846. O. Noordmans aan G.C. van Niftrik1
Lunteren, 24 maart 1949
Waarde van Niftrik,
Het is al enige tijd geleden, dat gij zo vriendelijk waart mij een overdruk toe te zenden van Uw bijdrage in “Geestelijk Nederland”.2 Waarvoor ik U hierbij hartelijk kom danken. Niet alleen voor de toezending, maar ook voor de wijze, waarop gij daarbij aandacht hebt geschonken aan mijn theologische arbeid. Dat ik er nu pas toe kom om U te schrijven, vindt z’n reden in de omstandigheid, dat ik omstreeks het midden van deze maand een paar publicaties moest gereed hebben, waardoor mijn tijd tot het uiterste in beslag werd genomen. Daarbij komt, dat ik de laatste tijd om gezondheidsredenen niet alle uren van de dag kan bestenden. Daarom hoop ik dat gij het uitstel zult kunnen billijken.
Gij zijt er in geslaagd in Uw schets een vrij volledig en duidelijk overzicht te geven van wat er op godsdienstig en kerkelijk gebied in de periode 1920-’40 in ons land heeft plaats gehad. Het is van belang dat dit stuk onder de andere bijdragen niet ontbreekt.
Ik heb gezien, dat de plaats van Vos3 weer is ingenomen. In Smelik4 zult gij, naar ik meen, een uitnemend collega hebben gekregen. De plaats, die de kerkelijke hoogleraren te Amsterdam innemen, is in sommige opzichten, naar het mij toeschijnt, een andere dan die aan de overige universiteiten. Men staat te Amsterdam meer midden in het volksleven. Uit wat er van U, tijdens Uw professoraat, reeds verschenen is, maak ik overigens op, dat gij U met ijver op Uw academische taak hebt geworpen.
Met vriendelijke groet,
O. Noordmans
(AvN)