de conclusie dat De Vogel te zeer tot uiting brengt wat Newman in haar heeft losgemaakt, waardoor het geheel een sterk subjectief karakter heeft gekregen. Het ware beter geweest, dat zij, in navolging van W.H. van de Pol De kerk in het leven en denken van Newman (Nijkerk 1936), zich had bepaald tot een meer objectieve weergave van Newmans opvattingen (vgl. VW 6, 375): ‘Dr. De Vogel laat naar alle kanten uit wat in haar wakker werd gemaakt en daardoor wordt ... de invloed van Newman zelf minder. Zij zou een beter medium geweest zijn, als dit alles meer gedoken ware gebleven.’↩

  13. 13

    VW 6, 392: ‘Ik heb het, geloof ik, gedaan met enige ijver; ijver zelfs in bijbelse zin.’↩

  14. 14

    ON vraagt zich af, of de zaken die De Vogel in haar boek uitspreekt niet een langere incubatieperiode hadden benodigd, VW 6, 375v.↩

Verantwoording

Deze pagina is automatisch opgebouwd uit het zetbestand van het boek; de noten zijn aan hun verwijzing gekoppeld. Dat bestand heeft geen paginanummers: een brief wordt aangehaald met zijn nummer. Zet onder Weergave de correcties aan om de herstelde en de onzekere plaatsen (⚑) in de tekst te zien. De tekst is niet met het gedrukte boek vergeleken.

← 659. C.J. de Vogel aan O. Noordmans7. Laren661. Naschrift O. Noordmans over C.J. de Vogel →